Omwille van de traditie JOHN BANVILLE ZOEKT DRIJFVEREN BRITSE MEESTERSPION

TOEN DE BRITSE kunsthistoricus Anthony Blunt - Sir Anthony, toen nog - in de herfst van 1979 werd ontmaskerd als de laatste van de vier Cambridge-intellectuelen die in de jaren veertig voor de Russen hadden gespioneerd, drongen zich meer vragen op dan wie ook kon beantwoorden....

Waarom was zijn rol in het beschamende en ongemeen gevaarlijke spel van Guy Burgess, Donald Maclean en Kim Philby niet eerder aan het licht gekomen? Waarom had hij in de oorlogsjaren zo'n hoge positie verworven bij de Britse inlichtingendienst en had de contraspionagedienst hem nooit gesnapt? Waarom was hij in 1951, toen zijn naaste collega's Burgess en Maclean hem in het holst van de nacht smeerden, niet eveneens tegen de lamp gelopen? Waarom was hij ook in 1963, toen de derde man van het kwartet, Kim Philby, naar Moskou uitweek, vrijuit gegaan? Waarom was hij toen wel gehoord en was in 1964 bij de Britse inlichtingendienst zijn dubbelrol in grote trekken bekend geworden, maar was hij ongemoeid gelaten, zonder, al was het maar intern, ook maar de geringste ruchtbaarheid te geven aan zijn listige manoeuvres?

Zelfs toen in 1979 Thatchers kabinet, onder druk van een ophanden zijnde publicatie, besloot opening van zaken te geven werd 24 uur van tevoren nog even met sir Anthony gebeld om hem de gelegenheid te bieden zich uit de voeten te maken. Blunt was een respectabele oude heer, wie de mogelijke opdringerigheid van de pers bespaard moest worden.

Dat welbeschouwd idiote telefoontje én Blunts wijkplaats karakteriseren het hele verhaal: Blunt nam een vliegtuig naar Italië en wachtte daar af tot de bui was overgedreven, zich onderwijl onledig houdend met museumbezoek en galante conversaties.

Want Blunt was een gentleman. Hij was de zoon van een dominee en had in Cambridge filosofie en wiskunde gestudeerd. Behalve Rusland had hij ook zijn vaderland gediend; zijn analytische geest had een bijdrage geleverd aan het werk in Bletchley Park, het centrum van de Engelse spionage en contraspionage, waar in de oorlogsjaren de meest fantastische verzameling geniale excentriekelingen bijeen was gebracht om de codes van de Wehrmacht te breken. Hij was bovendien al decennialang een gevestigd kunsthistoricus, die schitterende en gezaghebbende boeken geschreven had over zulke heerlijke onderwerpen als de Siciliaanse Barok of de Franse achttiende-eeuwse schilder Nicolas Poussin en die verbonden was aan het meest prestigieuze kunsthistorische instituut van Engeland, The Courtauld Institute in Londen. En ten slotte was hij al twee vorsten lang beheerder van de koninklijke kunstcollecties op Windsor Castle.

Zoals Frankrijk Voltaire niet arresteerde, zo arresteerde Engeland Blunt niet. Wie hardop vraagt 'maar waarom eigenlijk niet?' heeft het niet begrepen. Figuren van die orde zijn in beschaafde landen onaanraakbaar. Vragen wat dat voor beschaving is, is not done. 'Er zou een studie geschreven kunnen worden', staat in het boek waar het hier over gaat, 'over het effect op de geschiedenis van Europa in deze eeuw van het onvermogen van Engelands vijanden deze perverse, stubborn, sly and absurd natie te begrijpen.'

En dus bleef de ware gang van zaken toegedekt, bleef het mysterie bestaan en had de romantische mythevorming vrij spel.

De Ierse schrijver John Banville heeft er een gewoonte van gemaakt zijn niet geringe schrijverstalent en psychologische inlevingsvermogen te gebruiken om, met inachtneming van het bronnenmateriaal, een onderwerp of een persoonlijkheid beter te leren begrijpen. Hij deed dat vroeger al eens met Copernicus, Kepler en Newton, en in The Untouchable doet hij het met Blunt. Zijn romans zijn karakterstudies, pogingen iets aan de weet te komen wat op een zindelijke historische manier niet meer te achterhalen is. Banville laat Blunt, die in zijn boek Victor Maskell heet, zelf zeggen hoe dat in zijn werk gaat: '. . .my philosophy tutor at Trinity used to urge us to conduct, imagining myself as best as I could into the subject's mind and then plotting a plausible course of action for myself in the same circumstances'.

Dat is precies wat Banville gedaan heeft: hij verplaatst zich in Blunt-Maskell op de dag dat die een telefoontje van het kabinet gekregen heeft waarin hem werd gemeld dat de publieke ontmaskering ophanden was. Dat is het moment waarop Maskell zelf die grote reeks 'waarom'-vragen onder ogen moet zien - en dus kan Banville zijn held het werk laten doen. Maskells methode is die van Banville; de auteur verplaatst zich in zijn onderwerp, en dat onderwerp volgt Banville's regels op om zijn eigen levensgeschiedenis te ordenen. Het verhaal dat Banville vertelt, of het nu in The Untouchable is of in een van zijn eerdere romans, krijgt daardoor een ongewoon aura van betrouwbaarheid. The Book of Evidence heette een van die eerdere boeken: het had de ondertitel van The Untouchable kunnen zijn - dit is het psychologische bewijsmateriaal dat Blunts handelingen moet verklaren.

Maskell moet zijn positie opgeven, na dat fatale telefoontje, incluis het mooie appartement boven het kunsthistorisch instituut. Zijn onderscheidingen en titels moet hij inleveren, met uitzondering van de hoge Sovjet-medaille die hij ooit in het geniep gekregen heeft en die hij vanzelfsprekend meteen had moeten verstoppen. Alleen de onderscheiding die hij nooit heeft kunnen dragen mag hij houden, maar hij zou zichzelf alleen maar verder blameren wanneer hij die nu ineens te voorschijn zou halen.

Zijn levensgeschiedenis wordt, nu hij een oude man geworden is en de tijd niet meer heeft zich te herstellen, in één keer ontluisterd. Wat gisteren aanzien had en respect afdwong, zal morgen een vertoning zijn. Hij, die een graag geziene gast was op koninklijke partijtjes of bij de leden van de verschillende kabinetten die hij heeft zien komen en gaan, kan van de ene op de andere dag zelfs de krantenverkoper en de huisbewaarder niet meer met goed fatsoen onder ogen komen. Hij wordt van een sleutelfiguur pardoes een outcast.

Banville laat Maskell zijn levensverhaal vertellen in een prachtig gedragen Engels, dat helemaal bij zijn status en positie past, een taal die gaandeweg het verhaal geleidelijk wat slordiger wordt. Rustig en waardig overziet de oude baas zijn op zijn zachtst gezegd hoogst onderhoudende levensgeschiedenis, totdat hij beseft dat het uit is. Dat verhaal volgt de geschiedenis van Anthony Blunt op de voet: Cambridge, standsverschil, brille, lidmaatschap van die wonderlijkste aller studentenverenigingen, The Cambridge Apostles, vleugje Bloomsbury, flirt met het communisme in de jaren dertig, homoseksuele spelletjes en ontspanningsoefeningen die uitmonden in zo'n geniepige, stiekeme en chantabele Britse homo-scene - en zo voort.

Slechts op één punt wijkt Maskells verhaal af van dat van Blunt: Maskell komt uit een familie van Iers-nationalistische protestanten. Zijn vader was een dominee die desondanks niet voor Engelse overheersing maar voor home rule koos. Dat maakt Maskell al van begin af aan tot een buitenstaander, ja, zelfs tot de erfgenaam van een familietraditie van buitenstaanderschap. In die familiegeschiedenis zit al de dubbelrol die hij later op een aanzienlijk hoger plan zal spelen: loyaliteit aan het vaderland dat een andere religie, een andere ideologie aanhangt dan je zelf voor juist houdt. Iers nationalisme gecombineerd met het protestantisme van de Engelse vijand laat zich gemakkelijk vervangen door trouw aan het Britse vorstenhuis, de klassieke waarden van het establishment en het leger, in combinatie met ontvankelijkheid voor het communistisch ideaal.

De 'waarom'-vraag krijgt daardoor bij Banville een eerste antwoord: omwille van de traditie.

Maar er zijn er meer. 'A flight from ennui and a search for diversion' is er een van. Maskell is een van die briljante studenten die van gekkigheid niet meer weten waar ze mee flirten moeten om zichzelf te amuseren en het establishment te jennen, zoals later ook zijn homoseksualiteit deels het product is van verveling en uitdaging. Hij onderzoekt alle mogelijkheden, zoals hij naast de wiskunde ook de filosofie beoefende, naast zijn wetenschappelijke werk ook dienst nam en naast zijn spionagewerk voor de een dat ook voor de ander ging doen. Het is alsof één leven hem te weinig is; met zijn talenten heeft hij een tweede nodig.

'Dat is de geheime kracht van de spion', noteert de onvermoeibaar analyserende Maskell. 'Het is de kracht om te zijn en niet te zijn, om je van jezelf los te maken, om jezelf te zijn en tegelijkertijd een ander.' Daarmee zit de onaanraakbaarheid van The Untouchable niet alleen in zijn vitale kennis van de intieme dwalingen van het Britse vorstenhuis - het argument dat Maskell gebruikt wanneer de geheime dienst hem in 1964 naar aanleiding van de vlucht van Philby wil inrekenen -, maar ook in een bijna oosterse levensfilosofie over de aard van de persoonlijkheid.

Banville heeft dat weergaloos mooi geëxploreerd. Natuurlijk, hij kreeg het vrijwel cadeau, want Blunts persoonlijkheid en geschiedenis behoren tot de fascinerendste van deze eeuw. Maar je moet er niet aan denken wat een mindere schrijver daar nog aan had kunnen bederven.

Michaël Zeeman

John Banville: The Untouchable.

Picador, import Nilsson & Lamm; 405 pagina's; ¿ 50,40.

ISBN 0 330 33931 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden