Ondanks 'Paleis Kipperust' niet echt gelukkig

Ze zijn alleen in de zomer geopend, in het weekend of op afspraak. Een rondgang langs kleine musea waar kunstenaars woonden....

Honderd schorten in het museumdepot en niet een is er van Betje. Ook haar jurken en meubilair ontbreken. Van de 18de-eeuwse schrijfster Betje Wolff (1738-1804) bezit het museum in de kerkbuurt Middenbeemster dat haar naam draagt maar weinig tastbaars.

Voelbaar daarentegen is ze toch wel, voor wie er gevoelig voor wil zijn. Vergeet dat de meeste kamers in de voormalige pastorie 19de-eeuwse stijlkamers zijn, dat Betje het huis nauwelijks zou herkennen als ze ’t zou terugzien, en klim de trap op naar zolder, waar haar geest nog rondwaart. Daar creëerde ze haar eigen kamer, haar heiligdom ‘Paleis Kipperust’, dat met enig deduceren en combineren – vaag waren nog sporen van boekenplanken te zien op de muren – in de jaren vijftig in ere is hersteld.

In deze werkkamer, die (anders dan nu ten gevolge van bebouwing) uitkeek op de weidse polder, schreef ze haar talloze brieven en bespiegelingen, en las ze de verlichte geesten uit haar tijd, zoals Voltaire en Rousseau, met wie ze dweepte: ‘zyn beeld hangt op myn Boekekamer in een Verguldy Lyst. Dit is myn Schryver! Ik lees hem altoos!’

Hier staat het inktstel, een van de weinige objecten waarvan met enige zekerheid gezegd kan worden dat het uit haar boedel kwam. Het dook op uit de, inmiddels gesloopte, buitenplaats ‘Lommerlust’ in Beverwijk waar ze in 1782 met Aagje Deken ging wonen. Het schrijfstersduo zou uiteindelijk, kort na elkaar, in armoede overlijden in Den Haag, nadat hun fortuin, verdiend met onder meer de brievenboeken De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782) en Historie van den heer Willem Leevend (1784), door het failliet van hun zaakwaarnemer verloren was geraakt.

Maar in de Beemster leefde Betje 18 jaar lang als domineesvrouw in eenvoudige welstand, hoewel niet echt gelukkig. Haar huwelijk met de veel oudere Adrianus Wolff – ze scheelden 31 jaar – was een vlucht uit haar geboortestad Vlissingen, waar ze zich onmogelijk had gemaakt door een ‘affaire’ met een vaandrig. Het was een ‘philosofisch huwelyk’ waar ze niet zonder humor over schreef: ‘die goeye man & ik zijn malkander niet familiarer dan goeye vrienden; want, juist om hem zeer lang voor mij te conserveren, hou ik myn aparte kamer’.

Die kamer is de zogenaamde opkamer, halverwege de trap, waar behalve (haar?) bedstee een bakermat te vinden is en een prachtig betegelde schouw. Ook de keuken heeft nog wat originele kenmerken uit Betjes tijd, de wandtegeltjes, de koperen kranen en de schouw. Vergeet de kinderstoel en wat ‘luxere’ spulletjes als koffiemolen en poffertjesijzer. Het pad in de symmetrisch aangelegde tuin met appelbomen heeft haar voetstappen gedragen en in het koetshuis stond, net als nu, een rijtuig dat ze van haar zelf verdiende geld aanschafte.

Het museum wordt beheerd door het Historisch Genootschap Beemster, dat vorig jaar met subsidie onder meer het dak vernieuwde. ‘Zeker drieduizend bezoekers hebben we jaarlijks’, vertelt Alie Vis, bestuurvoorzitster en al twintig jaar vrijwilligster, ‘en alle leerlingen van de basisscholen in de Beemster en het voortgezet onderwijs in Purmerend komen hier zeker een keer.’ Jaarlijks zijn er wisselende tentoonstellingen, dit jaar is dat ’t Is goed, het wasgoed.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden