Ode aan het woordenboek; HANS HANSMA MARINUS VERBEELDT NIET, MAAR BENOEMT

TWAALF JAAR werkte Hans Hansma Marinus aan zijn debuut. Een debuut dat meteen maar een hele romancyclus is: Amfitheater, in een nog onbekend aantal delen....

ALEID TRUIJENS

Een druppelvormig plein is geen traditionele roman. Het is geschreven op de wijze van een roman fleuve, een serie associaties met woorden. Woorden uit het Nederlands, het Gronings, het Rapenburgs, het Latijn, het Italiaans en het Spaans. De twee boeken hebben een verschillende hoofdpersoon, in de 'zendbrieven' is dat de schrijver hans die aan zijn cyclus werkt, in de roman het meisje essie. Deze twee hebben niet alleen een afkeer van hoofdletters voor namen gemeen, maar ook de behoefte alles wat ze tegenkomen te benoemen in de juiste klankkleur. Amfitheater is in ieder geval een uitzonderlijk ambitieus project.

Enig verhaal is in de roman wel te ontdekken. Essie is een meisje dat al jong haar moeder verloor. Zij zoekt bescherming op de Groningse herenboerderij van emy en 'de herenboer', die een tijdje op Sicilië ('tsjie-tsjíelia') heeft gewoond en daarom zijn gezin heeft ondergedompeld in de Siciliaanse taal. Papa herenboer heet papávero, naar zijn klaprozen. Essie is verrukt van de eenvoud, schoonheid en wijsheid op de boerderij. Haar tweede leidsman is de filosoof gee, een Spanjaard met wie zij een reis maakt naar Cordoba ('córdova'). Aanleiding is de dood van gee's moeder. Het Andalusische landschap en de rituelen bij de begrafenis maken diepe indruk op essie. Haar herinneringen aan de reis, en aan het gezin van de herenboer, verwoordt zij in brieven aan teresa, gee's zus.

De brieven zijn 'canto's', poëtische stukken proza waarin niet verteld wordt, maar gezegd, gemurmeld, in een langgerekte zingzang met terugkerende woordreeksen, een soort mantra's. Essie, die bij een 'shrink' loopt, verzamelt woorden om haar angsten te bezweren. Zij benoemt de dingen, verzamelt de woorden voor dingen, om ze vervolgens bij de categorieën 'mooi' of 'niet mooi' in te delen. De geur van meidoorn is 'de mooiste bloemengeur die bestaat'; de 'plantage plataanlaan is de mooiste laan van amsterdam'; 'De geur van paarden houdt de meeste en de meest diepe herinneringen vast.' Voor lelijke woorden verzint ze andere. 'Ik heb een hekel aan woorden met lief. (. . .) Ik noem madeliefjes grasmargrietjes, onzelievevrouwebedstro wordt kaneelkruid, en onzelieveheersbeestjes noem ik volkskevertjes.' Soms krijgen we les. 'Jordaan betekent tuin in het amsterdams, dat weet niemand.'

De bedoeling van deze 'poëtische' woordenvloed is waarschijnlijk dat de woorden zelf het werk doen. Dat we bij 'de mooiste bloemengeur' meteen meidoorn ruiken, of dat 'diepe' herinneringen bij een paardengeur vanzelf komen bovendrijven. Maar dat gebeurt niet. Dit proza benoemt, maar verbeeldt niet en roept niets op. Hoe vloeiend de woordreeksen ook mogen klinken, ze bewerkstelligen niets. Nergens wordt deze uitgelezen taal opgetild naar het niveau van poëzie. Tijdens het lezen ervaar je geen schoonheid, maar wordt je ingewreven dat er een hoop schoonheid is.

Het is de vraag waarom anderen die iets soortgelijks probeerden in hun werk, Gorter in zijn sensitieve verzen bijvoorbeeld, of Nicolaas Matsier in zijn recente 'huiselijke' boeken, hun woordenreeksen wel van de grond krijgen. Als Gorter over een meisje zegt 'om u is lichtgedooi', dan maakt hij licht, dan licht hij iemand uit. Matsier roept met zijn lolaborsteltjes en schoenenmandjes een wereld van verloren veiligheid op, niet door het woord 'lolaborsteltje', maar door de liefde waarmee het ding gehanteerd werd.

In het proza van Hansma Marinus staat de obsessie voor woorden op zichzelf. Als essie 'licht verzamelt' dan licht er niets of niemand op. 'Ik verzamel gloeilicht, zonlicht, gaslicht en vuurlicht. Ik verzamel bollen met licht, cilinders met licht en kegels met licht. Ik verzamel het licht van vuur en de glans van het licht van het vuur door het te onthouden, het mooiste licht van vuur verzamel ik in het geheugen.' Dit is geen ode aan de taal, maar aan het woordenboek, aan alle mogelijke woordenboeken in al die prachtige talen. Want taal, daar is zoveel van.

Mooi, mooier, mooist, daar gaat het om. Mooi is de kleur oker, dat daarom 'ooker' heet, mooi is de 'ookeren pastorie' van de fotograaf. Nog mooier wordt het als al dat moois door een kunstenaarshand is aangeraakt. Want 'freek de jonge zegt in de ookeren pastorie te zijn geboren' en laat zich er regelmatig fotograferen, 'samen met hella, zijn vrouw'. Over die 'ookeren pastorie en het ookeren kerkje' heeft niemand minder dan claes oldenburg gezegd 'dat hij de gebouwen als één sculptuur ziet': kunst dus. Zo ook de fotograaf, die meent dat 'veel werk van oldenburg (. . .) ankert in de taal'.

Ook essie is, goddank, tot kunst geridderd. 'De fotograaf' heeft foto's van haar gemaakt. Die foto's, schrijft ze, hebben het beeld van mijzelf veranderd, 'omdat er nu naar mijn gezicht gekeken kan worden, niet omdat het mijn gezicht is, maar omdat het kunst is'. Om dit kunstwerk te voltooien werd frank govers te hulp geroepen, zoals wel vaker in deze roman kunstenaars - de enige personages met een achternaam - ad autoritatem worden opgetrommeld. Govers hulde essie 'in de lichtste kleur van ooker'. 'Je zult je een andaluza in andalucía voelen, heeft gee gezegd, en andaluza klinkt prachtig in de spaanse taal.'

Alles klinkt prachtig in de Spaanse taal. Dat heb je al gauw met een taal die aan 'ookeren' villa's onder strakblauwe luchten doet denken. Dan kun je spreken over 'de dansers en danseressen op het patio de los naránjos, die dansend door de puerta del pérdon naar buiten komen'. Dat klinkt heel goed, en daarom schrijven intellectuelen die een beetje exotisch uit de hoek willen komen zulke dingen ook altijd op ansichtkaarten. In het Italiaans werkt het zo mogelijk nog beter, omdat die taal een nog hoger voordrachtsgehalte heeft. Het eten alleen al: 'Pesto voor de pomidóro, voor de paste, voor de pani, voor de patate, voor de funghi, de carciófoli, de pesci bianchi.' Is het niet prachtig? Het lijkt wel een gedicht.

Als het op beschrijven aankomt, is de taal van Hansma Marinus opvallend clichématig. Een indiaan is iemand 'met verre, heldere geestrijke ogen, met ontbloot bovenlijf, met lange sluike blauwzwarte haren, en banden, hoog om de bovenarm.' Ja, zo ziet een indiaan eruit. De beschrijving van een landschap lijkt uit de eerste de beste reisfolder te komen: 'De sierra morena heeft een mooie naam en is een prachtig, rijk gebergte.' Er zijn 'mooie olijfgaarden in grijs en groen, en de verstenend mooie amandelbomen.' In dat landschap staat een villa. 'De villa en het uitzicht van de villa wedijveren in schoonheid, want dat is het woord.'

Net zo'n soort woord is ontroering. Bij de herdenkingsplechtigheid voor gee's moeder, bezocht door 'prachtig aangeklede, ernstige, warmhartige, betrokken mensen', zingt een koor. 'Het spaanse koor ontroert, zoals een toegewijd koor van mensen altijd ontroert.'

Dit proza geeft alleen maar buitenkant. Er is geen visie, geen gedachtegang. Dat kan, dat was het uitgangspunt van de schrijver.

In het laatste hoofdstuk wordt duidelijk dat we naar een voordracht hebben geluisterd. Naar emy die essie's brieven voordraagt voor publiek 'ondersteund door de muziek van philip glass', emy met wie het treurig zou aflopen, zodat essie's brieven een 'elégia' voor emy zijn. Een 'incantatie' noemt henk van os - met achternaam - het gezang, dus was het een incantatie. En niet alleen henk van os was erbij, nee, het neusje van de kunstwereld rukte uit voor deze culturele gebeurtenis van de eerste orde. Ook claes oldenburg was er, 'met een schetsboek dat hij notebook noemt', 'en albert waalkens, die dennis oppenheim heeft meegebracht, en frans haks, met een vriend', en met 'films van bruce nauman en ger van elk, van bas jan ader en michael snow'. En niet te vergeten wim beeren, 'die is er ook'.

Hans Hansma Marinus strooit met codes die wijzen op een buitenkant die 'mooi' is. Het mooi voor smaakvolle mensen, die reizen naar de juiste gebieden, de juiste dingen lekker vinden, in de juiste kennissenkring verkeren en van de juiste kunst houden. Mensen die aan mooi een dagtaak hebben. Die een muur hebben opgetrokken rond het zuurstofarme gebied waarin zij opereren, waarmee zorgvuldig het leven buiten de grenzen van de goede smaak wordt geweerd.

Binnen dat gebied wandelt de hoofdpersoon hans uit de zendbrieven, het tweede boek in deze imponerende cassette. Hans wandelt meestal door de Amsterdamse binnenstad, vaak met ireen, zijn vriendin, en doet daarvan verslag aan vrienden. Ireen woont daar, hans niet; hans kan niet wonen, want hij is een zwerver. 'Ciao vagabóndo!, roept ireen tegen hem als ze door de utrechtsestraat loopt om bij fred en jolanda (zonder achternaam) olijfolie te kopen, net zoals andere leuke luitjes als frans haks en zijn vriend. Hans heeft 'een latijnse ziel', hij stamelt dikwijls 'ik heb veel gezworven'. Soms maakt hij een praatje met een leuke Amsterdamse zeeman die 'kaak, jochie' en 'schraaf je?' zegt.

We weten nu wat Hans Hansma Marinus (hans hansma marinus, wiens geboorte heuglijkerwijs, zo lezen we op de omslag, 'samenvalt met het uitbreken van de vrede') allemaal mooi en prachtig vindt. Maar we weten nog lang niet alles. Er staan ons nog vele delen te wachten.

Aleid Truijens

Hans Hansma Marinus: Amfitheater. Een druppelvormig plein & Gezelletijd - Amsterdamse zendbrieven.

Querido; twee delen in cassette, 232 pagina's en 136 pagina's; ¿ 65,-.

ISBN 90 214 6591 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden