Om erger te voorkomen

De Raad voor de Journalistiek ligt opnieuw onder vuur. RTL Nieuws brak deze week met de raad, een buffer tegen minder persvriendelijke wetgeving....

HOOFDREDACTEUR Harm Taselaar van RTL Nieuws is geen liefhebber van de Raad voor de Journalistiek. Hij keerde de raad deze week de rug toe omdat hij geen behoefte heeft aan een 'superhoofdredacteur' die de grenzen van de persvrijheid bepaalt voor alle media in Nederland. Die grenzen bepalen wij zelf wel, zei Taselaar: kijkers met klachten kunnen zich direct tot ons wenden, of anders tot de rechter.

RTL Nieuws volgde daarmee het opinieweekblad Elsevier dat al in januari op ongeveer dezelfde toon van de raad afscheid nam. Een grote meerderheid van de Nederlandse pers zal de 40 jaar oude Raad voor de Journalistiek nog wel een poosje trouw blijven. Niet omdat er veel leervermogen uit voortkomt, maar vooral omdat de media bang zijn te worden geconfronteerd met minder persvriendelijke wetgeving als hun raad zou verdwijnen.

Het grote schrikbeeld is België. Daar bestaat een wettelijk recht op antwoord dat burgers en andere rechtspersonen in staat stelt een weerwoord af te dwingen op perspublicaties waarin zij figureren. In de jaren zeventig culmineerde dit recht in de kwestie-Vanden Boeynants, die voor de Belgische pers een bijna traumatische betekenis kreeg.

Paul vanden Boeynants, de toenmalige minister van Landverdediging, ging assertief met de pers om. Elke vorm van kritiek op zijn beleid voorzag hij van een reactie die meteen door het desbetreffende dag- of weekblad moest worden afgedrukt. De pers stond machteloos. Vanden Boeynants maakte gebruik van zijn wettelijk recht op antwoord (droit de réponse). Hij deed dat op grote schaal, en zonder argumenten. Hij sprak beweringen tegen, maar weerlegde ze niet. In 1979 verschenen er uitvoerige publicaties over de voorgenomen aankoop van 1189 pantservoertuigen voor 30 miljard frank. De affaire was, zoals vaker bij Vanden Boeynants, omgeven met een geur van omkoping en duistere commerciële connecties. De minister reageerde als vanouds met lijvige antwoorden die integraal moesten worden gepubliceerd. Maar de hoofdredacteur van het weekblad Knack weigerde. Hij vond dat 'minister Vanden Boeynants een antwoordrecht naar zich toe trekt dat de persvrijheid danig op de proef begint te stellen'. De minister sleepte het blad voor de rechter en won. Tot een beroepsprocedure kwam het niet. De zaak werd in der minne geschikt, waarbij Vanden Boeynants beloofde voortaan eerst over zijn reacties te zullen overleggen.

Het droit de réponse, dat ook in Frankrijk en in veel mildere vorm in Duitsland geldt, is een recht op correctie dat voorkomt uit het beginsel van hoor en wederhoor. Het eerste kabinet-Lubbers heeft al eens met de gedachte gespeeld om ook voor Nederland een wettelijk recht op antwoord in te stellen. Maar dat leek veeleer een dreigement. Het grote gevaar komt volgens mediawatchers nu van Brussel, waar wordt nagedacht over een Europees gestroomlijnde perswetgeving voor alle EU-lidstaten. Met, jawel, een droit de réponse.

Tegenstanders van zulke wetgeving zien in het bestaan van de Raad voor de Journalistiek een plausibel argument om Brussel te bewegen van zijn plannen af te zien: kijk naar ons, wij hebben al een orgaan dat ons werk toetst, wij doen aan zelfregulering, dus Europese wetgeving is onnodig. Maar de vraag is of de lobby daartoe helpt. In eigen land staat de raad al jarenlang ter discussie. Het toetsingsorgaan wordt door tegenstanders ervaren als een krachteloze instantie die alleen per casus uitspraken kan doen, daarom geen bruikbare regels, laat staan een algemeen geldende beroepsethiek kan ontwikkelen, geen sancties kan opleggen en een twijfelachtige samenstelling kent, met oud-politici (Sorgdrager, Van Thijn) en anderen (VARA-voorzitter Keur) die te weinig op afstand staan van de journalistiek.

In de ogen van de voorstanders is de raad een laagdrempelige instantie die de ethiek van het vak wel degelijk kan aanscherpen. Maar ook zij moeten erkennen dat de raad daarvoor te weinig middelen heeft. Bijvoorbeeld: uitspraken van de raad over geschillen tussen klagers en media worden maar mondjesmaat in kranten en tijdschriften gepubliceerd (47 procent). Daarom besloten het Genootschap van Hoofdredacteuren en de Stichting Raad voor de Journalistiek eind vorig jaar tot een publicatieconvenant voor alle aangesloten dag- en weekbladen en nieuwsrubrieken op radio en tv. Media die het convenant ondertekenen, verplichten zich tot publicatie van alle voor hen negatieve uitspraken van de raad. Tenzij een 'zwaarwegend journalistiek belang' het 'genoegdoeningsbelang' van de klager ruimschoots overtreft.

De aandrang om het convenant te ondertekenen is niet groot. In omroepland zeker niet. De hoofdredactie van het NOS Journaal bijvoorbeeld wil zelf blijven uitmaken wat publicabel is, en wat niet. Bovendien is er het praktische probleem dat uitspraken van de raad moeilijk op tv kunnen worden uitgemeten. Daarom wordt er bij de NOS nagedacht over een ombudsman-achtige figuur om de kijker/luisteraar alsnog van dienst te zijn. Of de publicatieverplichting bij de geschreven media veel enthousiasme zal losmaken, is twijfelachtig. De verwachting is dat het percentage ondertekenaars niet ver boven de 50 procent uitkomt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden