Onbarmhartig voor zwans gehouden Floris en Oscar Jespers, getuigen van de dolle jaren twintig

Tussen 1917 en 1925 was Antwerpen 'een roversnest' van avantgardisten. Experimenterende kunstenaars verenigden zich in de Bond Zonder Gezegeld Papier, opgericht door de dichter Paul van Ostaijen....

BEELDHOUWERS EN schilders, zei de dichter Paul van Ostaijen, moeten zich in Antwerpen ontworstelen aan de in folklore zwelgende 'stad aan de stroom'. Het is hun permanente strijd tegen 'de Charlottalei (een reuzegemoedelike straat te Antwerpen)'. Want 'in Parijs kopen de snobs Picasso, in Duitsland Kandinsky, bij ons. . . Claus'. Ze moeten vechten tegen de burgerlijke smaak, tegen die landschapjes uit Sint-Martens-Lathem van de louter zintuiglijke impressionist Emile Claus.

'Zoo zien wij hoe stroomingen die reeds enkele jaren in den vreemde minstens gedeeltelijk burgerrecht verkregen hebben', schreef Van Ostaijen, 'hier nog onbarmhartig voor zwans gehouden worden'. In zijn Kanttekeningen bij diverse onderwerpen had hij verklaard 'dat zijn beste vrienden beeldende kunstenaars zijn', de gebroeders Floris en Oscar Jespers en Paul Joostens.

Floris en Oscar Jespers, De moderne jaren, in het Antwerpse Hessenhuis, toont met beelden en schilderijen van de gebroeders Jespers, atelierfoto's en 'tekstfragmenten' uit het kritische werk van Van Ostaijen, de grote invloed die de dichter in de dolle jaren twintig op kunstenaars als de gebroeders Jespers had. De schilder Floris (1889-1966) en de beeldhouwer Oscar (1887-1968), zonen van de beeldhouwer Emile Lodewijk Martin Jespers, debuteerden in 1917 met een dubbeltentoonstelling in de 'Cercle artistique' in Antwerpen. Ze werden door de jonge Van Ostaijen op handen gedragen. Maar niet door Antwerpen.

'Men gelove dus niet al te lichtvaardig de Antwerpsche publieke meening, wanneer zij zich in kunstzaken inlaat', verzuchtte Van Ostaijen in Vlaamsch Leven. 'Modern en hedendaagsch zijn inderdaad door haar niet juist te bepalen qualificatieven. Wanneer men dus een Antwerpenaar hoort zeggen: ''de Jespersen zijn van die soort ultra-modernen', zoo weze men niet al te lichtgelovig.'''

Floris en Oscar Jespers hadden zich in zijn ogen bevrijd van de Vlaamse naturalisten, maar waren jammergenoeg epigonen van de grote Rik Wouters. Zowel de schilderijen van Floris als de beelden van Oscar zijn aan het Brabantse fauvisme en Wouters schatplichtig, diezelfde roze, gele en blauwe verftoetsen, diezelfde plooien in het brons of marmer.

Met op de achtergrond de commentaren van Van Ostaijen toont het Hessenhuis het Antwerpse modernistische avontuur van de gay twenties, misschien wel een van de belangrijkste periodes van de Belgische 'historische avantgarde'. Omdat er veel zowel schilderijen van Floris als beelden van Oscar uit die tijd zijn vernietigd of verloren, hangen er op de tentoonstelling opvallend veel ateliergezichten. Het is een reconstructie van het verloren gegane oeuvre.

Het werk van Floris is veelzijdig, van het traditionele peinture de chevalet op doek of paneel tot achterglasschildering, de zogenaamde églomisé. Zijn thema's veranderden voortdurend. Op de expositie hangen portretten, geschilderd in een duidelijk herkenbare Wouters-stijl, met hoekige en fleurige verfflodders. Soms roept zijn werk vage gelijkenissen op met de Duitse neue Sachlichkeit. Uit zijn bekende 'illusionist' spreekt zelfspot. Floris Jespers heeft tientallen clowns, pierrots en harlekijns geschilderd, satirische taferelen zoals ook Otto Dix of Georg Grosz maakten en herinneren aan het door de dichter Van Ostaijen beoefend genre van de 'groteske'.

De vroegste beelden van Oscar zijn nog impressionistisch en verwant aan het werk van Wouters. Oscar Jespers maakte ook zogenaamde Kongolese beelden, gezichten met langwerpige en amandelvormige oogleden. Hij was met die Afrikaanse gelaatstrekken vertrouwd door zijn veelvuldige bezoeken aan het Koloniaal Museum in Tervuren nabij Brussel. Hij kreeg opdracht van het ministerie van Koloniën een groot beeld Negervrouw met kruik te maken dat nog steeds in het Tervurense museum wordt bewaard.

Ze hebben, zei Van Ostaijen, 'de les van Ensor begrepen, maar ook die van een Cézanne'. De schitterende Archipenko-achtige beelden van Oscar of de van overtollig decorum ontlaste doeken van Floris tonen hoe beide kunstenaars, net zoals Ensor of Cézanne, 'aan vorm en kleur een constructieve waarde toekennen'. Van Ostaijen zag daarin de toepassing van de theorie van het Kunstwollen van Wilhelm Worringer: met de Jespersen begint 'het tijdvak van de synthetiese monumentaliteit'.

Van Ostaijen maakte nog voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kennis met de gebroeders Jespers - de 'Jespersen'. Met Oscar en Floris, zijn boezemvriend Joostens en zijn klasgenoot Jos Leonard, maakte hij deel uit van de 'Bond Zonder Gezegeld Papier'. De groep heeft in de letteren en de kunstgeschiedenis een haast legendarische status verworven. Maar toen Van Ostaijen naar Berlijn vluchtte, werd het een dor en oubollig clubje.

Van Ostaijen maakte door zijn belezenheid een grote indruk op de Jespersen. In lange ateliergesprekken voerden ze opgewonden discussies over kubisme, futurisme en expressionisme - de drie rond 1917 furore makende ismen. Hij volgde hun tentoonstellingen op de voet. Soms velde hij in scherpe bewoordingen een hard oordeel, maar tegelijkertijd noemde hij een of andere tentoonstelling 'een dag die ik nooit vergeet'.

De expositie in het Hessenhuis toont werken die Van Ostaijen hebben geïnspireerd bij het schrijven van zijn beschouwingen over moderne kunst. De gebroeders Jespers namen in zijn kunstkritieken een belangrijke plaats in. In zijn essay Ekspressionisme in Vlaanderen, dat hij in 1918 publiceerde, plaatste hij het werk van de Jespersen en Joostens in een internationale context. Van Ostaijen vergeleek hun kunst met 'de ongecontroleerde ornamentiek van een Perzisch tapijt'. De moderne kunst van toen, die door latere critici werd verengd tot 'het Vlaamsch expressionisme', was in de jaren twintig veel geschakeerder en buitenissiger.

Samensteller Jean F. Buyck wilde, ter gelegenheid van het Van Ostaijen-jaar, eigenlijk een boek schrijven en een tentoonstelling maken over Paul van Ostaijen en de beeldende kunsten. 'Omstandigheden hebben het niet mogelijk gemaakt', zegt Buyck. Er zijn juridische problemen rond de nalatenschap van Joostens. 'Het presenteren van een tentoonstelling rond Van Ostaijen als criticus, theoretius en promotor van de plastische kunsten kon door eliminatie van Joostens' schilderijen, collages, objecten en tekeningen nooit tot een volwaardige manifestatie uitgroeien.' Daarom verkoos Buyck een expositie over de gebroeders Floris en Oscar Jespers.

Dat is jammer. Juist de relatie Joostens en Van Ostaijen, 'broeders in het avantgardisme', zou een mooi spektakel hebben opgeleverd. Vorig jaar echter werd een complete Joostens-tentoonstelling, op initiatief van de vereffenaar van een fonds waarvan de kunstenaar in een testament de oprichting had geëist, door het gerecht in beslag genomen. Wat 'een terugkeer van een kunstenaar naar zijn stad' had moeten worden, aan de vooravond van het Van Ostaijen-jaar, werd een tweede begrafenis - schreef galeriehouder Ronny van de Velde, 'een tweede marche funèbre'. Het werk en de nalatenschap van Joostens blijven nog steeds verborgen. Het is verdonkeremaand en onontgonnen.

Tussen pakweg 1917 en 1925 was Antwerpen 'een roversnest' van avantgardisten. De Bond Zonder Gezegeld Papier, in 1917 door Van Ostaijen opgericht, groepeerde experimenterende kunstenaars. In recensies over het werk van de gebroeders Jespers, of over Joostens, moedigde Van Ostaijen de kunstenaars voortdurend aan 'de strijd tussen de oude en de jonge generatie voort te zetten'.

Van Ostaijen was in hun ogen een 'prekende Christus' die opkwam tegen de bourgeoisie en de burgerlijke smaak. 'De bourgeois speelt tans in de kunst nog de hoofdrol', schreef Van Ostaijen. 'Deze moet hem ongetwijfeld onttrokken en de kunstenaar weer toevertrouwd worden.'

AANVANKELIJK bleef Van Ostaijen het werk van de gebroeders bejubelen. 'Bij mij handelt het zich direkt om een fyziese haat tegen de supreme alliance: hogere Klerus, Bankbourgeois, franskilj(on). Diezelfde haat die aan Floris zijn De beloonden inspireerde.' Maar al snel blijkt zijn Bond Zonder Gezegeld Papier te verwateren. Er kwamen nieuwe propagandisten van de oubollige stijlen, Paul-Gustave Van Hecke en André De Ridder, die opkwamen voor het door het Parijse 'neo-kubisme' gekleurde Vlaams expressionisme van een Constant Permeke of een Gust De Smet.

Dada in Berlijn was voor Van Ostaijen een catharsis. Hij vocht tegen de Van Heckes en de De Ridders. Maar ook tegen zijn vroegere kameraden. Van Ostaijen was 'theoretischer' geworden. In Crédo de peintre nam Joostens afstand. Kunst was in zijn ogen, anders dan in de geschriften van Van Ostaijen, een zaak van 'heet bloed in de aderen, een surplus aan leven, individuele rijkdom' en heeft niets met wetenschap te maken. 'In alle boekhandels kan men de theorieën der cubisten aantreffen', zei Joostens.

De 'Paus Paulus van Halensee', zoals Joostens hem noemde, dreef voortaan in bulla's de spot met de ketter 'Paul Joostens', die hij in de ban sloeg van de 'Heilige kubistiese Apostoliese Kerk', en maakte de prelaten van de kerk Floris en Oscar Jespers belachelijk. De kunstenaar, zo vond Van Ostaijen, 'moet afzien van het egocentrisme, het raffinement en de persoonlijke smaak'. In zijn inleiding tot de Zes lino's van Floris Jespers, in 1920 bij Sienjaal gepubliceerd, zegt Van Ostaijen: 'De kunst verlossen uit de ban van het louter zinnelike. . . . Niet de wisselvallige verschijning van mens of boom, maar wel de onwankelbare vorm, de absolute bouw, de constructie zelf zijn aanleiding tot het scheppen van de esthetiese gelijkwaarde.'

Vanuit Berlijn, waar hij sinds eind oktober 1918 verbleef, vrezend voor zijn 'aktivisme' tijdens de oorlog te worden vervolgd, keek Van Ostaijen met argusogen naar wat er in Antwerpen gebeurde. Hij werd steeds grimmiger over het reilen en zeilen van zijn Bond Zonder Gezegeld Papier. Zijn Sienjaal-groep was, sinds zijn vertrek naar Berlijn, uiteengevallen. Zijn 'clubje' was geen hechte falanx meer - zoals hij dat had gewild, het was een gezapig kunstenaarsgroepje geworden. Er was geen hart meer.

In een 'open brief' aan Jos Leonard meldde hij 'met de Jesperen te hebben gebroken'. Het klonk allemaal erg fatalistish. 'Scheiding van Jespers alle twee voltrokken', schreef Van Ostaijen. 'Voor mij: te weinig gespiritualiseerd instinkt. Nicht lebendig genug. Animalies-zijn. . .'

Wat de gebroeders maakten, was oubollig. Hun exposities waren 'verkoopstentoonstellingen'. Floris Jespers maakte in de ogen van Van Ostaijen 'om den brode' vlot geborstelde landschapjes en marines 'voor een publiek dat geen boodschap had aan de meer edele producten van een modernistisch schilder'. Hun kunst was op.

Floris en Osar Jespers. De moderne jaren. Tot en met 3 november in het Hessenhuis in Antwerpen.

Catalogus: Bfr. 1100,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden