Omdat het een onding is

Walter van Hauwe ontvangt vandaag in de Nieuwe Kerk in Amsterdam de muziekprijs van het Prins Bernhard Cultuurfonds. Ambassadeur van de blokfluit?...

'Wat doe jij? Ik, hm?. . . Blokfluit. Ooh, blokfluit. . .'

Walter van Hauwe, musicus, leraar, improvisator, masterclassleider, adviseur van de Japanse instrumentbouw, Bach-coach van jet conductor Seiji Ozawa, verbeteraar van de Bassblockflöte en de sopranino, elektronicapionier, repertoireverzamelaar, catalogusbeheerder, auteur, opnameleider, barokspecialist, gids van een modernemuziekelite, mentor en goeroe in het algemeen: 'Als je zegt ik ben blokfluitist, moet je er van alles bij zeggen, anders gaan ze meteen over je schouder kijken naar een interessantere figuur in je omgeving.'

Van Hauwe kent het - de IJsbreker/Frascati- en verjaarspartijtjessituatie. De uitgestoken hand, en het puntje puntje puntje van de blikken die glazig wegdwalen, als het hoge woord eruit is.

'Blokfluit, het is natuurlijk ook een gruwelijk instrument.'

Van de platen waarop hij als solist of ensemblelid is te horen, zo'n twee dozijn, kan de totale verkoop worden geschat op rond de honderdduizend. Op visumverklaringen schreef hij: 'Inmiddels musicus.' 'Maar na ruim dertig jaar reizen ben ik er achter', beslist Van Hauwe (53). 'Eigenlijk ben ik voornamelijk een schoolmeester.'

In de Nieuwe Kerk in Amsterdam ontvangt hij vandaag de muziekprijs van het Prins Bernhard Cultuurfonds, vijftigduizend euro. Wel een verrassing, na de zilveren Vriendenkrans van het Concertgebouw die hem 32 jaar geleden ten deel viel voor uitzonderlijk virtuoos spel. 'Ik weet niet wat de jury bezielt.' Van Hauwe krijgt het rapport pas bij de uitreiking.

'Vertolker', mogen ze dat zeggen? 'Jaja.' Uitmuntend? 'Ja, ja, nou ja.' Invloed op verschillende muziekculturen? 'Jaaa'. Emancipator van een instrument? 'Ja, ja, ja.' Stimuleren van nieuw werk? 'Ja!'

'Hou maar op. Misschien noemen ze het ''ambassadeur''. Hoewel, een onzinnig woord. Ik heb mijn nek uitgestoken, zeg maar. Ik ben gek op dat rare instrumentje. Omdat het, eh. . .' Omdat het wat? 'Omdat het een onding is. Het is zó beschimpt, zo naar onderen getrapt altijd, als ''niet-serieus''. Ik heb nog steeds zoiets van verdomme, het is niet waar. Alleen, we leggen het niet goed uit. Terwijl er wel degelijk goeie spelers zijn.'

Voor ze eindexamen deden aan het Haagse conservatorium, hadden ze al een Edison, Van Hauwe en zijn blokfluitcompagnon Kees Boeke. Met de cellist Wouter Möller en de klavecinist Bob van Asperen vormden ze het Quadro Hotteterre, genoemd naar een vergeten barokmeester. Hun leraar en afgod was Frans Brüggen, pionier van de blokfluit en de oudemuziekbeweging, huisvriend van de Notenkraker-avant-garde, en troetelkind van Vivaldiliefhebbers aller landen.

Van Hauwe opent een kastdeur, die toegang geeft tot een gehavend stereosetje. Een box is stuk, 'maar dat maakt niet uit, je hoort nog genoeg'. Een Teldecschijfje komt tot klinken, herpersing van een 33 toeren-lp met een triosonate van Hotteterre, maître van de flute à bec. Van Hauwe, Brüggen, Leonhardt, Kuijken, het zijn geen onervaren spelers die hier (anno 1984) hun fantasie loslaten op de frasering en de versieringskunst.

Van Hauwe: 'Ik vind het ondraaglijk. Niet om aan te horen. Het zou bij mij niet eens meer door het toelatingsexamen komen. Zo maniëristisch en zo kraaie-onzuiver. Dat geëxperimenteer, het was wel inventief. Dat mis je vaak in de technisch veel betere uitvoeringen van nu. En het werd verkocht. Maar het kan niet meer.'

Ambivalentie is zijn middle name. Oudemuziekpubliek trakteerde hij op een ballad van Charlie Parker, verstopt tussen Hotteterre-preludes. Uitbundige complimenten volgden na dit zelden gehoorde barokwerk. Even enthousiast was de reactie na het stuk van de oud-Hollandse blokfluitspeelman Jacob van Eijck - dat Van Hauwe op een Utrechts festival onaangekondigd van achteren naar voren kwinkeleerde.

'Ik ben dol op oude muziek', zegt Van Hauwe, 'ook op barokmuziek, al hebben de groten in die tijd nooit eens gedacht ''nu ga ik een schitterend stuk voor de blokfluit schrijven''. Ja, als er dood of seks of hekserij aan te pas kwam, dan mochten de blokfluiten opdraven, met hun ijle klank.'

Opgewekt: 'Maar waar ik echt gek van word, is van barok-uitvoeringen. Ik kan er niet meer tegen, dat hardnekkige non-vibrato. Het is vaak zo arrogant. Zeker bij oudere barokspelers, daar zit een fundamentalisme dat je verder alleen in bepaalde IJsbrekercircuits tegenkomt. Mensen die het over ''de juiste noot'' hebben.

'Noem dat in hemelsnaam ''een heel goeie noot'', zeg ik dan. Maar in het algemeen zijn ze niet zo geïnteresseerd in de mening van een blokfluitist.'

De laatste les van de conservatoriumleraar Brüggen aan de eindexaminandus Van Hauwe ('Nou ja, lessen, het was meer een uitwisseling van gebabbel') is de leerling bijgebleven als een mene tekel. 'Walter, we hebben een probleem. Die blokfluit zal nooit serieus genomen worden.' Van Hauwe trekt een Brüggen-masker. Met gevoileerde blik: 'Dus zorg dat je altijd meer weet dan een ander. Onze enige redding is een babbel waar ze niet van terug hebben.'

Het was in 1969, het jaar waarin Brüggen zijn elektrische dubbelbasblokfluitknor in dienst stelde van Wally Tax en The Outsiders. Een jaar ook, waarin Brüggen in Carré optrad als de dubbelbasblokfluit-improviserende Incakoning Qualtzalcolotl ('die naam, ongeveer'), in de revolutieopera Reconstructie van het collectief Van Vlijmen, Andriessen, Mulisch et al. Het was het jaar waarin Brüggen zijn leerlingen Boeke en Van Hauwe na hun eindexamen toestond hem te tutoyeren.

Van Hauwe nam de les serieus. 'De meeste instrumenten waar ik mee te maken kreeg, die ben ik gaan studeren. Sommige maar een paar maanden. Maar wel: om het gevoel te hebben. Ik heb vier jaar met Keiko Abe geïmproviseerd in Japan. Dan zit je wél naar een van de beste marimbaspeelsters aller tijden te kijken, en weet je wat voor draai je aan de mallet kan geven.'

Tot uit Mexico, Australië, de VS en Japan zijn ze komen aanzwermen, Van Hauwes blokfluitstudenten. Jorge Isaac en Tosiya Suzuki zijn gebleven. De 150 blokfluitisten die tot nu toe bij hem afstudeerden 'vormen vanzelf een formidabel netwerk, heel goed voor een partiturencatalogus'.

Maar onder Van Hauwes hoofdvakleerlingen aan het Amsterdams Conservatorium zaten ook tweedefasestudenten viool en hobo. 'Niet omdat ik hun techniek kan verbeteren. Wel hun denken. Sta ervoor. Geloof erin, al is het een Duitse Schlager.'

Delft, de stad waar hij opgroeide als kind van een muziekschooldirecteur, is de stad van zijn stotterverleden. Het begon rond zijn vijfde. Hij had er 'twintig jaar gelazer' van. Met briefjes in de zak naar de bakker. Getreiter op school bij de nonnen. 'Ik moest de gedichtjes voordragen. Met Franse les mocht ik het allemaal voordoen. Gierende klas, de docent incluis. Van jezuïeten op de middelbare school werd je ook niet vrolijk. Daar was het perfect of niks.

'Ik was een in zichzelf gekeerd ventje, dat dacht: ''Mijn tijd komt nog wel.'' Het podium was de enige plek waar ik geen last had van zenuwen. Waar ik nooit hoorde dat ik niets waard was. Daar was niemand de baas over me. Het was mijn plek.'

Alleen bij Brüggen op les wilde de adem soms niet komen. 'Dan gaf hij een tik op mijn schouder, één twee hop, en daar ging ik, vol gas.'

Van Hauwe denkt dat hij in vier jaar zo'n veertig lessen kreeg van Brüggen. 'Niet veel, hij was vaak op tournee. En een les was soms na vijf maten voorbij. Zei hij: ''Dit is helemaal niks, stop.'' Foute noten heb ik mezelf sowieso nooit toegestaan. Maar als je vroeg: ''Wat dan?'' ''Dat moet je lekker zelf uitzoeken.''

'Maar ja, ongelooflijk inspirerend. Een vrijdenker. ''Blokfluit spelen is een mentaliteit'', zei hij. Droog studeren moest ook. Moeilijke stukken alleen maar lezen, indenken, en pas de blokfluit pakken op de volgende les, en het dan ook helemaal kunnen.'

Wat kunnen wij dat hij niet kan, vroegen Kees Boeke en Walter van Hauwe zich af. 'Met z'n tweeën spelen', besloten ze. Het werd, met cello en clavecimbel, een 'quadro'. 'Toen zei Frans: ''Oké, dan gaan we met z'n drieën als trio.'' Dat werd het trio Sour Cream. Toen was er nog plaats voor vier blokfluiten. Dat werd een ander kwartet, Loekie Stardust. Die hele wereld werd afgekaveld en ingedeeld, ja. We haalden er jazz bij, elektronica. Blokfluitisten in de rest van de wereld werden er gek van. Er vielen termen als mafia. 'Nou ja, mafia. We kwamen niet aan elkaars spullen. Het stuk dat Luciano Berio voor Brüggen schreef, Gesti, speelde ik niet. Dat deed Kees Boeke. Boeke kwam niet aan Sweet van Andriessen. Dat was mijn stuk. Ik ben Berio pas vijftien jaar na mijn examen gaan studeren. Ik belde: 'Vind je het erg, Kees? ''Hm, is het nodig?''

'Ik bemoeide me met de organisatie van de tournees. Wat we ook wilden, Australië, Amerika, het was kom, kom, kom.' Met pruttelende mega-fluiten-met-vierkante pijp naar de campus sjouwen en naar het kamermuziekabonnement. 'Modderen met plugjes en versterkers.' Sour cream sounds sweet, heette het in de krant.

In het vliegtuig las Van Hauwe over een acupuncturist in Nederland die stotteraars behandelde. Spelden in zijn oor bleken te helpen. Kees Boeke begon het zelfs zat te worden. 'Hou je mond toch, je ratelt maar door.'

Brüggen richtte zijn Orkest van de Achttiende Eeuw op, stopte eind jaren zeventig met de blokfluit, en gaf de boedel door aan Boeke en Van Hauwe. Boeke is intussen wijn- en olijfboer geworden in Italië.

Laureaat Van Hauwe heeft een mededeling in petto. 'Ik stop ook. Ik wil mijn studenten niet de pas afsnijden. Laat Jorge en Tosiya en die anderen het maar afmaken.'

Hij gaat nog één plaat maken, met 'een paar' van de negentig stukken die voor hem zijn gecomponeerd. Donatoni. Isang Yun. Guus Janssen. Termos. Daarnaast het meesterlijke Zaghurim. . . van Richard Rijnvos, voor slagwerkers en schreeuwblokfluit - het stuk waarbij Jan Wolff van de IJsbreker kwam aanrennen toen Van Hauwe bij het studeren van zijn partij het raam had openstaan; hij dacht dat er een reiger werd gekeeld.

Een reizende 'Jan Solist, met lullige Vivaldietjes naar fantastische tot middelmatige orkesten' is hij al lang niet meer. Wel 's zomers in de business class naar Japan, om Seiji Ozawa bij te staan, en om Bachconcerti te dirigeren in het Saito Kinen-festival, met 'louter Japanners van de eerste lessenaars uit Cleveland, Wenen, Londen, Amsterdam, mensen die geen foute noot kúnnen spelen'. En binnenkort in de trein naar Haarlem, voor Bachworkshops met het nieuwe fusieorkest Holland Symfonia.

De teller van zijn fabuleus gedetailleerde website-repertoirecatalogus, met nieuw en twintigste-eeuws blokfluitwerk, staat op 3665 stukken. Aanzienlijk meer dan de tweeduizend van die andere zo goed als complete catalogus, van Van Hauwe en collega Paul Leenhouts, met vijf eeuwen historische blokfluit tot 1900.

Verder: louter hulde voor Hendrik Andriessen, de componist en conservatoriumdirecteur die ooit uitriep of 'dat geblaas op die potloden' ook kon ophouden ('Hij had gelijk, in zijn tijd kon bijna niemand er wat van'). Louter liefde voor het uitstervende blokfluitgezin, te onderscheiden door de gepunnikte fluitzakjes van hun kinderen. Louter vriendschap voor Brüggen. 'Ik zie hem af en toe, zijn dochtertje uit de tweede leg zit toevallig op dezelfde school als mijn dochter, en ook nog in dezelfde klas.' Nee, de gesprekken met Frans op het schoolplein en de kinderpartijtjes gaan niet over het wezen van het glissando, maar over de juf en de gevaren van hoofdluis.

Voor Suzuki zal Van Hauwe altijd de meester blijven, wat Van Hauwe ook probeert.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden