Onder hoogvliegers

Wat voor wetenschapsland is Nederland? Waar zijn we goed in? Wat hebben we daaraan? Kan het beter? In een drieluik onderzoekt de Volkskrant de stand van zaken. Deel 1: zijn we wel zo goed?

Begin oktober buitelden ze weer over elkaar, de bestuurders van de Nederlands universiteiten die goed scoorden in de jaarlijkse internationale ranglijst van het Times Higher Education Supplement (THES). Uiteraard waren Utrecht en Leiden, de Nederlandse koplopers, dik tevreden. Ze hadden alleen stuivertje gewisseld.


Maar ook elders heerste tevredenheid. Liefst twaalf van de dertien Nederlandse universiteiten stegen ten opzichte van vorig jaar. Sommige, zoals de TU Delft, zelfs opmerkelijk fors. Vijf universiteiten haalden de top-100. Alleen de universiteit van Tilburg, ook voor Nederlandse begrippen jong, klein en smal in zijn disciplines, valt stelselmatig buiten de top-200.


De Nederlandse wetenschap, mogen wetenschapsbestuurders graag vaststellen, is geweldig goed. Scheidend president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, de fysicus Robbert Dijkgraaf, zei in een interview met de Volkskrant, kort voor de zomer: 'Nederland is een zeer ontwikkeld wetenschapsland; een land van gedistingeerde geleerden, belangrijke Nobelprijswinnaars en goed hoger onderwijs.'


In het buitenland, zei hij ook, is dat imago van een groots wetenschapsland misschien nog wel sterker dan we hier willen onderkennen.


Dat bleek in oktober opnieuw. Samensteller Phil Baty van de nieuwe THES-ranglijst noemde desgevraagd de internationaal hoog scorende Nederlandse universiteiten een baken van hoop. Nederland, zei hij tegen een universiteitsblad, 'is a major global education powerhouse', een mondiale onderwijsgrootmacht. Vooral het feit dat vrijwel álle Nederlandse universiteiten goed scoren, noemde hij opmerkelijk.


Mooie complimenten, die haast doen vergeten wat de ranglijsten ook zeggen: de Nederlandse universiteiten doen het prima in vergelijking met talloze instellingen in de wereld, maar écht top wil het toch niet worden. De echte hoogvliegers zijn Amerikaanse en Britse universiteiten als Caltech, Harvard of Princeton, de University of California, Oxford en Cambridge. Zoals altijd al.


Waar Caltech 95 procent scoort in alle sectoren komt de beste Nederlandse universiteit, die van Leiden (op positie 64 in de THES-lijst) aan de 65 procent. Utrecht (positie 67) haalt 64 procent. De laagste Nederlandse universiteit, die van Twente, haalt op die schaal 49 procent en staat op plaats 187.


Goochelen met lijstjes

Natuurlijk, zulke ranglijstjes deugen nooit. Beleidsmakers en journalisten zijn er misschien dol op, maar in de meeste lijsten wordt driftig gegoocheld; en wel zodanig dat de uitkomst in feite oncontroleerbaar wordt en het niet duidelijk is wat de verschillen betekenen. Sommige factoren in de beoordelingen zijn hard - aantallen publicaties, citaties, omvang van de staf, financiën. Maar ook het onderwijs telt mee, de reputatie bij derden, en zelfs het aantal Nobelprijswinnaars, nu en in het verleden. Volgens sommige critici is dat een giftig mengsel, kwetsbaar voor manipulatie, ook door de universiteiten zelf.


Om die willekeur zo veel mogelijk buiten de deur te houden, maakt in Leiden het Centrum voor wetenschaps- en technologiestudies (CWTS) al jaren een eigen ranglijst op grond van strikt wetenschappelijke impact, afgemeten aan aantallen publicaties in tijdschriften en hun invloed elders. Deze Leiden Ranking geeft, wat je verder ook van lijstjes vindt, in elk geval een objectiever beeld van de wetenschappelijke betekenis van universiteiten, denken de makers.


Wetenschappers die veel worden aangehaald verrichten kennelijk invloedrijk werk en dus zijn citaties de valuta van de wetenschap. Het meten daarvan is wel een heksentoer, omdat het erop neerkomt de wetenschappelijke literatuur door te ploegen op onderzoekers, adressen en verwijzingen.


Daarbij gelden nadrukkelijk ook beperkingen. Zo kan het CWTS alleen datgene meten wat er in wetenschappelijke databanken als die van informatiemakelaar Thomson Reuters of superuitgever Elsevier zit. Dat zijn wel heel veel artikelen in heel veel wetenschappelijke tijdschriften, maar er zijn bijvoorbeeld geen boeken bij, geen artikelen in andere talen dan het Engels of bijdragen aan conferenties. Vooral de technische wetenschappen komen er daardoor al snel bekaaid af. Die communiceren op een andere manier dan in de tijdschriften en meten succes liever af aan bijvoorbeeld patenten.


Leiden zelf scoort ironisch genoeg in de jongste Leiden Ranking een zevende of zelfs negende positie in Nederland, niet een eerste of tweede zoals op bredere ranglijsten als die van de THES of op een vergelijkbare ranglijst als die van de ARDU (de zogeheten Shanghai Ranking). Utrecht is volgens het CWTS internationaal de best gewaardeerde onderzoeksuniversiteit in Nederland.


Ook op grond van zulke onaandoenlijke cijfers staat Nederland internationaal nog maar hooguit ergens halverwege de internationale top-100, Utrecht op plaats 53 iets verderop gevolgd door de UvA. De rest van de instellingen volgt ergens boven positie 100 of zelfs 200. En dus alweer: mijlenver van de Amerikaanse en Britse topuniversiteiten van Boston, Princeton, Harvard, Stanford die in dit geval de lijst aanvoeren.


Stelt onze wetenschap dan toch minder voor dan in alle retoriek over 'Nederland Kennisland' meestal de suggestie is? Nee, houdt het ministerie van Onderwijs vol in de net verschenen cijferoverzichten van het hoger onderwijs Trends in Beeld 2012. 'De kwaliteit van het Nederlandse onderzoek is van zeer hoog niveau en de Nederlandse publicaties zijn invloedrijk. Internationaal bezet Nederland een derde positie', aldus het trotse ministerie.


Extreem ijverig

Deels is de trots terecht. Nederlandse wetenschappers worden volgens de gegevens van het ministerie nu gemiddeld 44 procent boven het wereldgemiddelde geciteerd. Alleen de artikelen uit Zwitserland en Denemarken scoren volgens het ministerie gemiddeld nog iets hoger, maar werk uit de VS, Groot Brittannië of Duitsland bijvoorbeeld echt slechter.


Daar zijn verklaringen voor. In het Nederlandse powerhouse van de wetenschap wordt bijvoorbeeld onwaarschijnlijk hard gewerkt. Jaarlijks publiceren alle Nederlandse auteurs samen rond de 44 duizend wetenschappelijke artikelen. Dat is een heel stuk minder dan in grotere wetenschapslanden als Engeland (100 duizend), Duitsland (95 duizend) of Frankrijk (65 duizend). Maar Nederland is klein. Omgerekend naar het aantal actieve onderzoekers ontstaat er juist een beeld van een extreem ijverig corps van publicerende wetenschappers.


In 2011 publiceerde Nederland zo'n 125 wetenschappelijke artikelen per 100 onderzoekers, bijna tweemaal zo veel als de Duitse en Franse collega's. Alleen de Zwitsers publiceren per onderzoeker nog driftiger: ruim 160 artikelen per 100 onderzoekers. De Nederlandse wetenschappen, kortom, zijn razend effectief. De productiviteit ligt er extreem hoog, en het resultaat (44 procent beter geciteerd dan wereldgemiddeld) mag er kwalitatief ook wezen.


Opvallend is dat dat geldt voor veel kleine wetenschapslanden. Zwitserland, Zweden, Nederland, Denemarken, Oostenrijk, België: ze werken wetenschappelijk kennelijk allemaal een stuk efficiënter dan grotere landen als Duitsland, Frankrijk of Engeland.


De VS, doorgaans beschouwd als een top-wetenschapsland, blijken zelfs het schoolvoorbeeld van extreme inefficiëntie: per 100 Amerikaanse onderzoekers verschijnen er maar 25 artikelen per jaar. De Amerikaanse elite-universiteiten maken een enorme overmacht aan middelmatige instellingen daar duidelijk niet goed.


In wetenschapsland Nederland doen vooral brede onderzoeksuniversiteiten - Utrecht, Leiden, Amsterdam, Groningen, Nijmegen - het behoorlijk goed. Als internationale subtoppers ontlopen ze elkaar niet bijster veel. Maar wat doen ze precies? Onderzoeksbureau Dialogic in Utrecht ontwikkelde de laatste jaren in opdracht van het ministerie van Onderwijs een zogeheten onderzoeksspecialisatie-index, de OSI, die aangeeft waar de nadruk in het Nederlandse onderzoeksbestel zit, vergeleken met elders in de wereld. Het is een indicatie voor de mate waarin we ons op sommige vakken toeleggen - en op andere minder, of niet.


Hun analyses leveren een helder beeld: Nederland publiceert meer dan een gemiddeld wetenschapsland over communicatiewetenschappen, managment, sociale- en gedragswetenschappen, taal, onderwijswetenschappen en onderzoek in de economie. Buitenproportioneel groot zijn de psychologie (tweemaal de normale omvang) en de sociale geografie. Relatief klein zijn uitgerekend de exacte wetenschappen. Kennisland Nederland, is de conclusie, is meer een land van alfa's en gamma's dan van bèta's.


Dat resultaat past helemaal bij het beeld van de doenerige handelsnatie Nederland, druk met netwerken en communiceren. Maar de ironie wil dat al die wetenschappelijke nijverheid niet maatgevend is voor de hoge kwaliteit van de Nederlandse wetenschap.


Om te beginnen publiceert wetenschappelijk Nederland vooral op twee andere gebieden massaal. Tweevijfde van alle Nederlandse wetenschappelijke artikelen is min of meer medisch of medisch-biologisch. Nog eens tweevijfde is meer natuurwetenschappelijk. Slechts eenvijfde van alles wat er wordt gepubliceerd gaat over al het andere, van techniek tot de geesteswetenschappen, van management en economie tot taal en kunstgeschiedenis.


De discrepantie tussen wat we doen en waarmee we scoren, wordt nog duidelijker als het gaat om kwaliteit, afgemeten - met alle beperkingen van dien - aan citaties. De natuurwetenschappen halen voor Nederland internationaal verreweg de hoogste waardering, zo'n 45 procent beter geciteerd dan gemiddeld in de wereld, met nog hogere uitschieters tot wel 80 procent in de natuurkunde en chemie en de fundamentele levenswetenschappen. De medische sector scoort met 38 procent ook ruim boven het wereldgemiddelde, met plaatselijk nog hogere uitschieters. Landbouw is weliswaar een kleine niche, en speelt zich voornamelijk in Wageningen af, maar presteert eveneens zo'n 38 procent bovengemiddeld.


Wetenschapsland Nederland? Het derde wetenschapsland van de wereld, suggereren de kille cijfers. Maar niettemin een subtopper, waar de kwaliteit vooral wordt gegenereerd door keihard werken in drie sectoren: geneeskunde, natuurwetenschap en landbouw. Een hoogvlakte in de internationale kenniswereld, dat zeker. Zij het nog altijd maar halverwege de flanken van het echte hooggebergte van de Amerikaanse en Britse elite-universiteiten.


Duitsland: afkeer van ranglijstjes


De Universiteit van Hamburg werkt niet langer mee aan ranglijsten van universiteiten. Vorige week zei rector magnificus Dieter Lenzen in Der Tagesspiegel dat de lijsten op zwakke meetmethoden gebaseerd zijn en het aanleveren van gegevens de instelling te veel tijd kost; tijd die beter naar onderwijs en onderzoek kan gaan. Een week eerder meldden driehonderd Duitse hoogleraren in een open brief dat ze niet meer op de top-100 van beste wetenschappers van weekblad Die Zeit willen staan. De lijst is te willekeurig, vinden ze. Nederlandse universiteiten hebben vooralsnog geen moeite met ranglijstjes, zegt een woordvoerder van universiteitsvereniging VSNU. 'Rankings zijn gewoon belangrijk, met name voor internationale studenten die een goeie universiteit zoeken.'


Lees verder op pagina V5


Een andere maat: octrooien


Met name in de technische vakken zijn octrooiaanvragen een belangrijke maat voor de wetenschappelijke productiviteit en kwaliteit. Nederland is internationaal koploper in het aanvragen van octrooien, blijkt uit cijfers van de organisatie voor economische ontwikkeling OESO. Per 100 miljoen dollar onderzoeksgeld (ruim 76 miljoen euro) liggen er jaarlijks 60 Europese patentaanvragen. Dat komt niet zozeer op het conto van de Nederlandse wetenschap. Hooguit 10 procent van de Nederlandse octrooiaanvragen komt van universiteiten, ziekenhuizen en kennisinstellingen. Per jaar zijn dat er enkele tientallen.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden