Onder alle waanzin zit altijd een redelijke ziel

In de eerste helft van de 19de verbeterde het leven van opgesloten 'krankzinnigen' aanzienlijk. En ze kregen behandeling, van de eerste psychiaters.

In 1788 werd een oersterke, krankzinnige en agressieve militair opgenomen in het 'dolhuis' in Utrecht. Hij zou er de rest van zijn leven blijven. Decennia zat hij vastgeketend achter een dikke deur. Eens per week maakten verzorgers zijn hok schoon. Dan moest de man - een dragonder, naam onbekend - een ijzeren halsband om met een stok eraan om hem in bedwang te houden. Van een afstand kreeg hij een schone deken toegeworpen. Kleren had hij niet.

Zo leefde de man al bijna veertig jaar toen de arts Jacobus Schroeder van der Kolk in 1827 bestuurder werd van het dolhuis. In de jaren daarna zou zijn situatie langzaam verbeteren. Zijn ketens werden verwijderd en hij kreeg kleren en een tafel en een stoel. Wel bleef hij eten uit een ijzeren voederbak. Na al die jaren accepteerde hij niets anders.

De ommekeer in het leven van de dragonder typeert een grote verandering in de omgang met 'krankzinnigen', zoals ze in die tijd heetten. Eind 18de eeuw was een dolhuis een eindstation, een plaats voor 'rasenden menschen' die te gevaarlijk waren of te veel overlast gaven om thuis te verzorgen. Behandeling was er niet, zelfs geen dagbesteding. In de zomer hadden de hokken weinig frisse lucht en in de winter geen verwarming.

In de loop van de 19de eeuw veranderde dat in grote delen van Europa. De leefomstandigheden verbeterden aanzienlijk en bovendien kwamen er 'gestichtsgeneesheren' die de patiënten probeerden te genezen.

In Nederland is die ontwikkeling grotendeels verknoopt met het leven van Schroeder van der Kolk (1797-1862). Dat laten historici Joost Vijselaar en Timo Bolt (beiden Universiteit Utrecht) zien in hun boek J.L.C.Schroeder van der Kolk en het ontstaan van de psychiatrie in Nederland, dat ze woensdag presenteerden.

Schroeder van der Kolk, geboren in het laatste restje van de 18de eeuw, had in zijn jeugd optimistische, verlichte idealen meegekregen. Als goed burger vond hij dat hij moest bijdragen aan de vooruitgang van de maatschappij en hij was vol vertrouwen dat krankzinnigen met de juiste behandeling konden worden genezen.

Onder alle waanzin zat volgens hem altijd nog een redelijke ziel; een mens die zichzelf kon beheersen. Behandeling van geesteszieken was vergelijkbaar met de opvoeding van een kind, waarover verlichtingsdenkers veel hadden geschreven: met de juiste bejegening viel veel te bereiken.

Bij Schroeder van der Kolk waren de verlichtingsideeën gekleurd door een sterk geloof in God en de onsterfelijkheid van de ziel. 'Voor hem was kennis van God het allerbelangrijkste in het leven', legt Bolt uit. 'Die bereikte je via de rede, een belangrijk onderdeel van de ziel. Maar bij krankzinnigen stonden allerlei wanen en illusies dat in de weg. Daarom waren geesteszieken volgens hem de allerongelukkigsten van alle mensen. Dat motiveerde hem om te helpen.'

Het gaf Schroeder van der Kolk de energie zich in te zetten voor de bouw van betere gestichten en de invoering van een menslievende behandeling. Met succes. Tussen 1840 en 1855 werd alleen al ruim 2 miljoen gulden geïnvesteerd in her- en nieuwbouw.

De vernieuwingen begonnen al toen Schroeder van der Kolk een kind was, in de Franse Tijd. Historici hebben lang gedacht dat Nederland toen hopeloos achterliep op de rest van Europa, maar Vijselaar en Bolt laten zien dat ook hier vernieuwende ideeën circuleerden. Daarbij hoorde veel aandacht voor de invloed van de ziel, de hartstochten en de verbeelding op het lichaam en ook andersom, van het lichaam op de geest.

Vijselaar: 'Krankzinnigheid had volgens veel artsen in die tijd lichamelijke oorzaken - darmproblemen waren een populaire verklaringen en artsen schreven geesteszieken opvallend vaak laxeermiddelen voor.' Deze manier van denken maakte dat de psychiatrie steeds vaker als onderdeel van de geneeskunde werd beschouwd.

De moderniseringen werden geholpen door Napoleon. Toen Nederland onderdeel was van zijn keizerrijk, van 1810 tot 1813, liet hij inventariseren hoe het er in dolhuizen aan toeging. Toen de Fransen vertrokken, stond alles even stil, maar al snel pakten andere vernieuwers de draad weer op. De belangrijkste was Jozef Guislain, een arts uit Gent, dat in die tijd bij het koninkrijk der Nederlanden hoorde. De overheid was geïnteresseerd en dacht na over nationale modernisering.

Dat alles boeide de jonge Schroeder van der Kolk maar matig. Zijn hart lag bij de anatomie en hij bracht een groot deel van zijn tijd door met werk aan stoffelijk overschot. Later in zijn carrière zou hij als een van de eersten schrijven dat artsen de snijvlakken van verwijderde tumoren onder een microscoop moesten onderzoeken op kankercellen. Als die er zaten, moest de arts meer weefsel weghalen. Anders kwam de kanker terug, zo liet hij zien. Deze en andere vondsten leverden hem een internationale reputatie op.

Daarnaast maakte Schroeder van der Kolk zich nuttig voor het dolhuis. Hij deed het uit plichtsbesef maar bracht veel in beweging. Bolt: 'Tijdgenoten omschreven hem als een enorme enthousiasteling. Hij was een inspirator die maakte dat de bestuurders van het dolhuis in hun vrije tijd van deur tot deur gingen om te collecteren, en hun netwerk aanspraken om mensen zo gek te krijgen geld te geven.' Met de opbrengsten maakte Schroeder van der Kolk het leven van krankzinnigen zoals de dragonder aangenamer.

Intussen veranderde de politieke situatie totaal. De zuidelijke Nederlanden maakten zich in 1830 los van het noorden. De Gentse arts Guislain werd een burger van het nieuwe België. De grootse plannen voor nationale veranderingen kwamen stil te liggen.

Maar de wil tot modernisering was sterk. Daarom kwam het Utrechtse werk van Schroeder van der Kolk in de Haagse belangstelling te staan en vooral ook zijn slimme manier van financieren. Hij liet welgestelde patiënten aanmerkelijk meer kostgeld betalen in ruil voor iets meer comfort. Zo hield hij geld over voor betere zorg voor het hele gesticht, zodat de overheid minder hoefde bij te springen.

Het leverde Schroeder van der Kolk een positie op als adviseur voor de eerste krankzinnigenwet (1841) en vervolgens als inspecteur van gestichten in Nederland. De anatoom werd een autoriteit op het gebied van krankzinnigheid, met zijn humanitaire, liefderijke aanpak. Toen hij stierf, stond de psychiatrie op eigen benen.

Joost Vijselaar en Timo Bolt: J.L.C. Schroeder van der Kolk en het ontstaan van de psychiatrie in Nederland.

Uitgeverij Boom; € 24,90; 518 pagina's; ISBN 978 94 6105 562 0.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden