Onaangepastheid als deugd

Op twee exposities, de een over ateliers, de ander met portretten, is te zien hoe kunstenaars het imago cultiveerden van de onaangepaste eenling die zijn gevoelens op het doek smijt....

Het was een mooi verhaal dat Joep van Lieshout hield bij de opening van de tentoonstelling Mythen van het atelier een kleine twee weken geleden in het Teylers Museum in Haarlem. Hoe hij als student aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam voor zijn levensonderhoud moest bijklussen in Van der Valk-restaurants en een apk-garage. Hoe hij, omdat een opdrachtgever in Lille, voor wie hij een groot project wilde realiseren, alleen maar werkte met echte bedrijven, stante pede zijn eigen BV oprichtte.

En dat hij nu directeur en enige aandeelhouder is van Atelier Van Lieshout met twintig man in dienst, waarvan vijftien op de loonlijst, ondergebracht in een tweeduizend vierkante meter grote loods in de Rotterdamse haven. Terwijl Van Lieshout ook nog bekende naar ‘iets groters’ uit te kijken, het liefst van tienduizend vierkante meter, waarin hij zijn AVL Mundo wil onderbrengen, een ‘eigen universum’.

Het was een mooi en overtuigend verhaal dat de Rotterdamse kunstenaar, voor de gelegenheid gekleed in een driedelig kostuum met Schotse ruit, die ochtend in Haarlem aan een paar honderd luisteraars vertelde. Maar viel het ook te rijmen met het beeld dat de tentoonstelling in het Teylers Museum, enkele zalen verderop, hetzelfde publiek wilde voorhouden?

Mythen van het atelier laat een keur van schilderijen zien die een beeld geven van de atelierpraktijk in de 19de eeuw. Een interessant uitgangpunt. Te meer omdat het iets verduidelijkt over hoe kunstenaars te werk gingen én hoe ze zich wilden presenteren. Uitgangspunt is de fraaie opmerking van de 19de-eeuwse journalist en kunstcriticus Pieter Anne Haaxman Jr.: ‘Een bezoek aan het atelier van eene schilder kan hem in een uur tijds beter doen kennen dan het zien van zijne schilderijen op een gansche reeks van tentoonstellingen’. Kortom, de studio als spiegel van wat een kunstenaar maakt en wie hij is.

In Haarlem is goed te volgen wat daarmee wordt bedoeld. Hoe het atelier niet alleen als een ambachtelijke werkplaats wordt afgebeeld, met tubes verf, schildersezels, een palet of schilderdoos, maar dat het ook een ruimte is waarin de kunstenaar in zijn eentje ‘schept’. Een artistiek ingerichte kamer met tekeningen en hertengeweien aan de muur, een rijtje boeken, gedrapeerde kleden, verfklodders op de vloer, een naaktmodel, exotisch meubilair, Keulse potten, tinnen bekers en de eeuwige potkachel. Een vrolijke chaos die in geen enkel normaal interieur te zien was. En waarin de kunstenaar poseert wisselend als geleerde, arbeider, genie, goedlachse burgerman, dandy of bohémien in een Turkse broek.

In die laatste omschrijving – de kunstenaar als ongebonden, zorgeloze exoot – sluit de Haarlemse tentoonstelling naadloos aan op een expositie die vorige week in Museum Ludwig in Keulen werd geopend: La bohème. Die Inszenierung des Künstlers in Fotografien des 19. und 20. Jahrhunderts. De Keulse tentoonstelling gaat zelfs een stapje verder. Waar de Teylers-expositie een inhoudelijk beeld wil geven van de praktijken in het kunstenaarsatelier – hoe wrijf je verf, orden je een palet, benader je opdrachtgevers –, wordt in Museum Ludwig het beeld van de kunstenaar geschetst als iemand die buiten de maatschappij staat: onafhankelijk en onaangepast, extravagant en excentriek; een non-conformist met een latente neiging tot Selbstzerstörung. Romantischer kan bijna niet.

Het is smeuïg onderwerp, met wijd verbreide wortels in de 19de-eeuwse cultuur. Met zijn grootschalige ongenoegen, in kunstenaarskringen, tegen alles wat riekte naar reden en optimisme, de vergaande industrialisatie en mechanisering van de maatschappij. Maar ook specifieker: een ongenoegen tegen de strikte leermethoden en strenge richtlijnen van het onderwijs op academies.

In de catalogus van Mythen van het Atelier staat goed beschreven wat de achtergrond daarvan was, namelijk: de historische strijd tussen de zogeheten ‘poussinisten’ en de ‘rubenisten’. De eerste groep, aanhangers van de Franse classicistische schilder Nicolas Poussin, beriepen zich op het belang van ratio en de heldere lijn. De anderen verkondigden uit naam van de Vlaamse schilderreus Peter Paul Rubens een voorkeur voor passie en gevoel, voor het echte ‘verven’, dat eerder een product was van een onnavolgbare inspiratie dan van rationele overwegingen.

De overwinning van de Rubénistes, al in de 18de eeuw, werkte spoorslags door in de eeuw daarna. Het zorgde ervoor dat schilders als Rembrandt en Velasquez, met hun pasteuze, vrije schildermanier, werden herontdekt. Wat weer de weg vrijmaakte voor de impressionisten, de schilders van de Haagse School en andere kunstenaars die de werkelijkheid niet vanuit de logica bestudeerde, maar vanuit het gevoel, een meer subjectieve waarneming.

Het heeft ertoe geleid dat het beeld is ontstaan dat kunstenaars temperamentvol zijn. Een soort natuurmensen. Onvoorspelbaar als het weer, ontembaar als een dier. Een kolkende vulkaan van inspiratie en bevliegingen – karaktertrekken die passen in het gedachtengoed van Darwin en Freud. Ook wat de onderwerpskeuze betreft. Nooit eerder werd er op zo’n grote schaal aandacht besteed aan de duistere kant van de mens. In de 19de-eeuwse kunst waren armoede, ziekte, zelfmoord en andere ellende geliefde thema’s.

Dat de mythevorming met name onder schilders zo’n vlucht nam en niet bij schrijvers, componisten en poëten, komt ook door de kunst zelf. Beeldvorming – het woord zegt het al – is een onvervreemdbaar onderdeel van de beeldende kunst. Alles draait om verbeelding. Schilders zijn gewend om aan iets een uiterlijk te geven, een vorm, een gedaante die niet zozeer met de werkelijkheid overeen hoeft te komen.

Komt bij dat schilderen op zichzelf al iets geheimzinnigs heeft. Hoe een kunstenaar met ruwe pigmenten, oliën en kwasten toch een herkenbare wereld op het doek kan oproepen, van vergezichten, portretten, stillevens en klassieke verhalen. De ongrijpbaarheid van dit procedé werkt het mythische van het beroep in de hand. Een schilder moet wel over een uitzonderlijk talent beschikken, wil hij dat voor elkaar krijgen. En dat zoiets plaats vindt in het atelier, maakt van die ruimte een tovernaarshol. Onvergelijkbaar met de rust en ernst van de prozaïsche omgeving waarin schrijvers en componisten te werk gaan.

Het verschil tussen de beroepsgroepen is in Keulen duidelijk te zien. Afgaande op de portretfoto’s die er te zien zijn, is de hang naar uiterlijk vertoon onder beeldend kunstenaars beduidend groter dan onder de kunstenaars van de geest die muzieknoten en woorden produceerden. Oscar Wilde toonde zich graag in kleding van luxe snit, Charles Baudelaire droeg een brede strik en George Sand had een pruik, maar het is niets in vergelijking met de verkleedpartijen, erotische ensceneringen en vrijpostige ‘kostuumfeesten’ op het schildersatelier.

Naakte dansopvoeringen in de studio van Ernst Ludwig Kirchner, Paul Gauguin die zonder broek poseerde achter het klavier, kunstenaars verkleed als ‘Romein’, ‘Afghaan’, ‘Egyptenaar’ of Don Quichot – het was blijkbaar de gewoonste zaak. Het suggereert dat de kunstenaar ook in het gewone leven een gekke, uitzonderlijke mensensoort moest zijn, voor wie onaangepastheid een deugd was.

Hoewel de meeste kunstenaars uit een burgerlijk milieu kwamen, maten ze zich een anti-burgerlijk uiterlijk aan. Zelfs op de foto’s van August Sander, die toch bekend staat als de zakelijke chroniqueur van de Duitse burgerij, vormden kunstenaars een uitzonderlijke categorie. In Sanders levenswerk Menschen des 20. Jahrhunderts werden ze zonder uitzondering geportretteerd als dwazen in vreemde, acrobatische standjes, met een raar brilletje of alpinopet, of als wereldvreemde eenlingen.

Het romantische beeld is uitgegroeid tot een onuitroeibaar imago, dat een eigen leven is gaan leiden. Een stereotype dat te pas en te onpas opborrelt zo gauw het woord ‘kunstenaar’ valt. Denk aan de ‘ik rotzooi maar wat an’-uitspraak van Karel Appel of het verfomfaaide uiterlijk van schilder Terpen Tijn in de Olivier B. Bommel-strips, met zijn pijp, alpinopet, borstelige bakkenbaarden en rafelige broek.

De vraag is alleen in hoeverre de hardnekkigheid van dit beeld het zicht ontneemt op wie of wat kunstenaars werkelijk zijn. Feit is in ieder geval wel dat veel kunstenaars niet arm, onredelijk en onzakelijk waren, of anderszins onaangepast gedrag vertoonden. Zo was Degas puissant rijk, leefde Cézanne van een erfenis, toonde Picasso zich zijn levenlang een goed handelaar, en was Jozef Israëls een ‘gewiekste verkoper van zijn eigen werk’, zoals in de catalogus van Mythen van het atelier te lezen valt.

Hetzelfde geldt voor hedendaagse kunstenaars als Joep van Lieshout en Damien Hirst, om maar eens twee artistieke veelverdieners te noemen. Van Lieshout mag een atelier hebben met twintig werknemers, Hirst had (voor de crisis) honderdzestig assistenten in dienst, verdeeld over zes werkplaatsen. Waar Van Lieshout nog van een eigen universum droomt, is Hirst dat al aan het realiseren: vijf jaar geleden kocht hij voor ruim drie miljoen euro het 19de eeuwse, driehonderd kamers tellende landgoed Toddington Manor. Daar moet (als de crisis over is) over drie jaar een museum verrijzen voor zijn MurderMe-collectie van ruim duizend kunstwerken en curiosa.

De zakelijkheid van hun ondernemingen past helemaal in de huidige verzakelijking van het beroep ‘kunstenaar’. De efficiënte en rationele manier waarop beiden hun bv’s leiden, lijkt een afrekening te zijn met het 19de-eeuwse imago van de kunstenaar als een onaangepaste eenling die zijn gevoelens op het doek smijt.

Maar schijn bedriegt. Beiden houden er nog steeds een romantisch repertoire op na, met de bekende thematiek van dood, ziekte en vergankelijkheid. Hirst etaleert het met zijn door midden gezaagde koeien, een haai op sterk water en een schedel bezet met diamanten. Van Lieshout bouwt aan een utopische wereld waarin De Mens niets meer dan een te recyclen onderdeeltje is.

Zo 20ste-eeuws als ze hun beroep uitoefenen, zo 19de-eeuwse is de thematiek van hun werk. Zowel Van Lieshout als Hirst weten maar al te goed wat de waarde van het woord ‘romantiek’ is: een mythe die hen tot echte kunstenaars maakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden