'O! Wat een compleet exemplaar van wel sterven'

Na de Beeldenstorm van 1566 leek de rol van de heiligen binnen het protestantisme uitgespeeld. Overal in het land drongen woedende menigten de katholieke kerken binnen en vernielden een onvoorstelb are hoeveelheid heiligenbeelden, relieken en andere voorwerpen van religieuze verering....

Gert J. Peelen

Meer dan een daad van verzet tegen de sociale en politieke onderdrukking vanuit Spanje was deze explosie van geweld dan ook vooral ingegeven door religieuze motieven. Aangestoken door het reformatorische vuur gaf de meute onbezonnen uiting aan een breed gevoelde weerzin tegen de 'paapse afgoderij' met haar hele santenkraam; een woord waarin letterlijk de draak wordt gestoken met de poppenkast die de katholieke heiligenverering in protestantse ogen was en is: 'sant', net als 'sint' afgeleid van het Latijnse sanctus, betekent 'heilige'.

De Beeldenstorm zou de definitieve breuk zijn geweest tussen het ontluikende protestantisme en zijn katholieke voorgeschiedenis, zo is steeds voetstoots aangenomen. Heiligen en de onlosmakelijk met hun levensverhalen verbonden, miraculeuze wederwaardigheden waren vormen van katholiek bijgeloof, waaraan het protestantisme een eind maakte, aldus de vaderlandse geschiedschrijving. Dit historisch gewaarmerkte beeld van die breuk moet worden bijgesteld, aldus de kerkhistoricus John Exalto in een studie overe gereformeerde heiligen.

De term alleen al zal de ware protestant als een vloek in de oren klinken. 'Stelt op mensen geen vertrouwen' en 'alleen Gode zij eer', zijn de allesbepalende uitgangspunten in de reformatorische geloofsopvatting. En heiligen zijn tenslotte ook maar mensen. Mochten zij zich al voorbeeldig hebben gedragen, dan is het toch altijd nog uitsluitend dankzij Gods genade dat zij een godvruchtig en opofferingsgezind leven hebben kunnen leiden. Geen mens is heilig of verdient het om vereerd, bewierookt, laat staan aanbeden te worden.

Desondanks heeft het Nederlandse protestantisme de heiligentraditie van voor de Reformatie voortgezet, zij het in een aangepaste vorm en met gebruikmaking van een andere terminologie, meent Exalto, die voor deze stelling goede argumenten aandraagt in een prikkelende, in een heldere en toegankelijk stijl geschreven dissertatie, waarop hij vorige week woensdag promoveerde.

Heiligen waren er sinds het ontstaan van het christendom. In het begin was zelfs iedereen het die behoorde tot de 'gemeenschap der heiligen', zoals de vroeg-christelijke kerk zichzelf noemde. Een verbijzondering trad pas op in de loop van de 6de eeuw. Alleen wie in ethisch opzicht volmaakt werd geacht, mocht voortaan nog heilig heten.

De verering van deze heiligen kwam op nadat de eerste martelaren het leven hadden gelaten. Zij waren immers bereid geweest te sterven voor hun geloof. Goede tweeden om voor een behandeling als heilige in aanmerking te komen waren de 'getuigen': gelovigen die weliswaar niet de martelaarsdood gestorven waren, maar die wel bij hun leven doelbewust een traject van versterving hadden verkozen, met behulp van ascese, wereldverachting en seksuele onthouding.

Precies dezelfde maatstaven golden voor de gereformeerde heiligen van na de Reformatie. Aan martelaren had het jonge protestantisme dankzij de Inquisitie en haar felle ketterjacht geen gebrek. En na de definitieve overwinning op het katholieke Spanje voegden zich ook de 'getuigen' al snel in de gelederen der heiligen. Zo kwamen predikheren en excentrieke vromen in aanmerking voor een heiligverklaring. Maar ook jonggestorven kinderen, die er op hun sterfbed met vrome taal blijk van hadden gegeven zich ondanks hun droevig lot te schikken in Gods wil, maakten een kans.

Gezamenlijk strekten zij de nabestaanden en andere gelovigen tot een lichtend voorbeeld en belichaamden zij als het ware de normen en waarden van hun tijd. Hun deugden werden exemplarisch, in die zin dat ook de qua zelfverloochening minder bedeelde stervelingen er zonder al te veel frustratie een voorbeeld aan konden nemen.

Het enige, maar belangrijke verschil met de katholieke heiligentraditie was het breken met de gebruikelijke aanbidding van heiligen en de voorspraakfunctie die hun in het verlengde daarvan werd toebedacht. Het werd in het protestantisme uit den boze geacht om tot heiligen te bidden en zo, via hun bemiddeling, iets van God gedaan proberen te krijgen. De enige voorspraak in de hemel was Christus, en heiligen konden en mochten daar in geen geval tussen komen.

Exalto voert tal van gereformeerde heiligen op en beschrijft hun leven en de achtergronden van hun heiligverklaring. Zoals Jodocus van Lodestein (1620-1677), boeteprediker, celibatair asceet en mysticus, die al tijdens zijn leven de allure van een oudtestamentische profeet had. Ook het verhaal van de excentrieke heremiet Jacob Jansz. Graswinckel (1536-1624), die leefde op droog brood en karnemelk en des avonds voor het slapen gaan zijn vlees tuchtigde, spreekt tot de verbeelding .

Tegelijk laat Exalto zien dat beider 'exempel' niet nieuw was en sterke overeenkomsten vertoonde met de nog voluit katholieke, laat-middeleeuwse criteria voor ethische volmaaktheid.

De bekendste gereformeerde heilige is evenwel Willem de Zwijger, de vader des vaderlands. Zijn leiding in de strijd tegen de Spaanse overheersers bracht de protestanten uiteindelijk de overwinning. Dat hij daarbij zelf voortijdig het leven liet, versterkte de geur van heiligheid die hem toch al omgaf .

De heiligheid van Willem de Zwijger is de basis van de in reformatische kring in ere gehouden drieslag 'God, Nederland en Oranje', die weer een verklaring vormt voor het typisch protestantse gedweep met het koningshuis.

Dat bij de heiligverklaring van Willem van Oranje de overlevering niet steeds door de historische feiten onderbouwd kon worden, was blijkbaar geen beletsel. Tamelijk essentieel was namelijk de vrome volzin die hij in het Frans zou hebben uitgesproken voor hij in 1584, getroffen door de kogel van huurmoordenaar Bal thasar Gerards, dood ter aarde stortte. 'Mijn God, heb medelij met mij en met dit arme volk' is een hele mond vol voor iemand wiens hart zojuist doorboord is.

Dit voorbeeld maakt echter duidelijk dat niet alleen het volmaakte leven maar vooral ook het perfecte sterven doorslaggevend was voor iemands heiligverklaring. Het uitblazen van de laatste adem, bij voorkeur na een langdurig maar moedig en zonder klagen gedragen lijden, werd door aspirant-heiligen bijna tot een kunst verheven. In de doodsstrijd - beter nog in de afwezigheid daarvan - leerde men de ware heilige kennen.

Helse pijnen gecombineerd met stichtelijk uitspraken omtrent Gods goedheid hadden de voorkeur, opdat de nabestaanden, net als dominee Abraham Hellenbroek bij het heengaan van zijn collega Brakel, konden verzuchten: 'O! Wat een compleet exemplaar van wel sterven.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden