Oeh, genant! Vijftien ongemakkelijke momenten van Rutger Lemm

'Hoeveel vrouwen heb ik als begroeting een kopstoot gegeven?'

Een zoen die op een bril belandt. Schrijver Rutger Lemm weet zich in veel situaties geen raad als het niet loopt zoals gepland. 'Awkward', roepen zijn vrienden al snel. Herkenbaar? Vijftien genante situaties.

Foto Johan Kleinjan

1. Het begin van een interactie

Vertraagde aankomst

Ik sta op een pleintje te wachten op een vriendin die ik lang niet heb gezien en ik ben daarom een beetje nerveus. Zodoende scan ik iedere voorbijganger zorgvuldig. Dan zie ik in de verte mijn afspraak aankomen, zij ziet mij ook al, we glimlachen. Maar we hebben elkaar veel te vroeg gezien, we moeten nog lang wachten voor we aan de echte ontmoetingsrituelen kunnen beginnen; ondertussen sta ik hier maar. De vriendin lijkt zich dit ook te realiseren, haar glimlach wordt ongemakkelijker, het lijkt wel of ze in slowmotion naar me toe loopt. Ik kan niet op haar af rennen - ik ben toch verdomme geen matroos in een zwart-witfilm die zijn lief na maanden weer op de kade treft? -, maar ik kan het oogcontact evenmin verbreken, dus deint ze op me af als in een hypnotiserende dans, tot ik me eindelijk kan verstoppen in een iets te stevige omhelzing.

Lelijke flirt

Flirten is leuk en belangrijk, maar we vergeten vaak dat we onszelf niet kunnen zien. Ik speur in het openbaar vaak de gezichten af, omdat ze allemaal zo interessant zijn en uiteraard ook omdat ik mooie ogen zoek. Zodra ik die gevonden heb, probeer ik altijd even contact te maken, om dat kleine vreugdesprongetje in mijn buik te kunnen voelen. Ik ken geen enkele terughoudendheid bij deze gewoonte, anders zou het ook niet werken. Maar soms realiseer ik me tijdens het keuren van de ander opeens dat mijn baard nog vol knoflooksaus zit, of dat ik compleet verregend ben en er onder mijn capuchon uitzie als Freddy Krueger; of ik besef dat ik de felroze koptelefoon van mijn vriendin heb geleend. Dat besef komt vaak vlak nadat het meisje vol afgrijzen haar gezicht heeft afgewend.

Groetchaos

Hoeveel vrouwen heb ik door de jaren heen tijdens een begroeting wel niet een kopstoot gegeven? Het moeten er tientallen zijn. En dan heb ik het nog niet eens over de talloze nekken, neuzen, oorlellen, tanden en oogbollen die ik per ongeluk heb gekust tijdens de tocht naar een tegenovergelegen wang. De verwarring over de kusconventies is - mede dankzij de globalisering - zo groot geworden, dat vrouwen tegenwoordig vaak al het gewenste aantal uitroepen als je naderbij komt, van het moederlijke 'We doen gewoon drie hoor' tot het meer paniekerige 'Eén! Eén!' Arme vrouwen, denk je nu misschien, maar bij mannen is het allemaal niet veel eenvoudiger: ga je voor een handdruk, een bovenhandse handklap, een boks of toch een knuffel, of zelfs voor een combinatie hiervan? Steeds vaker kom ik thuis met een voorhoofd vol lichte schrammen van mijn bebaarde vrienden of eindigt een mannengroet in een gecompliceerde houdgreep van twijfels.

2. De sociale situatie

Serveerschuld

Aangezien ik beschik over veel te veel empathie en door linkse ouders ben opgevoed, heb ik moeite met hiërarchie. In de klant-bedieningverhouding schuilt iets adellijks, alsof de slavernij nooit is afgeschaft. Sommige mensen genieten hiervan, ik word er intens ongemakkelijk van. Ik wil te aardig zijn, gelijkwaardigheid creëren, en daardoor praat ik juist te zacht, glimlach te veel en zijn mijn opdrachten te aarzelend en omslachtig, wat de ober alleen maar irriteert, waardoor hij stiekem in mijn soep zal spugen - vrees ik. Elke scheve verhouding bezorgt mij een schuldgevoel, ik wil het onrecht oplossen, terwijl ik ook wel weet dat we niet zonder scheve verhoudingen kunnen.

Behaagpraat

Hoewel ik graag mag denken dat ik een uniek individu ben, merk ik dat ik me vaak aanpas, uit angst om buiten de sociale boot te vallen of, nog erger, dat het gesprek stilvalt. Sinds ik 30 ben, hoor ik mezelf op feestjes dingen zeggen als: 'Ja, het is mooi wonen daar. Erg mooi wonen.' Jezus. Genant. In voetbalkantines zet ik ook altijd onbewust een plat-Amsterdams accent op: 'Hé pik, doe mij effe een AA'tje.' Waarom? Onlangs was ik bij een tankstation. Toen ik wilde afrekenen, zei de medewerker: 'Een Peugeot 206 CC, die heb ik ook net gekocht.' Ik heb geen idee wat voor type mijn auto is, dus knikte ik vriendelijk. Even later stond ik drop uit te zoeken en verscheen hij weer naast me, om foto's op zijn telefoon te laten zien. 'Prachtig hè, ik kan niet wachten om ermee de wei in te gaan.' 'Ja', zei ik. Het was stil. Toen hoorde ik mezelf zeggen: 'Het is mooi speelgoed hè. Mooi speelgoed.'

Serveerpauze

Het hoeft niet eens een geheim gesprek te zijn, maar zodra de serveerster de borden komt ophalen, valt de conversatie stil. Ik kijk mijn gesprekspartner zwijgend aan, terwijl de serveerster de stukjes servet, die ik neurotisch heb losgescheurd, bij elkaar veegt en ik knik vlug als ze vraagt 'Was alles naar wens?' We helpen haar met de borden. Het duurt eeuwig. Als ze eindelijk weg is, die irritante schat, slaken we tegelijk een zucht van verlichting: 'Goed, waar waren we?' In sommige restaurants zijn ze zo klantvriendelijk, dat ik om de 10 minuten de draad kwijt ben.

Tussenklant

Voor veel situaties bestaan ongeschreven regels: in een winkel ga je in de rij staan, bijvoorbeeld. Maar soms betreed je onbekend terrein, waarvoor geen afspraken zijn. Laatst was ik in het postkantoor om een pakketje te versturen. Nadat ik netjes op mijn beurt had gewacht, bleek dat ik nog een formulier moest invullen. Ik ging dus uit de rij en schreef mijn gegevens op, terwijl ik het pakket tussen mijn buik en de balie geklemd hield. Toen ik klaar was, zocht ik oogcontact met de medewerker, maar die was nu druk met een andere klant. Ik keek naar de rest van de rij, vol nieuwe mensen die me vijandige blikken toewierpen. Ik wilde absoluut niet voordringen - hoewel het geen voordringen was - maar wilde ook zeker niet weer helemaal achter aansluiten. Het was een paradox: ik werd al geholpen, maar in de tussentijd was ik mijn recht op service kwijtgeraakt. Langzaam drong tot me door dat ik opgesloten zat in het vagevuur van het consumentisme: het rijk van de tussenklant.

Recyclevermaak

Als ik geïnspireerd ben door een film, heb gelachen om een YouTubefilmpje of verliefd ben op een liedje, wil ik dat graag met anderen delen. Zo nam ik ooit mijn vrienden mee naar Die Hard 4.0, waarover ik heel enthousiast was. De hele film lang keek ik verwachtingsvol naar hun gezichten, in plaats van naar het scherm voor me. Het was ongemakkelijk voor de anderen, die voelden dat er te veel van hun reactie afhing en het moment niet meer ongedwongen konden ondergaan. Maar ook voor mij, als aanbieder, lukte dat niet, omdat ik te gespannen was - en ergens al wist dat mijn geestdrift nooit helemaal bevestigd zou worden. Vooral de gezichtsuitdrukking met manisch opengesperde ogen en veel korte knikjes ('Hm? Toch? Vet hè? Vet?') is intens. Nog moeilijker is het als een vriend een liedje van zijn eigen band laat horen en je elkaar 4 minuten lang moet aankijken, terwijl hij elke beweging van je gezichtsspieren analyseert.

Lachreactie

In mijn kringen zijn veel grappige mensen. Zodra ik iemand tegenkom op een borrel, beginnen we al snel ironische analyses en opmerkingen uit te wisselen. 'Goed idee, een boekpresentatie om half zes. Als er niet snel hapjes komen, eis ik dat we een arm van de uitgever mogen opeten.' 'Haha, en dan hebben ze ook nog een hamburger op de cover gezet. Why god, why?' 'Haha.' 'Haha.' Soms kom je daar zelfs in vast te zitten en kun je niets anders doen dan elkaar pijlsnel blijven aftroeven met nieuwe spitsvondig-heden. Doodvermoeiend. Als je gespannen bent, lach je bovendien te snel. En op het moment dat we iemand niet verstaan op zo'n gelegenheid, lachen we soms zelfs maar voor de zekerheid. Dat werkt niet altijd: laatst verstond ik iemand niet en zei: 'Sorry wat?', waarop hij zei: 'Haha, inderdaad, haha.'

Foto Johan Kleinjan

3. Het afscheid

De algemene zwaai

Aangezien ik geobsedeerd ben met wat anderen van me vinden, ben ik altijd doodsbang dat mensen denken dat ik onbeleefd of arrogant ben. Bij het vertrek van een feestje hecht ik er daarom aan dat ik iedereen persoonlijk gedag zeg, zodat de achterblijvers niet zullen zeggen: 'Waar is Rutger nu opeens? Is hij naar huis gegaan zonder afscheid te nemen? Wat is het ook een lul.' Mijn vriendin is minder neurotisch en wil gewoon naar huis. Dus los ik dit tegenwoordig op met een soort grote zwaaibeweging, waarmee ik alle aanwezigen probeer te omcirkelen. 'Dag allemaal!', zeg ik en herhaal zwetend mijn kolderieke massagroet, terwijl twee mensen half opkijken uit hun gesprek en een nauwelijks merkbaar knikje geven.

De veeg

Bij het afscheid moeten we weer lichaamscontact maken. Als ik iemand niet goed genoeg ken voor een knuffel of als diegene zijn handen vol heeft, of als we de drie zoenen al hebben gedaan en nu opnieuw afscheid moeten nemen, beroep ik me vaak op het knullige aaitje over de bovenarm. Twee keer snel op en neer: veeg-veeg. Het is lief bedoeld, maar ontoereikend en leidt daardoor vooral tot verwarring en een ongemakkelijk lachje. 'Had ik daar een plukje stof zitten of ben je gewoon autistisch?', lees ik in de blik van de ander. Ik moet bekennen dat ik soms zelfs mijn vriendin een veegje geef.

Afzoenverschijnselen

Als je verliefd bent en net uitgebreid hebt staan zoenen, vallen je verdedigingsmechanismen weg, net zoals na het gebruik van mdma. Het gevolg is dat je de eerstvolgende persoon die je tegenkomt ook wilt zoenen of op z'n minst uitgebreid knuffelen, waarna je er al snel achter komt dat de meeste mensen hier absoluut niet van gediend zijn en je je snel weer, net zoals iedereen, terugtrekt achter je muurtje.

Foto Johan Kleinjan

Zakelijke X-jes

Privé en werk lopen voor veel mensen door elkaar, maar toch kunnen deze werelden niet helemaal met elkaar worden vermengd. Ik beantwoord vaak snel een aantal mails achterelkaar, lekker wegwerken, tik-tik-tik, send-send-send, tot ik me opeens realiseer dat ik net een belangrijke, formele mail heb afgesloten met het veel te intieme 'X Rutger'. Als ik even later een keurig antwoord krijg dat is ondertekend met 'XXX Johanna van der Burg, accountant', voel ik me niet veel beter.

Extra tijd

Ik heb een leuke afspraak met een vriend of een geslaagde kennismaking met een contact gehad, alles is goed gegaan, de drie zoenen, knuffel of handdruk op het eind verliepen zelfs vlekkeloos, ik loop weg met een opgeluchte, kalme glimlach. Maar dan loopt opeens de persoon met wie ik de intimiteit net netjes hebt afgesloten, weer naast me. Onze fietsen blijken naast elkaar te staan. We moeten nog een stukje dezelfde kant op. Geen van beiden rekende op deze extra tijd die we eigenlijk in een prettige eenzaamheid wilden doorbrengen. Het is stil, er wordt wat over en weer gemompeld en bij het tweede afscheid zwaai ik zonder oogcontact te maken, alvorens we ons snel uit de voeten maken.

Meer over