Oh berg, heb erbarmen

Renners zwalkten over de weg en zetten hun voeten op de grond. Eenderde van het peloton gaf op...

Zij die er verstand van hebben, hebben het over het hoogteverschil, het aantal kilometers dat wordt afgelegd en het stijgingspercentage. Het zijn de drie belangrijkste ijkpunten waaraan het erbarmen van een berg kan worden afgelezen. Kille cijfers die het verhaal van een beklimming zonder opsmuk vertellen.

Een fietser heeft ze eigenlijk niet nodig. Die bekijkt ze, neemt ze ter kennisgeving aan en houdt zich liever vast aan zijn eigen waarneming. Voor hem is er maar één manier om de meedogenloosheid van een beklimming af te lezen en dat is door middel van het aantal levensvragen dat hij zich onderweg heeft gesteld. Hoe meer vragen, des ter zwaarder de berg.

Een klim van een beetje naam en faam is lang genoeg om na te denken over de zinloosheid van het bestaan en de aanwezigheid ter plaatse. Klimmen is zelden leuk, het is een vorm van zelfkastijding. Het is voor een fietser de spiegel van het leven.

Je denkt dat achter elke bocht de waarheid ligt, maar uiteindelijk wordt die pas op de top tentoongespreid. En niemand zou willen dat het anders was.

Een hardloper kan wandelen, een voetballer zijn handen in de zij zetten. Een klimmer stopt niet, het hoort niet, het kan niet.

Vraag Jan Ullrich of Michael Boogerd de komende dagen waarom hij het zichzelf aandoet en hij zal geen zinvol antwoord kunnen bedenken. De bergen leggen, hoe vaak ook al bedwongen, altijd de beperkingen van een mens bloot. Bij de een wat pijnlijker dan bij de ander.

Het is een worsteling met emoties. Maar wie ze kan controleren, komt boven. Klimmen is een kwestie van gewicht en talent, maar vooral ook een van zelfdiscipline.

Zo was het althans honderd jaar geleden bedoeld, toen Henri Desgrange, grondlegger van de Tour, rechterhand Alphonse Steinès de opdracht gaf zijn evenement een metamorfose te geven. Al in het tweede bestaansjaar leek er een vroegtijdig einde te komen aan het fenomeen Tour.

Saboteurs, vooral de supporters van André Faure, vielen het peloton aan, strooiden spijkers op de weg en sloegen renners met knuppels van de weg. Volgens overlevering werden er die Tour zelfs revolverschoten gehoord. De Italiaan Gerbi moest opgeven en was weken inactief. Bovendien fraudeerden de coureurs, zodat van een eerlijke strijd geen sprake meer was. Desgrange had het met lede ogen aangezien, maar weigerde zich de ondergang van de Tour te accepteren.

Steinès geldt, een eeuw later, als de ontdekker van de bergen. Hij breidde voor de Tour van 1905 het aantal etappes uit, verhoogde het aantal kilometers dat moest worden afgelegd naar 3000, en voerde meer rustdagen in. Maar de belangrijkste verandering was toch wel de introductie van de bergen.

En hoewel de Col de la République in 1903 en 1904 al door de renners werd beklommen en met zijn 1161 meter maar zeventien meter lager is, geldt de Ballon d’Alsace (1178 meter) officieel als de eerste col van de Tour de France. Ze opende voor Desgrange de deur naar de bergen. De Pyreneeën werden vervolgens in 1910 aangedaan, de Alpen een jaar later. Het was in 1933 ook de eerste klim waarop officiële punten konden worden verdiend voor het bergklassement.

Tegenwoordig begint iedere wielertoerist met gevoel voor historie op die plek zijn of haar klimmerscarrière. Het is de berg van de zelfoverschatting geworden. De Mont Ventoux kost jaren van je leven, de Tourmalet heeft tranen gekost en de Puy de Dôme is eens maar nooit weer, maar geen wielrenner riep ooit dat de Ballon ‘een verschrikkelijke puist zonder erbarmen is’. Geen schrijver wijdde een uitgebreid epistel aan le col bleu horizon, refererend aan de grens die in de negentiende eeuw tussen Frankrijk en Duitsland was getrokken.

Niemand heeft ooit gewaarschuwd. Eens had Rudi Altig in het wiel van Eddy Merckx om genade gesmeekt. De Belg boekte in 1969 op de Ballon zijn eerste etappezege in de Tour en trok er tevens zijn eerste gele trui aan. Hij deed hem dat jaar niet meer uit. ‘Rudi riep tijdens de beklimming: niet zo snel, niet zo snel. Toen heb ik maar een tandje bijgestoken’, vertelt Merckx met zijn vanzelfsprekende grijns.

Maar dat was Merckx, die liet zijn concurrenten zelfs op een doodlopende weg sterven in zijn wiel, bovendien was het iets uit een ver verleden. Tijden veranderen, wielertoeristen schatten zich graag zo goed als de helden van toen.

Dat de berg nu nog altijd het predikaat eerste categorie krijgt van de Tourorganisatie is toch ook alleen maar bedoeld om de geschiedenis te koesteren? Dus is dit het ideale moment om te doen alsof. Alsof men het klimmen tot in de fijnste finesses beheerst, alsof men meer dan een beginneling is, alsof men bezig is aan een eindsprint. Het opportunisme duurt twee kilometer. Dan zijn er, met rood aangelopen hoofd en ongecontroleerde ademhaling, nog acht te gaan.

Desgrange aarzelde kennelijk niet voor niets om de Ballon d’Alsace op te nemen in zijn spektakel. Hij stelde zich de vraag die iedere klimmer zich nu nog stelt. Zijn bergen wel om over te fietsen? Een eeuw geleden was het antwoord een stellig nee. Het was niet de reden geweest waarom Lodewijk XV er ooit een weg over had aangelegd.

Kon Desgrange van de renners dan wel vragen deze hindernis te nemen? Mocht hij dat risico wel nemen? Als geen van hen de top bereikte, zou zijn ronde onmiddellijk ten einde zijn.

De Tourbaas ging uiteindelijk akkoord, maar gaf Steinès duidelijk te verstaan dat ‘de verovering van de Ballon’ volledig op diens verantwoordelijkheid zou gebeuren. In L’Auto, het organiserende tijdschrift, kondigde hij vervolgens bombastisch aan: ‘Wij weten geen van allen wat dit ons zal brengen. De passage door de bergen is de grote vernieuwing van dit jaar. Onze vrees is even groot als die van de renners.’

Op 11 juli stonden 44 van de 60 in Parijs gestarte renners aan het vertrek in Nancy voor de rit naar Besançon, die niet alleen over de Ballon d’Alsace, maar ook over de Côte de Laffrey en de Col Bayard voerde. De iele klimmer René Pottier kwam al na een half uur als eerste boven.

Andere renners zwalkten over de weg, Aucouturier jammerde dat hij nog nooit zoiets zwaars had meegemaakt, eenderde van het deelnemersveld gaf op (mede door materiaalpech), maar Pottier zette wonderbaarlijk genoeg niet een keer voet aan de grond.

Op het modderige geitenpad en in de ijzige kou had hij Cornet, Aucouturier, Trousselier en Georget afgeschud. Desgrange was extatisch van vreugde en schreef: ‘De vijf coureurs leverden een gevecht dat ik zonder de minste overdrijving als een sportief epos moet kenschetsen.

‘Het was schitterend. Aangrijpend zelfs. De beklimming van de Ballon d’Alsace is een van de opwindendste gebeurtenissen die ik ooit heb meegemaakt en bevestigt voor de zoveelste maal dat de menselijke onverschrokkenheid geen grenzen kent en dat een goed getrainde atleet tot de meest onwaarschijnlijke prestaties in staat is.’

Een jaar later herhaalde Pottier zijn kunststuk na een solo van 220 kilometer in een rit over 416 kilometer tussen Montbéliard en Dijon. Hij klom zo snel dat L‘Auto schreef: ‘Van in de eerste kilometers vloog Pottier weg, niet alleen van zijn tegenstanders, maar ook van die enkele automobielen, die in het zog van de renners aan de beklimming waren begonnen. Met afgrijzen in de ogen stelden de chauffeurs vast dat hun tuigen niet eens bekwaam waren even snel te rijden als die ene, eenzame man op de fiets.’

Desgrange had hem amper bij kunnen houden, zijn wagen begaf het op de Ballon zelfs. Hij hield een gammele houten kar, getrokken door een muilezel, aan en beval de eigenaar: Breng me naar boven! Het ritje kostte hem 500 Franse francs. Maar op de top was Pottier al nergens meer te bekennen.

Hij was de renner die door de duivel bezeten was, niet lachte en nooit iets zei. Sommigen zeiden dat hij te veel door de bergen fietste. Daardoor zou hij te veel zijn gaan nadenken. Die worsteling met zijn emoties zou Pottier gek hebben gemaakt.

Zes maanden nadat hij in 1906 de Tour won, plaatste hij zijn bekers en medailles netjes rond zijn fiets en hing hij zichzelf op met de haak, waaraan normaal gesproken zijn rijwiel hing. De mythe wil dat overspel van zijn vrouw hem de dood had ingejaagd. Op de top van de Ballon d’Alsace kreeg hij in 1908 zijn eigen plaquette.

Net als het standbeeld van Tom Simpson op de Mont Ventoux is, voor wie op de bekendste col van de Vogezen de top haalt, een bezoek aan het eerbetoon aan de eerste bergkoning uit de Tour een plicht. Zelfs als daar enige moeite voor moet worden gedaan. Pottier is op de top van zijn berg eenzaam als altijd en verstopt tussen het monument voor de omgekomen mijnwerkers en het enorme standbeeld van Jeanne d’Arc.

Zelfs in een van de vier cafés kan niemand helpen.

‘U zoekt René Pottier?’

‘Ja.’

‘Wie is dat?’

‘Pottier, u weet wel, de wielrenner.’

‘Maar mevrouw, weet u wel hoeveel wielrenners hier dagelijks naar boven komen gefietst?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden