Om Nederlandse schrijver kan uitgever niet heen

'Het is alsof je als schrijver in hun vieze badwater stapt.' Met die sanitaire volzin beëindigde Michel Maas vrijdag jongstleden zijn verslag in de Volkskrant van het gesprek met A....

Is het echt zo treurig gesteld met de Nederlandse letteren?

Meegesleept door de emoties van een auteur die zichzelf de afgelopen jaren niet heeft gespaard (wat hem aan te zien is), is het verleidelijk Van der Heijdens kritiek volmondig te beamen. In deze kroniek heb ik meermalen gewag gemaakt van het teveel aan kaf tussen het koren. Hoe dat komt is wel te verklaren: er moeten, door de financiële eisen in de veelal tot conglomeraten uitgedijde uitgeverijen, veel te veel boeken worden 'gemaakt'. Het liefst boeken van Nederlandse auteurs, want die kunnen door hun gestage aanwezigheid in Nederlandse kranten, in Nederlandse tijdschriften, op de Nederlandse televisie, op signeersessies en tijdens lezingen op het land een eigen Nederlands publiek verwerven. Bovendien schrijven ze, als het goed is, Nederlands, en vernieuwen ze die taal in haar geschreven vorm, wat tot gunstige kritieken leidt. Kassa!

Nederlandse schrijvers in je fonds, dat moge duidelijk zijn, daar kun je als uitgever niet omheen. De vraag is slechts: hoe vind je ze? De besten hebben altijd de neiging gehad als vanzelfsprekend uitgevers op te zoeken als Meulenhoff, De Arbeiderspers, De Bezige Bij, Van Oorschot en Querido, omdat die de naam hebben alleen wat heel goed is uit te geven. Andere uitgevers moeten het met minder doen en als daar geen droog brood mee te verdienen valt - of hooguit incidenteel een keer - dan ligt het voor de hand dat men op de Frankfurter Buchmesse of door direct contact met literaire agenten en uitgevers in den vreemde buitenlandse successen probeert te kopiëren (wat vaak tegenvalt; je hebt niet elk jaar een Donna Tartt).

Natuurlijk kan geen enkele literatuur het zich veroorloven buitenlandse hoogtepunten te negeren. Altijd zijn er in Nederland, in Duitsland, in Engeland, in Frankrijk, of in welk land dan ook, vertalingen verschenen. Veelal, zo lijkt het vaak, vertalingen van uiterst belangrijke boeken, maar wie nader toeziet, weet dat er ook toen veel kaf tussen het koren zat. In dat opzicht is er niets veranderd. Veranderd is - internationaal gezien - de hoeveelheid vertalingen. In sommige landen omvatten zij nu meer dan de helft van alle literaire boeken die er worden 'geproduceerd'. Die kwantiteit heeft geen kwaliteitsverhogend effect.

Veel rotzooi die in Nederland verschijnt is van buitenlandse herkomst. Toch hoeft dat commercieel succes niet in de weg te staan. Een kwestie van marketing en reclame. Een gevolg van deze ontwikkeling is wel dat menigeen die de literatuur of het 'goede boek' in het algemeen - het mag ook uitzonderlijke non-fictie zijn - een warm hart toedraagt, de indruk kan krijgen dat het tegenwoordig in boekenland een beetje een middelmatige chaos is. Dat is een indruk. Wie gespitst is op het allerbeste zal zo'n impressie koesteren. Maar wie al of niet beroepshalve die beeldvorming heeft leren relativeren, zal opmerken dat in de huidige tombola vaak ook heel goeie boeken een kans krijgen, zelfs Nederlandse.

In een bepaald opzicht is

A. F. Th. van der Heijden met zijn klacht over de toenemende middelmatigheid dus een tikkeltje ongenuanceerd. Misschien moet je zijn opmerking zien in het licht van de inflatie waaraan àlles ten prooi is gevallen, dat voor hem als working class hero de moeite waard was, zoals hij in eerdere interviews heeft laten weten. Zelfs de literatuur. Naar men zegt onder Amerikaanse invloed. Daar zit wel wat in, zou je zeggen, maar als je dan in de Publishers Weekly van vorige week het verhaal van Herbert Lotman leest - die weer eens een rondgang langs de Nederlandse literaire uitgevers heeft gemaakt - dan zie je hoe verbaasd hij is over het Nederlandse niveau. Impliciet laat hij daarmee het verschil zien tussen Amerika en Nederland en voorzover hij expliciet op overeenkomsten wijst, zijn die kwalitatief van aard. Uitgevers als Albert Voster (De Bezige Bij), Ronald Dietz (De Arbeiderspers), Mai Spijkers (Bert Bakker, Prometheus), Eva Cossée (Ambo), Maarten Asscher (J. M. Meulenhoff) en anderen die de verslaggver sprak, mogen dit als een compliment in hun zak steken.

Je moet het zó zien, denk ik: net als in Amerika zal er in Nederland, bestselleritis of niet, een levendige literatuur blijven bestaan zolang talenten als Van der Heijden het badwater van hun mediocre companen laten voor wat het is en de douche verkiezen waarmee al die Nederlandse schrijvers, van Hella Haasse tot Cees Nooteboom, van Harry Mulisch tot Gerard Reve (bien etonnées de se trouver ensemble), de dagelijkse vuiligheid van zich hebben afgespoeld, tot meerdere glorie van de Nederlandse literatuur in het buitenland en als proper voorbeeld voor hun troonopvolg(st)ers.

Allemaal goed en wel, zult u zeggen, maar hoe zìjn de ontbrekende delen van De tandeloze tijd, Het hof van barmhartigheid en Onder het plaveisel het moeras, waarnaar wij met z'n allen zo lang hebben uitgekeken? Het gaat immers om de boeken en wat daarin staat. Al dat geklets eromheen kan ook een niet-lezer wel uit zijn duim zuigen. Ik weet het eerlijk gezegd niet, want ik heb de veertienhonderd bladzijden van dit derde deel in de cyclus - zoals u weet het gat dat na Advocaat van de hanen door onze Adri nog gevuld moest worden - niet gelezen en wacht net als iedereen op de recensies die vrijdag ongetwijfeld en masse zullen verschijnen. Per slot van rekening hebben die besprekers niets anders te doen en had ik nog een paar duizend àndere bladzijden door te nemen.

Om te beginnen waren er, het spannendste boek van de week, de 416 pagina's van de Brit Rupert Thomson (Eastborne, 1955) over een zekere Martin Blom. Die Blom heeft na zijn werk boodschappen gedaan in een supermarkt en wordt dan getroffen door een kogel die zijn hoofd doorboort. Hij overleeft dit schot van een onbekende, maar weet dat hij voortaan blind zal zijn, zoals de behandelende neuroloog hem zakelijk uitlegt. Vanaf dat moment gebeuren er de meest merkwaardige dingen.

In de eerste plaats constateert Blom, tot zijn verrassing, dat hij tòch kan zien. Weliswaar alleen 's nachts, maar dat belet hem niet om opnieuw aan het leven deel te nemen. Voor iedereen is hij een blindeman, voor de bevallige verpleegster die zich 's nachts voor zijn ogen van haar gesteven uniform ontdoet, voor de aantrekkelijk Nina, die hem in een rosse-buurt-etablissement vraagt: 'Mag ik je kussen?' en voor de behandelende arts, aan wie hij op een gegeven moment - al aardig op weg tamelijk paranoïde te worden - opbiecht dat hij kan zien. Onzin, reageert de dokter, je fantaseert. En het is precies die ongrijpbare verwarring - ziet Blom nu wel of niet? - die Thomson in deze als een Amerikaanse thriller zo onderkoeld geschreven roman (Met open ogen, vertaald door Gerrit de Blaauw, De Bezige Bij, ¿ 39,50) ten volle uitbuit om de lezer tot het laatst toe in spanning te houden.

Met open ogen, het derde boek van Thomson dat in het Nederlands is vertaald (eerder verschenen De vijf poorten van de hel en Lucht en vuur), doet enigszins denken aan Smilla's gevoel voor sneeuw van Peter Heg, Zwart water van Kerstin Ekman en Rand van Jan Kjaerstad, omdat het net als die schitterende boeken een vernuftige plot heeft en tegelijkertijd iets bloot legt van onze condition humaine. Bij Thomson heeft dat, in een tijd die naar men zegt vooral visueel geworden is (door de beeldenstorm van de tv), te maken met wat er niet allemaal op ons 'innerlijk' netvlies wordt geprojecteerd. En of we daar niet krankzinnig van worden.

Julien Green, de vermaarde Franse auteur, wiens werk in de kostelijke Pléiade-reeks van Gallimard is opgenomen, heeft zich met Verre landen niet tot de 416 bladzijden van Rupert Thompson beperkt. Hij had in 1987 - toen hij, even oud als de eeuw, al zevenentachtig was - voor Les pays lointains maar liefst 826 pagina's nodig en daar moet je even voor gaan zitten. In Verre landen (vertaald door Jan Rijnsburger, De Geus, ¿ 89,90) vertelt Julien Green het verhaal van Elizabeth, die als zestienjarige vanuit Engeland op een bloeiende plantage in het Amerikaanse Georgia aankomt en daar verliefd wordt op twee mannen, om dit kolossale epos maar eens even handzaam samen te vatten. Het is de sfeer van de televisieserie North and South, maar dan beter. De Amerikaanse burgeroorlog speelt in elk geval een belangrijke rol.

Een vreemd boek vond ik Hemelboom van de Amerikaan R. C. Binstock (vertaald door Heleen ten Holt, Anthos, ¿ 34,90). Waarom vreemd? Omdat Binstock - als Amerikaan - zich verplaatst in twee personages uit een geheel andere cultuur dan de zijne, zonder dat je tijdens het lezen het gevoel hebt dat de overtuigingskracht van dit boek uitsluitend het gevolg is van de grondige research die de schrijver heeft verricht. Het verhaal speelt zich af tijdens de Japanse invasie van China in 1938. Een Japanse officier - die overigens geen al te krijgshaftige indruk maakt - blijft met een paar man achter als de troepen verder trekken en krijgt dan contact met een Chinese vrouw, die voor hem het huishouden gaat doen. Met heel veel omzichtigheid worden ze ten slotte geliefden. Heel knap geeft Binstock deze liefde onder oorlogsomstandigheden gestalte, al had ik soms het gevoel dat hij in de detaillering wel eens tekort schoot: het verschil tussen wat je voor ogen staat en wat 270 bladzijdenlang woord voor woord moeten worden waargemaakt.

Ik bleef, nu ik er toch was, in China, omdat de Bredase firma De Geus (mooi fonds, helaas te weinig Nederlandse auteurs) mij twee novellen van de Chinese schrijver Han Shaogong (in één band) deed toekomen: Pa pa pa en Vrouw vrouw vrouw, beide door Mark Leenhouts vertaald (¿ 37,90). In het blad China Nu (1995, nr. 4) heeft Leenhouts, die sinoloog is, Hans achtergrond belicht en die is somber als het gaat om de politieke ontwikkelingen in het land van de Grote Roerganger (waarvan Han zíjn gruwelijke portie te slikken kreeg) en tamelijk zonnig, als het gaat om het schrijfwerk dat Han ongebroken ter hand nam, toen dat weer kon (en toen vertaalde hij meteen ook maar De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van Milán Kundera).

De balling Duoduo, in Nederland geen onbekende, vult met de poëziebundel Er is geen nieuwe dag en zijn columns in Ik begrijp het niet (vertaald door Maghiel van Crevel en Michel Hockx, Meulenhoff, beide boeken ¿ 29,90) het beeld van de eigentijdse Chinese literatuur verder in, terwijl Frits Vos, emeritus-hoogleraar sinologie in Leiden, met zìjn bloemlezing uit het werk van de excentrieke Zen-priester Ryokan (1759-1831) - die verliefd werd op de beeldschone non Teishin - een tipje van de sluier oplicht, die voor ons wel altijd de eeuwenoude literatuur van China zal bedekken. Een prachtige bundel (Meulenhoff, ¿ 36,90).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden