Onder het zinloze de levenslust

De mens vraagt, de wereld geeft geen antwoord. Zo laat Camus' filosofie van het absurde zich samenvatten. Frankrijk probeert zijn grote schrijver te herdenken.

Hij is de ultieme, nooit meer overtroffen versie van de Franse filosoof. Mooie man, interessante kop, altijd een sigaret in zijn mondhoek, een melancholieke blik die suggereert dat hij elk moment iets diepzinnigs, maar toch romantisch gaat zeggen. Hij leidde een leven als een filmheld, een jongen uit een straatarm gezin in Frans Algerije die uitgroeit tot een literaire en filosofische wereldster, vrouwen verslindt, de Nobelprijs wint en om het leven komt bij een auto-ongeluk, nog maar 46 jaar oud.


Op 7 november is het honderd jaar geleden dat Albert Camus werd geboren. In Frankrijk wordt het uitgebreid, maar niet al te uitbundig herdacht. Toch is hij de best verkochte Franse auteur in het buitenland, schrijver van onvergankelijke werken als De vreemdeling, De pest en De val, een filosoof die een kind van zijn tijd was, maar wiens werk tijdloos blijkt te zijn.


Camus is de filosoof van het absurde. De wereld is niet goed of slecht, en er zit geen bedoeling achter. Hoe hard je ook je best doet, het leven kan elk moment het tapijt onder je voeten wegtrekken. Ziekte, dood, ontslag, pech, het laat de wereld volmaakt onverschillig.


Camus heeft alle reden om het leven absurd te vinden. Op zijn 17de wordt hij getroffen door tuberculose. 'U bent sterk en ik moet openhartig tegen u zijn. Ik kan u zeggen dat u gaat sterven', zegt zijn arts. Hij overleeft, maar blijft zijn leven lang last houden van bloedspuwingen en koortsaanvallen. Steeds opnieuw wordt hij met de neus op de feiten gedrukt: hij zal niet oud worden.


Camus verwerkt zijn ervaringen in een universele filosofie. We zijn allemaal kinderen van 'een geest die verlangt en een wereld die teleurstelt', schrijft hij in De mythe van Sisyphus. De mens vraagt, de wereld zwijgt. De meeste mensen kunnen dat zwijgen niet verdragen, stelt Camus. Ze gaan op zoek naar een kracht die het leven zin geeft. God bijvoorbeeld, die de onrechtvaardigheid op aarde rechtzet in het hiernamaals. Of het communisme, dat belooft dat de geschiedenis onvermijdelijk naar de heilstaat zal leiden. Zelfbedrog, is het strenge oordeel van Camus, een doorzichtige poging om de tragiek van het leven te ontlopen.


Deze op het eerste gezicht nogal sombere boodschap heeft ook een positieve, vrolijke kant. De mens is niet meer onderworpen aan het gezag van religieuze of andere autoriteiten. Hij is vrij en zelf verantwoordelijk. Dat is precies wat een jonge generatie wil horen, nadat een oorlog de moraal van hun ouders onderuit heeft gehaald.


Met Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir wordt Camus een van de helden van het existentialisme, een term waarbij hij zichzelf overigens ongemakkelijk voelt. Parijs is even het intellectuele centrum van de wereld. In Saint-Germain des Prés luisteren jonge intellectuelen naar jazz en Juliette Gréco, ze dragen zwarte coltruien, drinken wijn, discussiëren tot diep in de nacht over het leven en delen elkaars bed. Het existentialisme is een rage, omdat het vrijheid belooft. In de filosofische finesses zijn de 'existentialistische' jongeren minder geïnteresseerd, schrijft de filosoof Michel Onfray. Hoeveel mensen hebben Sartres hoofdwerk Het zijn en het niet, een essay in fenomenologische ontologie echt gelezen?


Van het Parijs van Camus is weinig over. Saint-Germain is bourgeois geworden. In de Rue Madame, waar Camus woonde, is een conceptstore van Bang & Olufsen gevestigd. Café Flore, waar Sartre en De Beauvoir ooit schreven om thuis stookkosten te besparen, is tegenwoordig een veel te dure toeristentent. De in Frankrijk zo populaire elektronische sigaret geeft toch een heel andere sfeer dan de Gauloises van toen.


Ook de favoriete thema's van Camus zijn verdwenen. Wie maakt zich nog druk over God of het communisme? Toch blijkt zijn filosofie tijdloos. De documentaire Vivre avec Camus, onlangs uitgezonden door Arte, laat zien hoe mensen over de hele wereld, van Frankrijk tot Japan, van de Verenigde Staten tot Afrika, troost ontlenen aan zijn oeuvre. De spanning tussen 'een geest die verlangt en een wereld die teleurstelt' is allerminst verdwenen. De geest verlangt meer dan ooit: mensen stellen hogere eisen aan het leven dan ooit. Maar de wereld is nog even koud, onverschillig en zwijgzaam als in de tijd van Camus. Door broze liefdesrelaties en flexibele arbeidscontracten is het individu misschien nog sterker onderworpen aan de grillen van de wereld.


De meritocratische ideologie is de hedendaagse poging om deze spanning te ontlopen. Zij suggereert dat er wel degelijk een patroon in het leven zit, dat je kunt bereiken wat je wilt, als je maar hard genoeg je best doet. Maar voor de verliezers, of de mensen die niet aan hun eigen hoge verwachtingen voldoen, is de meritocratie een wrede ideologie die het individu verantwoordelijk maakt voor zijn eigen falen. Jammer - had je maar beter je best moeten doen. De geestelijke schade van de meritocratie is inmiddels door een stoet auteurs vastgesteld, van Trudy Dehue tot Paul Verhaegh. We leven in een tijd van depressie en burn-out.


In deze wereld biedt de filosofie van Camus troost. Als het leven zinloos en absurd is, kunnen tegenvallers veel gemakkelijker geaccepteerd worden. Ik heb niet gefaald, ik ben getroffen door blinde pech. Natuurlijk rijst dan meteen de volgende vraag. Waarom zou ik mijn best doen, waarom zou ik überhaupt willen leven in deze zinloze wereld? 'Zelfmoord is het meest fundamentele filosofische probleem', schrijft Camus.


Zijn antwoord is in eerste instantie nihilistisch. Meursault, de hoofdpersoon van De vreemdeling uit 1942, staat onverschillig in het leven. De dood van zijn moeder, de liefde van zijn vriendin Marie, het lijkt hem allemaal niets te doen. Op het strand vermoordt hij een Arabier, zonder dat hij zelf kan uitleggen waarom. Ook de doodstraf accepteert hij gelaten.


Toch is Meursault niet ongelukkig. Hij geniet van de zee, zijn hoofd op de buik van Marie, de geluiden van Algiers bij het vallen van de avond, een schreeuw van een krantenverkoper, de laatste vogels op het plein, het geknars van de tram. De mens is als de mythologische figuur Sisyphus, zegt Camus. Zijn leven lang rolt hij een steen tegen een berg op. Elke keer als hij boven is, rolt de steen weer naar beneden. Het leven is een eeuwige, zinloze herhaling, die toch de moeite waard is: 'We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.'


Onder de zinloosheid brandt de levenslust, het plezier in de wereld en haar zinnelijke ervaringen. Het is een gedachte die beïnvloed is door Nietzsches amor fati - je moet leren houden van het lot dat je ten deel valt - maar ook door Algerije, waar mensen het beste maken van een keihard leven. Het lijkt een wat magere vulling voor het gapende gat dat Camus als het uitgangspunt van zijn denken poneert.


Camus verandert door de Tweede Wereldoorlog, waarin hij hoofdredacteur is van de verzetskrant Combat. Van het nationaal-socialisme kun je niet leren houden, je kunt het niet gelaten ondergaan. Er zijn omstandigheden waaronder je in verzet moet komen. In 1947 publiceert hij De pest, over een Algerijnse stad die door een besmettelijke ziekte wordt getroffen. De held is deze keer geen ontoegankelijke eenling als Meursault, maar dokter Rieux, die alles doet om de ziekte te bestrijden en zijn stadgenoten te helpen, ook al bekruipt hem vaak het gevoel dat zijn inspanningen zinloos zijn.


In De mens in opstand uit 1951 werkt hij deze ethiek verder uit. De waarde van verzet schuilt niet in het succes van verzetsacties, maar in de waardigheid die verzet het individu verschaft. 'Het is beter rechtop te sterven dan op de knieën te leven', schrijft hij in een beroemde zin. Toch is verzet geen morele zelfbevrediging. De opstand tegen onrechtvaardigheid is het fundament van de samenleving, van onze solidariteit met anderen. Met een verwijzing naar Descartes schrijft hij: 'Ik kom in opstand, dus ik ben.'


Als filosoof is Camus heel geschikt voor tijden van crisis en onzekerheid, omdat hij tegenslag leert aanvaarden, maar de moed nooit opgeeft en oproept tot verzet tegen onrechtvaardigheid. Daarmee biedt hij een individualistische ethiek die nog altijd modern aandoet.


De mens in opstand betekent ook een breuk met Jean-Paul Sartre en zijn medestanders. Als verzet tot ideologie stolt, schrijft Camus, zal dat tot massamoord leiden, waarbij 'humanistische beulen' tekeergaan in naam van een stralende toekomst. Deze frontale aanval op het communisme wordt hem niet in dank afgenomen. Het kamp van Sartre hekelt de 'Rode Kruismoraal' van Camus. Met zulke slappe humanitaire praatjes zal de wereld nooit veranderd worden. Bij een revolutie vallen nu eenmaal slachtoffers.


Camus wordt uitgekotst door de Parijse intelligentsia. Het is tijd om de stad te verlaten - de koude stad in het noorden waarvan hij nooit gehouden heeft. Ideeën leiden er hun eigen leven, schrijft hij, zonder relatie met de werkelijkheid. Voor Sartre is geweld een concept, voor Camus een man met een doorgesneden keel.


In 1958 koopt hij een huis in Lourmarin, niet ver van Aix-en-Provence. Vanaf zijn terras kijkt hij uit over de vlakte en de woeste bergen. Landschap en klimaat herinneren hem aan het geliefde Algerije van zijn jeugd. Camus is ook de filosoof van de zon. Nooit was het in de wereldliteratuur zo verzengend heet als in De vreemdeling en in De pest.


Hij woont maar kort in Lourmarin. Er is geen absurdere dood dan een auto-ongeluk, zegt hij vaak tegen vrienden. Op 4 januari 1960 rijdt hij van de Provence naar Parijs, met zijn vriend en uitgever Michel Gallimard, diens vrouw, dochter en hond. Vlak voorbij Sens verliest Gallimard de controle over zijn Facel Vega. De sportwagen ramt een plataan, caramboleert tegen een andere boom en breekt in stukken. Camus is op slag dood, Gallimard overlijdt vijf dagen later, zijn vrouw en dochter blijven ongedeerd, de hond is verdwenen. Absurd detail: Camus heeft een treinkaartje gekocht, maar heeft zich op het laatste moment laten overhalen om mee te rijden.


Op het kerkhof van Lourmarin ligt hij begraven. Onder een oleander herinnert een kleine, rechthoekige steen aan de kale, gebeitelde taal van De vreemdeling. 'Albert Camus', staat er slechts, '1913-1960'.


LEVEN ALS HANDELING: ALBERT CAMUS EN DE VROUWEN

Het ging Camus niet om la vie, maar om vivre, leven als handeling. Dat bracht hij enthousiast in de praktijk. Hij trouwde twee keer en onderhield talloze buitenechtelijke relaties, waarvan hij er meestal meerdere tegelijk in de lucht hield.


Aan het begin van de jaren vijftig raakt zijn vrouw Francine in een diepe depressie, die zij toeschrijft aan Alberts amoureuze escapades. De monoloog De val uit 1956 is de weerslag van deze episode. Een succesvolle advocaat hoort achter zich dat een vrouw in de Seine springt, maar doet niets om haar te redden. Vervolgens verdrinkt hij zijn schuldgevoel, waarbij hij willekeurige passanten aanpraat dat ook zij heel wat op hun geweten hebben. 'Deze ben je aan mij schuldig', zei Francine, toen ze het manuscript las. Ze verweet haar echtgenoot dat hij petities tekende voor iedereen die onderdrukt werd, maar de ellende in eigen huis stelselmatig negeerde.


De val speelt in Amsterdam, in Café Mexico City aan de Zeedijk - waarschijnlijk geïnspireerd op het allang verdwenen echte Mexico City, om de hoek in de Warmoesstraat. Voor de mediterrane Camus symboliseert Amsterdam het barre noorden, koud, mistig, gevat in een mistroostig grijsbruin. De grachten vergelijkt hij met de cirkels van de hel bij Dante.


NIET IN EEN HOKJE TE PLAATSEN

Het lukt Frankrijk maar niet om Camus fatsoenlijk te herdenken. De centenaire is een puinhoop geworden. Er worden veel Camusboeken uitgegeven, maar het zijn vooral herinneringen en correspondenties - geen monumentale studies. In Aix-en-Provence zou een grote tentoonstelling over zijn leven en werk worden ingericht. Eerst zou de historicus Benjamin Stora de expositie opzetten, daarna filosoof Michel Onfray. Beiden gaven hun opdracht terug na veel geruzie en geharrewar. Nu is er een mooie, maar kleine tentoonstelling in het Cité du Livre in Aix. Camus is een dwarse denker die zich niet in een hokje liet plaatsen en daardoor ook op weerstand stuit, zegt Stora: 'Sociaal-democraat en libertair, tegen het kapitalisme en tegen de Sovjet-Unie, voor rechtvaardigheid in Algerije, maar tegen de onafhankelijkheid.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden