Old York

New York City was in de jaren zeventig de navel van de wereld voor alles wat hip, én alles wat groezelig was. Ideaal decor dus voor een tijdsbeeld, want het is voorbij. Gelukkig hebben we de foto's nog.

Achteraf kunnen we Travis Bickle niet helemaal ongelijk geven. Hij, de gewapende psychopaat uit Taxi Driver, wilde als een oudtestamentische engel der wrake het tuig en het vuil te lijf, daar in het New York van midden jaren zeventig.


Van burgemeester Abe Beame moest Travis Bickle het in elk geval niet hebben. Deze in 1973 gekozen Democraat kende de pech de megapolis te moeten besturen op het moment dat die moreel en economisch op zijn dieptepunt verkeerde. Nog steeds die uitzichtloze oorlog in Vietnam, en Watergate deed ook de laatste politieke optimist naar cynisme overhellen. Oliecrisis, lange rijen bij de tankstations, zwarte wijken als Harlem en Bedford-Stuyvesant verwikkeld in abjecte armoede, de stadsparken een speeltuin voor overvallers en aanranders. En ergens daar tussendoor zwierf de Son of Sam, seriemoordenaar van professie. Toen op 13 juli 1977 ook nog eens de stroom uitviel en de hele stad en haar 7 miljoen inwoners dagenlang in het donker zaten, met rellen en plunderingen tot gevolg, was het over en uit voor Abe Beame. Entree Ed Koch, hij won dat najaar de verkiezingen, en deed het als burgemeester een stuk beter.


Allemaal waar, die ellende, maar wat een uitbarsting aan creativiteit leverde hetzelfde tijdvak New York ook op. Met blijvend effect: die nu zo hippe Canadese band Arcade Fire? Ondenkbaar zonder de eclectische ritmes van de New Yorkse Talking Heads, begonnen in 1975. Britse punkboom? Was er zonder de New Yorkse Ramones niet geweest; zij plugden hun gitaren voor het eerst in 1974 in. Geen David Bowie zonder Lou Reed, meneer New York. Andy Warhol, Truman Capote, Tom Wolfe, Grace Jones, Keith Haring, Laurie Anderson, SoHo als het wereldhoofdkwartier van moderne kunst alsook van de moderne dans, wát een goudmijn. Geen wonder dat John Lennon er in 1971 ging wonen, al zag de FBI dat toen nog niet zo zitten.


Over die ongekende culturele biotoop verscheen in 2009 een prachtig fotoboek: New York in the 70s - samengesteld door Allan Tannenbaum, huisfotograaf en foto-editor van het destijds zo toonaangevende periodiek SoHo Weekly News. Vorig jaar verscheen het nog eens in paperback, en al die luitjes staan erop. Aan het werk of aan het feesten, want dat laatste konden ze ook heel goed. Tannenbaum was erbij met zijn camera en ving die geanimeerde, rauwe, inspirerende, decadente, bruisende, snuivende, scheppende, extravagante New Yorkse scene, die van het prediscotijdperk. De hartslag van een stad, overwegend in modieus zwart-wit geschoten en met een geweldig oog voor detail.


Tot zover de populatie van New York. De straten kennen we vooral uit de speelfilms.


Het stadsbestuur mocht dan ernstige kritiek hebben over de wijze waarop Martin Scorsese in Taxi Driver (1976) het grootstedelijk inferno had geportretteerd, hij plukte zijn beelden gewoon uit de werkelijkheid. Alles gedraaid met bestaand licht, dat van de sleazy pornobioscopen bijvoorbeeld, daarbij nog eens geholpen door een langdurige staking van vuilnismannen - overal lag troep op straat. Welkom in de Big Apple, er zitten alleen wat wormen in. Bij taxichauffeur Travis Bickle werkte het flink op de zenuwen.


In zijn fel realisme stond Taxi Driver niet alleen. Het was destijds de norm. Je treft het al aan in The French Connection (1971), de klassieke policier van William Friedkin. Niet de stralende gouden top van het Chrysler Building of al die andere glimmende wolkenkrabbers in beeld. Nee, afgebladderde bruggen, het grijze water van de Hudson, de vervallen pakhuizen. En overal omineuze stoomwolken, die vanuit metroroosters als ziekteverwekkende spookverschijningen over het asfalt kruipen. De stad is de hoofdverdachte binnen dit misdaadverhaal. New York als zondige, schuldige stad. En het gespuis trekt er vanuit de hele wereld naartoe, zoals we in The French Connection kunnen zien.


Voordat de sciencefiction van Star Wars de zaak overnam, en daarmee het verschijnsel van de juvenalization of the movies zijn intrede deed - lichtvoetig entertainment voor het jonge publiek in de zalen van de winkelcentra -, beleefde de Amerikaanse cinema een ongekende bloeitijd. En al die topfilms spelen in New York. Van de kleine maffiajongens uit Mean Streets tot aan de grote maffiajongens uit The Godfather, van de comedy Annie Hall tot aan het callgirldrama Klute. En laten we vooral de spionagethriller Three Days of the Condor, de mediasatire Network, de coolste zwarte film ooit Shaft, het groezelige straatleven uit Midnight Cowboy of Al Pacino als undercover cop in Serpico niet vergeten. De lijst is eindeloos.


Geen toeval, uiteraard. Dit was het tijdperk waarin New York zich werkelijk voor even het centrum van het universum mocht wanen, terwijl je vandaag inmiddels beter in Los Angeles kunt zijn als het om zulke modernistische zaken gaat. Want New York is momenteel een beetje moe. Het schijnt zelfs dat Laurie Anderson, mevrouw New York, die in 2008 trouwde met Lou Reed, meneer New York dus, in kleine kring weleens haar beklag doet dat Lou tegenwoordig zo saai is, thuis. Vervolgens kwam precies op het moment van schrijven ook nog eens het bericht dat Lou Reed op 71-jarige leeftijd was overleden. Een scherpere metafoor voor de (tijdelijke) uitputting van New York is eigenlijk niet denkbaar.


Nee, dan het midden van de jaren zeventig. Met zijn misdaaddrama Blood Ties (filmrecensie op pagina 9) geeft de Franse regisseur Guillaume Canet zijn lofzang op al die in New York gesitueerde films uit het voorbije tijdvak.


Het misdaadverhaal is dan misschien niet helemaal geslaagd, het seventiessfeertje is perfect getroffen.


Lees verder op pagina V11


Té hip (is ook niet goed)


In zijn voorwoord bij Allan Tannenbaums New York in the 70s maakt de gekende satirische schrijver P.J. O'Rourke een aantal rake observaties. Hijzelf kwam in 1971 vanuit Toledo, Ohio naar de Big Apple en trof er een andere planeet aan. 'De essentie van hip zijn is - naast tot 12 uur uitslapen - dat je weet dat je hipper bent dan de squares, de gewone burgerlui. Maar wat nu als de squares ook hip zijn? Dat was het grote probleem van New York in de jaren zeventig. Werkelijk iedereen was hip, en niemand bakte meer de bagels.'


Vervolg van pagina V9

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden