Ogen, oren en voeten strelen

De bioscoop die Abraham Tuschinkski in 1921 in de Amsterdamse 'Duvelshoek' bouwde, moest een droompaleis worden, want 'Ieder mensch heeft na een dag van hard werken recht op ontspanning'....

In de jaren dertig waagde de zanger-conferencier Alex de Haas het een film in Tuschinski als 'buitengewoon' aan te kondigen. Abraham Tuschinski stormde direct op hem af. 'Je moet niet spreken van buitengewoon. Je moet zeggen: ''Deze film is het grootste van het grootste''

Abraham Tuschinski dacht en sprak niet alleen in superlatieven, hij handelde er ook naar. Voor zijn Tuschinski 'bioscooptheater' aan de Reguliersbreestraat in Amsterdam, dat vanaf zondag zijn 75-jarig bestaan viert, was alleen het beste goed genoeg. 'Ik wil alleen van het mooiste gebruik maken. Slechts de edelste houtsoorten, fijn geslepen glas, zwaar brons, prachtig koper, fraai marmer, mooie beschildering en rijke tapijten komen in aanmerking om het huis te versieren', zei hij ooit.

Tuschinski moest een droompaleis zijn. Een complete avond uit voor de burger èn de arbeider, die met hun entree op het hoogpolige tapijt in de foyer een stap zetten in een andere wereld. Je ging geen 'filmpje pikken', maar naar een voorstelling: met een ouverture door het befaamde orkest van Max Tak, gevolgd door korte films, variété-acts door goochelaars en acrobaten en uiteraard een hoofdfilm.

'Ieder mensch heeft na een dag van hard werken recht op ontspanning en waar de bioscoop den blik der menschen verruimt en den goeden smaak ontwikkelt, zal het steeds mijn streven zijn den bezoekers het allerbeste voor te zetten', declameerde Tuschinski bij de opening op 28 oktober 1921.

Wie nu door het theater zwerft, raakt nog steeds onder de indruk van Abraham Tuschinski's bijna megalomane streven naar perfectie. Van de kelders tot in het nokje van de vroegere toneeltoren is aan de essentie van het gebouw weinig veranderd. Je wordt nog altijd overdonderd door de bonte muurschilderingen vol wulpse vlindermeisjes, pauwen en paradijsvogels, het tapijt met de Poolse adelaar in de foyer, de grote spin-lamp aan het plafond in de Grote Zaal en de 'Moorse Kamer' met de wegzak-banken en de waterpijp-lurkende mannen op de wand.

Het is te veel om in een keer in je op te nemen: de cocon-vormige lampen in de ruime wandelgangen rond de Grote Zaal, de fontein met de vissekop, de geschilderde duivelskoppen op het plafond, de zijden lampekapjes in de Japanse kamer.

Als Tuschinski een droompaleis moest zijn, dan is het er een van het nachtmerrie-achtige soort, waarin je achtervolgd wordt door telkens andere, bontere beesten. Dat de oprichter enkele uren voor de opening beval de grootste krullen van de koperen lampen bij de entree af te zagen, doet daar niets aan af.

Of Abraham Tuschinski ook echt smaak had, valt te betwijfelen. Hij had de hand in alle ontwerpen van zijn medewerkers en liet zich daarbij leiden door één principe: vol, veel en verrassend. Op de glas-in-lood ramen is nog te zien hoe hij over de schildering heen nep-loden lijnen liet zetten: ongetwijfeld omdat het oorspronkelijke raam hem te rustig was. Tuschinski hield van tierelantijnen. Zelfs het ijzeren brandgordijn dat naar beneden kwam wanneer de projector in de fik zou vliegen (en waarvan de restanten in de nok van de toneeltoren nog te zien zijn) was uitbundig gedecoreerd - want stel dat iemand bij het verlaten van het theater nog een blik achterom zou werpen.

'Originaliteit moet haar stempel op dit werk drukken', zei Tuschinski bij de bouw, en om dat te bereiken mixte hij art deco, Jugendstill, Amsterdamse School en quasi oosters-exotische ornamenten als olifanten en tempeldaken luchtig door elkaar heen, zodat uiteindelijk maar van één stijl te spreken valt: de Tuschinski-stijl.

Gebouw en man zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor Abraham Tuschinski, een jood die in 1904 zijn geboorteland Polen moest ontvluchten vanwege Russische pogroms, stond gastvrijheid voorop. Hij wilde 'oren, ogen en voeten strelen'. Om die reden verordonneerde hij bijvoorbeeld dat er geen uitzicht-belemmerende pilaren in zijn theater mochten komen. Hij liet zwevende balkons ontwerpen, die zeven meter de zaal in steken - en riep daarmee het Tuschinski-spook in leven, dat van zich laat horen als de houten constructie begint te kraken.

Zijn theater, waarvan de bouw vier miljoen gulden kostte, was van iedereen. Voor moeders met kinderen liet hij een crèche inrichten in het damestoilet, compleet met kindermeubilair, hobbelpaard en kinderjuf. De gegoede burgerij kreeg een eigen theater: La Gaîté (thans Tuschinski 2), waar bekende revue-artiesten optraden, onder wie Louis Davids.

Zelfs aan het personeel werd gedacht. De kelder is nu nog gedecoreerd met tegels met filmtape-motief. Het plafond van het kantoortje waar het personeel werd uitbetaald, is rijk versierd. Ook in de catacomben, het technische hart van het gebouw, moest er wat te genieten zijn. Tuschinksi hechtte grote waarde aan de techniek: 'Ik beschouw het decoratieve gedeelte van het theater slechts als de kleeding van een rijk uitgedoste vrouw, maar het elektro-technische als haar ziel', zei hij.

Hij had een vooruitziende blik. Omdat hij wist dat er op elektronisch gebied nog veel zou veranderen, bepaalde hij in 1921 dat de schakelborden negentig centimeter van de muur geplaatst moesten worden, zodat elektriciëns gemakkelijk bij de kabels konden komen. De borden staan er nog precies zo, in de ruime kelder. Evenals de 'dimmachine' uit 1921: een ingenieus apparaat dat de ronde plafondlamp in de foyer afwisselend rood, groen en geel laat kleuren. Het zuchtende en ploffende apparaat staat achter een glaswand: zo had het personeel er het minste last van.

Tuschinski was rijk geworden door zijn gevoel voor dienstverlening. Gevlucht uit Polen, was hij aanvankelijk van plan naar Amerika te gaan. Hij strandde in Rotterdam, waar hij eerst als vestenmaker werkte en later een 'kosjer' pension voor joodse reizigers opende. Hij raakte verslingerd aan film, zegt men, nadat hij in opdracht een goud-bestikt uniform voor een bioscoop-portier had vervaardigd. Zijn eerste bioscoop vestigde hij in een oud zeemanskerkje - het luxe theater Thalia volgde enkele jaren later.

In 1917 kocht hij, samen met zijn zwagers en compagnons Ehrlich en Gerschtanowitz, van de gemeente Amsterdam de 'Duvelshoek': een verzameling krotten tussen de Munt en het Rembrandtplein. Daar zou hij zijn droom, het bioscooptheater Tuschinski, verwezenlijken. Kosten noch moeite werden gespaard. Toen de Amerikaanse leverancier van zijn 'Wurlitzer cinema orgel' liet weten het wonderorgel niet voor de opening te kunnen leveren, zorgde Tuschinski er persoonlijk voor dat de enige Wurlitzer in Europa, die dienst deed in een Brussels theater, binnen drie weken bij hem stond. 'Ik koop uw orgel en u bestelt maar een ander', zei hij tegen de eigenaar. Een aanbod van 50 duizend gulden kon die niet weigeren.

Zijn koppigheid werd Abraham Tuschinski uiteindelijk noodlottig. In september 1940 kwam bioscoop Tuschinski onder Duits toezicht te staan. De directeur werd ontslagen, maar weigerde onder te duiken. 'Ik ben in dit land in goede tijden groot geworden, ik wil in slechte tijden geen deserteur zijn', zei hij. In 1942 werd hij gedeporteerd. In Westerbork ontmoette hij de filmjournaliste Ellen Waller. 'Als dit alles voorbij is', zei hij, wijzend op de kale barakken om hem heen, 'komt u weer bij mij zitten, in de loge van mijn mooie theater'. Abraham Tuschinski zou Auschwitz niet overleven.

In de oorlog liep Tuschinski beter dan ooit - ook al werden in 'Tivoli', zoals het theater toen heette, alleen Duitse musicals en komedies gedraaid. In de jaren vijftig stond het publiek in de rij, 'runners' verkochten met grote winst kaartjes op de zwarte markt. Maar met de komst van de televisie nam de belangstelling af. In de jaren zestig werden orkest en variété afgeschaft. De crèche was al eerder verdwenen. Tuschinski werd aangepast aan de eisen van de tijd. Wat vroeger het toneel was, is nu Riksbioscoop. Het Wurlitzer orgel is weggemoffeld in wat ooit de orkestbak was. Er ligt een doek overheen, tegen de popcorn.

In de VIP-room, ooit de showroom waar nieuwe films werden vertoond voor pers en filmkeuring, staat op de bar de maquette voor het Pathé Multiplex dat met twaalf zalen naast het oude Tuschinski moet verrijzen, boven de huidige Hema. Keurig op elkaar gestapelde, hypermoderne doosjes. In het nieuwe Tuschinski, waarvan de ingang aan de Vijzelstraat komt te liggen, zal niets aan de oude Abraham herinneren.

Maar in de Grote Zaal maakt Tuschinski, ruim vijftig jaar na zijn dood, een voorzichtige come-back. Wie omhoog kijkt, ziet door de bruine, afgebladderde verf, de originele, drukke motieven van 1921 tevoorschijn komen. In de jaren dertig had Tuschinski na kritiek van met name de Filmliga - Menno ter Braak: 'Dit is het grootste, duurste, protserigste theater van Amsterdam' - de Grote Zaal laten overschilderen. Nu schemert het web weer tussen de vier poten van de Spin-lamp. Bij een volgende renovatie zal Pathé Cinemas de zaal mogelijk in oude glorie herstellen.

Zondag verzorgt het Max Tak-orkest in Tuschinsky de begeleiding van De Komieken, een programma met films van Charlie Chaplin en Buster Keaton. Eigentijdse variété-artiest is Theo Joling. Komende maanden zijn er in Tuschinksy ook rondleidingen. Het jubileumprogramma loopt tot eind oktober.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden