Omzien in ontgoocheling

DE KLEINE drie jaar dat de Wassenaarse fiscalist Marnix van Rij voorzitter van het CDA was, eindigde voor hemzelf rampzalig....

Van Rij zuivert in zekere zin zijn reputatie met de publicatie van zijn herinneringen en dagboekaantekeningen, maar tot een evenwichtige geschiedschrijving van de episode is het niet gekomen. Van Rij legt geen volledige bekentenis af. Hij vertelt bijvoorbeeld niet wie zijn eigen vertrouwelingen en adviseurs waren, terwijl zijn discretie aangaande het vijandelijke kamp nogal beperkt is. Een cruciale brief aan De Hoop Scheffer, waarin Van Rij de lijsttrekker de oren wast, wordt niet gepubliceerd. Van Rij checkt belangrijke geruchten niet bij de betrokkene, bijvoorbeeld het gerucht dat Jan Peter Balkenende zich hevig zou hebben verzet tegen de derde plaats voor Van Rij op de CDA-kandidatenlijst voor de Tweede Kamer. 'Ik heb mijn vermoedens', is een standaardzin in zijn relaas. Met De Hoop Scheffer heeft hij nooit meer gesproken.

Het eigenlijke verhaal van Van Rij begint met zijn lancering als voorzitter eind 1998. Hij wilde wel de landelijke politiek in, zij het niet in een volledige baan. Een onafhankelijk voorzitter moest ook financieel op eigen benen staan. Van Rij, partner bij Ernst & Young, vader van vier kinderen, bleek voor De Hoop Scheffer verre te prefereren boven Pieter van Geel, de populaire leider van het Brabantse CDA, die door velen gezien werd als de gedroomde lijstaanvoerder van het CDA. De Hoop Scheffer drukte de kandidatuur van het landelijk onbeschreven blad Van Rij tegen de zin van het CDA-bestuur door.

Van Rij zelf is de eerste om toe te geven dat deze gang van zaken onwenselijk is. Voorzitters en lijsttrekkers moeten in zijn visie gekozen worden door de leden, op grond van een meervoudige voordracht. Meer in het algemeen moet het CDA geen bestuurderspartij, maar een actiepartij willen zijn. Zowel bij zijn achterban als bij de pers kreeg Van Rij met zijn verfrissende opvattingen veel krediet.

In zijn kantoor in het karakteristieke gebouw van Ernst & Young aan het Haagse Benoordenhout analyseerde hij als een consultant de sterke en zwakke kanten van zijn partij. Tot de sterke kanten behoorden vooral het wijdvertakte netwerk van het CDA in de regio's en de beschikbaarheid van oudere én (kritische) jongere kaders. Van Rij's voorganger Hans Helgers (over wie de auteur wat geringschattend doet, zonder op Helgers' erfenis in te gaan) had de bezem gehaald door het partijapparaat en de Tweede-Kamerfractie ten gunste van jong talent.

Op het terrein van de inhoudelijke vernieuwing deed het wetenschappelijk instituut van de partij interessant werk. Van Rij verstevigde dat werk door commissies waarin fractiespecialisten, experts van buiten (als hoogleraar economie Lans Bovenberg of oud-Vendextopman Jan Michiel Hessels) en oude getrouwen (als Herman Wijffels, Ruud Lubbers en Ernst Hirsch Ballin) bij elkaar werden gebracht. Een groot succes was de manier waarop het verkiezingsprogramma werd voorbereid, namelijk door een 'competitie van ideeën' op het internet, waaraan tienduizenden een bijdrage leverden.

Van Rij zag als structurele zwakte van het CDA het afkalvende kernelectoraat van vergrijzende, gezagsgetrouwe, buiten de Randstad woonachtige christenen, goed voor hoogstens 24 Kamerzetels. Hij wilde expansie door nieuwe groepen kiezers aan te boren. Het gebrek aan financiële soliditeit van het verkiezingsprogramma van 1998 (vooral in de ogen van het Centraal Planbureau) liet hij meteen repareren. De VVD-stemmer moest verder behaagd worden door middel van een aan de basis van de partij uitgewerkt veiligheidsplan.

Maar Van Rij zocht uitbreiding van het electoraat vooral op links. Staatsrechtelijke vernieuwing (inclusief de gekozen burgemeester), versoepeling van het euthanasiestandpunt, accepteren van het homohuwelijk en nadruk op duurzaamheid moesten openingen bieden naar progressieve machtsvorming. GroenLinks, dat in de Tweede Kamer door het CDA werd genegeerd, werd door Van Rij aan het hart gedrukt. Hij deed zelfs een - mislukte - poging de islam en het hindoeïsme in het CDA een plaats te geven door met vertegenwoordigers van die godsdiensten een Centrum voor Politiek, Religie en Zingeving te stichten. Van Rij's uiteenzetting over deze vernieuwingsacties is uiterst leerzame lectuur voor iedereen die geïnteresseerd is in de problemen van hedendaagse politieke partijen.

De meest acute zwakte van het CDA was echter het gebrek aan uitstraling van politiek leider De Hoop Scheffer, zo realiseerde Van Rij zich steeds meer. Kaderleden, journalisten, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en parlementariërs vertelden het hem keer op keer: Jaap draagt de boodschap van het CDA niet goed uit. Opinieonderzoek van campagneleider Joep Mourits bevestigde die waarneming. Het probleem was dat het al die tijd niet doordrong tot de verkrampte De Hoop Scheffer, vooral omdat het in het CDA uit den boze was de leider in zijn gezicht de waarheid te zeggen.

Van Rij zat ermee in zijn maag, kreeg bij De Hoop Scheffer zelf onvoldoende gehoor en bemerkte bovendien dat men binnen en buiten het CDA in hemzelf een alternatieve leider zag. Acheraf was het het beste geweest, beseft hij nu, als de partij een democratische verkiezing van de lijsttrekker op grond van meervoudige voordracht had georganiseerd, maar Van Rij accepteerde De Hoop Scheffers kandidatuur veel te lang als een voldongen feit. Uit zijn boek blijkt bovendien dat Van Rij zich niet kon verplaatsen in de persoon van De Hoop Scheffer, de man die het ondankbare, zware oppositiewerk moest doen, voor wie geen alternatief in de fractie te bekennen leek, die in de hiërarchie boven de partijvoorzitter verheven was, maar de jonge Van Rij niettemin de ruimte gaf de luiken open te zetten.

Vanuit dit gezichtspunt valt De Hoop Scheffer niet zo heel veel te verwijten. Natuurlijk, de man was achterdochtig, liet zijn oor te veel hangen naar zijn vertrouweling Hans Hillen, liet twijfel aan zijn functioneren te weinig tot zich doordringen, maar toen in augustus 2001 de prominente Yvonne van Rooy (sprekend namens invloedrijke circuits) De Hoop Scheffer adviseerde het veld te ruimen ten gunste van Van Rij, bood hij tot twee keer toe Van Rij het lijsttrekkerschap aan.

Die weigerde, maar wilde bij nader inzien toch wel graag een politieke loopbaan, bijvoorbeeld als minister.

De tegenzet van Van Rij - 'versterking van het team van Jaap' door een vooraanstaande plaats op de kandidatenlijst - werd door De Hoop Scheffer in dit stadium als 'suïcidaal' ervaren: de media zouden hen als rivalen te kijk zetten. Hierop verklaarde Van Rij zijn partijvoorzitterschap te willen neerleggen.

Dit leidde bij De Hoop Scheffer tot razernij - een motie van wantrouwen! Van Rij zette door, werd daarop door De Hoop Scheffer in de media ten onrechte neergesabeld als 'vanaf het begin uit op mijn positie als CDA-leider', en liet vervolgens doorschemeren toch beschikbaar te zijn voor plaats drie of één op de kandidatenlijst. Uiteindelijk liet hij zich verrassen door De Hoop Scheffers aftreden en de onmiddellijk daarop volgende lancering van Jan Peter Balkenende, de tweede man van de CDA-fractie, tot nieuwe leider.

Van Rij erkent in zijn boek ruiterlijk taxatiefouten te hebben gemaakt. Maar het blijft ook voor hemzelf een raadsel waarom hij op het beslissende moment geen vaste grond onder de voeten had. Hij bleef een goedwillende politieke amateur, meer met zichzelf bezig dan met zijn tegenstrevers, met prima ideeën, maar zonder de koelbloedigheid en het vermogen de krachtsverhoudingen te doorzien, die echte crisismanagers kenmerken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden