Ondanks alle meningsverschillen is de islam in Indonesië een bindende kracht *Verzet tegen goddeloze Hollanders was een heilige strijd

Van de 190 miljoen Indonesiërs draagt ruim 85 procent het stempel 'moslim' op zijn identiteitsbewijs. Indonesië heeft de grootste moslim-bevolking ter wereld, maar toch is het geen islamitische staat....

Van onze verslaggeefster

Marianne Boissevain

JAKARTA

De duivelse Hollanders, zo sluw als wat,

lieten hun gezant door een roeibootje halen.

Wij dwongen hem in te stappen vanaf de Garasi-steiger,

opdat zijn vuil niet overal rond zou spatten.

De zeventiende-eeuwse hofdichter die de oorlog tussen het koninkrijk Goa en de Verenigde Oostindische Compagnie bezong, had voor de Nederlanders geen goed woord over. Ze waren niet alleen vuil, maar ook 'hebzuchtig' en 'onwaarachtig'. Maar wat de plaatselijke bevolking minstens zo ergerde als de inhaligheid van de Nederlandse kooplieden, was volgens de Indonesische historicus Taufik Abdullah dat de Hollanders christenen waren. Ongelovigen waren het, kafir.

'De Arabische kooplieden die ons de islam brachten, hadden onze kusten veel eerder bereikt dan de Nederlanders. In Oost-Java hebben we een islamitische grafsteen uit de elfde eeuw gevonden. Dus toen rond 1600 de Nederlanders kwamen, waren de meeste handelscentra al geïslamiseerd', zegt hij. De Nederlanders kwamen al snel tot de ontdekking dat het geen zin had zending te bedrijven in gebieden die al islamitisch waren.

Omdat de Nederlanders goddelozen waren, was elke strijd tegen hen automatisch een heilige oorlog - de onafhankelijkheidsstrijd van vijftig jaar geleden even goed als de vele oorlogen van islamitische sultanaten tegen de Verenigde Oostindische Compagnie. Toch tekende zich al snel een scheiding der geesten af tussen de islamitische adel, wier wereldlijke macht afhing van de gunst der Nederlanders, en de schriftgeleerden, wier islam-scholen (pesantren) dikwijls haarden van anti-Nederlands verzet waren.

'Natuurlijk probeerden de Nederlanders de islam onder de duim te krijgen. Ze legden de Mekka-gangers allerlei beperkingen op, geen enkele hadji werd ooit tot regent benoemd. Vanaf 1925 moest iedereen die lesgaf aan een islamitische school een vergunning aanvragen, maar hoe intelligent hun leerlingen ook waren, wie eenmaal op een islam-school zat werd nooit meer toegelaten tot een openbare school. En nog in de jaren dertig was er in heel Batavia geen moskee te vinden - die mochten alleen worden gebouwd aan de rand van de stad', zegt Taufik Abdullah.

'Eind negentiende eeuw ontwikkelde de Nederlandse islam-deskundige Snouck Hurgronje een tweeledige islam-politiek. Ten eerste moesten de moslims niet worden gehinderd in de uitoefening van hun godsdienst - inclusief de bedevaart. Heel verstandig, want als je een moslim stoort bij zijn godsdienstige plichten krijg je echt moeilijkheden.

'Maar ten tweede zijn er de sociale gebruiken van de islam, zoals het betalen van de verplichte aalmoezen (zakat) en de samenkomsten na het vrijdagsgebed - die moest je volgens Snouck goed in de gaten houden. Want als die uitdraaiden op politieke activiteiten - en voor een moslim is het heel moeilijk om godsdienst en politiek van elkaar te scheiden - dan moest je die de kop indrukken.

'Rond de eeuwwisseling werd de islam niet alleen beschouwd als een godsdienst, maar ook als een natie. Toen Jakarta in 1910 zijn eerste bioscoop kreeg, werd die ingedeeld in Eerste Klasse, Tweede Klasse en Moslim-Klasse - 'moslim' was dus een synoniem voor inheems. Twee jaar later werd de eerste islamitische organisatie opgericht: de Sarekat Islam - en die was dus niet alleen bedoeld als een organisatie van moslims, maar ook als een organisatie van de inheemse bevolking.'

Hoewel de Sarekat Islam was opgericht door een kleine groep Javaanse kooplieden die hun krachten wilden bundelen tegen de concurrentie van de Chinese handelaren, vond de organisatie al snel weerklank bij Indonesiërs van alle rangen en standen. Miljoenen stads- en plattelandbewoners sloten zich aan uit protest tegen hun kommervolle omstandigheden, waardoor de invloed van marxisten in de beweging toenam. Uiteindelijk zou de Sarekat Islam wegkwijnen aan een interne strijd tussen de aanhangers van Mekka en van Moskou.

Naarmate de Sarekat Islam socialistischer was geworden, was haar rol als islamitische organisatie geleidelijk overgenomen door de eveneens in 1912 opgerichte Muhammadiyah. Deze maakte zich sterk voor een moderne islam door scholen op te richten waar niet alleen islamitisch maar ook modern, westers onderwijs werd gegeven en door de vrijdagse preken in de volkstaal te laten houden.

De schriftgeleerden voelden zich bedreigd door het succes van de modernistische Muhammadiyah en richtten in 1926 de Nahdatul Ulama (het Ontwaken der Schriftgeleerden) op. Deze orthodoxe organisatie wedijverde met de Muhammadiyah in zendingsdrang, waarmee ze zich op den duur vooral op het platteland veel aanhang verwierf. Maar allebei inspireerden ze de brede massa tot verzet tegen de koloniale onderdrukking.

Hoe belangrijk de islamitische invloed op het nationalisme ook is geweest, toch is Indonesië na de Japanse nederlaag in 1945 geen islamitische staat geworden. De grondleggers van de Indonesische Republiek, Sukarno en zelfs de zeer gelovige islamiet Hatta, wilden daar niets van weten. Voor hen stond de eenheid van de Indonesische natie voorop, en in een islamitische staat zouden de hindoes op Bali zich evenmin thuisvoelen als de christenen in de Molukken.

De onder de Japanse bezetting geformeerde islamitische partij Masyumi bleef zich hardnekkig verzetten tegen de scheiding tussen kerk en staat - totdat Sukarno in 1959 de Masyumi verbood (en het parlement naar huis stuurde). Aan de gewapende strijd die de fundamentalisten van de Darul Islam in 1949 waren begonnen in West-Java, Zuid-Sulawesi en Atjeh kwam pas in 1962 een eind.

'En daarmee was de ruzie over wel of niet islamitische staat voorgoed voorbij', zegt Taufik Abdullah, die geen enkele aanwijzing ziet dat er serieuze pogingen worden ondernomen om de discussie te heropenen.

Maar dat wil nog niet zeggen dat de moslim-meerderheid geen invloed heeft op de staat. 'Alleen doen de islamitische leiders tegenwoordig liever zaken via niet-politieke politieke kanalen. Om een voorbeeld te noemen: een jaar of twee geleden protesteerden er overal in het land moslim-jongeren tegen de staatsloterij, want gokken is in strijd met de islam. De ulama wilden de regering niet in verlegenheid brengen, dus in het openbaar hielden ze hun mond. Maar ze stapten wel naar de ministers en zeiden: ''Kunnen jullie ons misschien helpen, we kunnen onze jongeren niet meer in de hand houden. De economische ontwikkeling lijdt schade door al die demonstraties - is het niet beter om de staatsloterij dan maar af te schaffen?'' En dat is toen gebeurd.'

Zowel de Nahdatul Ulama als de Muhammadiyah gaat op deze manier te werk. 'De Muhammadiyah is de enige organisatie die twee Indonesische presidenten heeft voortgebracht: Sukarno was er lid van en Suharto heeft op een van hun scholen gezeten. Hun oude voorzitter ging dan ook gewoon bij Suharto op bezoek om in het Javaans allerlei kwesties met hem te bespreken.'

Zo'n tête-à-tête met de president of een minister levert de moslim-leiders meer op dan 'de parlementaire weg' via de islamitische Partij voor Verenigde Ontwikkeling (PPP), die in de praktijk nauwelijks invloed kan aanwenden. De Nahdatul Ulama, die bij de oprichting in 1973 was toegetreden tegen deze in het kader van Suharto's Nieuwe Orde geformeerde islamitische partij, heeft zich daar in 1984 weer uit losgemaakt en benut nu eveneens 'de niet-politieke politieke kanalen'.

Ook enkele kritische moslim-intellectuelen hebben in 1990 eieren voor hun geld gekozen en toenadering gezocht tot een goede vriend van president Suharto: minister van Technologie Jusuf Habibie. De bewindsman is een gelovig moslim. Elke vrijdagmiddag wordt de glanzende vloer in de grote hal van zijn ministerie met tapijten bedekt en staat het bordes vol met de schoenen van de honderden ambtenaren die zijn samengestroomd voor de belangrijkste gebedsdienst van de week.

'Eigenlijk stonden de radicale moslim-intellectuelen heel kritisch tegenover het huidige bewind', zegt Taufik Abdullah. 'Ze zeiden: wie zijn in Indonesië de rijke mensen, die in het buitenland hebben gestudeerd? Dat zijn meestal geen moslims. Wie zijn de armen? Dat zijn de moslims. Daar wilden ze verandering in brengen. Ze vroegen Habibie hun leider te worden omdat ze hem zagen als een symbool van de moderne wereld, van de technologie, en tevens als een godsdienstig man - die bovendien het vertrouwen van de president genoot.

'Habibie zei: ''Zeer vereerd, maar ik zal toch eerst de president om toestemming moeten vragen.'' ''Nou goed,'' zei de president, ''het is beter als alle moslim-intellectuelen in één organisatie zitten, dan kunnen we de radicalen een beetje in het oog houden.'' Zo heeft Habibie zijn Associatie van Islamitische Intellectuelen gekregen', besluit Taufik Abdullah. 'En nu kun je je afvragen, haha, wie gebruikt er eigenlijk wie?'

De vorige afleveringen in deze serie zijn verschenen op 1 en 3 augustus.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden