O ja, u kunt gerust weglopen

Dat Jérome Bel (1964) ooit een succesvol danser was zie je aan zijn voorstellingen niet af. Die beginnen bij duisternis en stilte....

IN HET pikkedonker naar muziek luisteren. Volumeknop op tien, en dan maar staren naar de lichtjes van de geluidsinstallatie. Wie dat sinds z'n puberteit niet meer heeft gedaan, kan binnenkort naar de nieuwste voorstelling van Jérome Bel. Midden in The Show Must Go On, zoals deze voorstelling waarschijnlijk gaat heten, doven de theaterlampen. Het publiek ontwaart eerst nog de bezige handen van de geluidsman, die vóór op het podium John Lennons Imagine opzet. Dan klikt hij z'n zaklamp uit en is er het hele nummer lang niets anders te zien dan de groen oplichtende cijfers op de cd-speler. 'Imagine there's no heaven. . . it isn't hard to do. . .'

Eindelijk een gelegenheid om eens werkelijk te luisteren naar John Lennons song. Eindelijk een theatermaker die toegeeft dat je aan zo'n meesterwerk niets moet toevoegen. Hoewel. . . Binnen de context van Bels voorstelling krijgt Lennons hartekreet een onverwacht komische bijbetekenis. Turend naar een leeg en stikdonker podium is het inderdaad niet moeilijk je voor te stellen dat er geen hemel is en geen oorlog. Het is alsof Lennon zich beklaagt over het ontbreken van een decor, van spelers in actie. Dit is wel érg minimaal theater. Zeker als de geluidsman - nog altijd in het donker - Simon & Garfunkels The Sound of Silence opzet, en in een letterlijke opvatting van de titel het geluid wegdraait. Stilte, leegte en donkerte, dat is waar voor Jérome Bel het theater begint.

De Rotterdamse Schouwburg presenteert de komende week een retrospectief van het kleine maar zeer consequente oeuvre dat de Fransman de afgelopen zes jaar heeft opgebouwd. Vier korte voorstellingen die los van elkaar al meerdere keren in ons land te zien zijn geweest. Het stugge, kale en trage theater heeft al menige festivalbezoeker geïrriteerd doen opstappen. Daar kijkt Bel niet echt van op. 'O ja, u kunt gerust weglopen', voegde hij eind december gauw nog even toe aan zijn schutterige inleiding op de werkversie van The Show Must Go On, gemaakt in het Amsterdamse Gasthuis. Wat hem blijft verbazen is dat er zoveel mensen blijven zitten. Dat hij er in slaagt een groeiend publiek te hypnotiseren met zijn simpele maar theatrale uiteenzettingen.

In zijn voorstellingen wordt nauwelijks gesproken, en toch gaan ze over taal. In The Show Must Go On bouwt Bel een verhaal op met popklassiekers die stuk voor stuk helemaal worden gedraaid. Per nummer is er maar één gebeurtenis op het podium, gebaseerd op de titel van de song. Bij het juichende Let the light in uit de musical Hair gaat het theaterlicht voor het eerst aan. Op Come Together van de Beatles verzamelen de spelers zich op het podium.

Kreten op T-shirts vormen het uitgangspunt van Shirtologie, de bijzondere jongerenvoorstelling die Bel twee jaar geleden voor het Belgische Victoria-festival maakte. Twintig jongeren communiceren in deze vertraagde modeshow via het drukwerk op hun kleding over angsten, verlangens en idolen. Zo laten ze hun T-shirts met elkaar 'praten' in een slow-dans met wisselende partners, waarbij de uitroepen en afbeeldingen op hun ronddraaiende ruggen een verhaal spinnen omtrent de zelfmoord van popgroep Nirvana's zanger Kurt Cobain. Een meisje met Madonna's gezicht op haar rug slowt met een jongen die het woord 'Jesus' draagt. Deze Jezus danst vervolgens met een engel, beeldmerk van Nirvana; Jezus met het woord 'Boss' en Nirvana met de tekst 'The perfect weapon'. Nike's reclamekreet Just do it mengt zich in de rondedans en verandert van een positieve boodschap in een oproep tot zelfmoord. En met teksten als 'S.O.S', 'Ik geef bloed' en 'This body is in danger' laten de jongeren de zelfmoordenaar nog even dramatisch tussen leven en dood balanceren.

Net als bij de popsongs uit The Show Must Go On ga je als publiek vertrouwde kreten en iconen uit de massamedia ineens anders 'lezen'. Alsof ze allemaal hetzelfde oer-verhaal vertellen over de menselijke afkomst en zijn bestemming. De stelling van de Franse filosofen dat de taal zichzelf spreekt en de mens slechts een doorgeefluik is, wordt hier concreet verbeeld. De kreten op de T-shirts communiceren 'over de ruggen' van de jongeren. Maar de jongeren gebruiken diezelfde kreten óók om hun eigen identiteit uit te dragen, en ze bevestigen hun individuele keuzevrijheid in de verrassende her-combinaties.

De constructie van de eigen identiteit, daarover gaat ook Jérome Bel, de voorstelling die Bel in 1995 maakte. Twee van de vier spiernaakte mensen op het kale toneel presenteren zichzelf onder een andere naam. De vrouw die zich Thomas Edison noemt, fungeert de hele voorstelling als 'het licht': ze beschijnt met een lichtpeertje de anderen. Mevrouw Igor Stravinsky doet niets anders dan de Sacre du Printemps neuriën. De twee andere spelers geven zich veel meer bloot. Ze schrijven hun eigen naam, lichaamsmaten, banksaldo en telefoonnummer op een schoolbord, en tonen onbeschaamd hun naakte lichaam, inzoomend op details als vlekjes en de structuur van de beharing. Met die strikt persoonlijke kenmerken worden speelse taferelen gecreëerd. Met lippenstift wijst de vrouw op de rug van de man het sterrenbeeld de Grote Beer aan - zijn intiemste vlekjes blijken onderdeel van een kosmische ordening.

In Le dernier spectacle (1999) worden de imago's van een handvol persoonlijkheden ontleed en gemixed. Jérome Bel presenteert zichzelf aanvankelijk als tennisheld André Agassi. Zijn vaste medespeler Frédéric Seguette speelt. . . Jérome Bel. Een letterlijke verbeelding van Lacans identiteitsopvatting 'je est un autre'. Het is de eerste voorstelling van de 36-jarige Bel waar je zijn verleden als veelgevraagd en succesvol danser aan kunt aflezen. Een van de nagebootste beroemdheden is namelijk de moderne danser/choreografe Susanne Linke, uit wiens werk Bel hier uitgebreid citeert.

Maar geen van Bels vooraanstaande voormalige werkgevers lijkt ook maar een spoortje te hebben nagelaten. Het aardse expressionisme van dansgroep L'Esquisse, de elastieken cartoons van Daniël Larrieu en het kleurrijke formalisme van Angelin Preljocaj - al die beweeglijkheid heeft plaatsgemaakt voor een arte povera-achtige kaalslag en een hallucinerende traagheid. Dit is geen Franse dans. Dit lijkt meer op de allereerste performances van Jan Fabre.

In The Show Must Go On mag alleen gedanst worden als de popsong dat voorschrijft. Tijdens het refrein van Bowie's Let's Dance bijvoorbeeld. De zestien jonge spelers die in het Amsterdamse Gasthuis meewerkten aan Bels nieuwste voorstelling, konden pas op het feestje na de première hun energie kwijt. Stilstaan, kijken en luisteren, daar kwam het voornamelijk op neer. Aanwezig zijn. Of er helemáál niet zijn, want een flink deel van de tijd brachten de spelers door in de kleedkamers, terwijl het publiek zoiets elementairs beleefde als de intrede van het donker of van het licht.

Op het 'hoogtepunt' van zijn carrière in de dans, toen hij in 1992 samen met Philippe Découflé de opening van de Olympische Winterspelen in Albertville choreografeerde, verwisselde Jérome Bel de beweging voor de stilstand. Hij wist ineens niet meer waarom hij eigenlijk danste. Voelde zich totaal vervreemd van zijn eigen, succesvol opererende lichaam. Een jaar lang voedde hij zijn leeggelopen hoofd met de woorden van Franse filosofen. En bestudeerde intussen zijn lichaam 'zoals een etimoloog een insect bekijkt'. Bels eerste eigen voorstelling Nom donné par l'auteur was een fascinerend objecten-gedicht, waarbij het menselijk lichaam met dezelfde blik wordt bekeken als de verzameling dagelijkse spullen die de twee spelers steeds opnieuw rangschikken.

Het retrospectief in Rotterdam is te beschouwen als een herovering van de dans, niet alleen door het lichaam, óók door het denkende hoofd. Steeds als het lichaam zich wil verliezen in de roes van de beweging, bevriest het in een pose die de toeschouwer dwingt na te denken over wat hij ziet en ervaart. Dit minimalisme sorteert een maximaal effect. Ondanks de nadruk op stilstand is The Show Must Go On - de voorstelling die binnenkort in een definitieve versie uitkomt bij de Berlijnse Schaubühne - een spetterend, sexy spektakel.

Tijdens George Michaels swingende nummer I want your sex doen de spelers niets anders dan op een rij de toeschouwers recht in de ogen te kijken. En tussen de ogen van jou en van de ander ontstaat een electriciteit waarmee Thomas Edison een hele voorstelling kan belichten. Wie vanuit het donkere niets het licht heeft zien komen en de entree van de spelers heeft ervaren als de verschijning van de eerste mensen op aarde, wordt bij dat intense en langdurige oogcontact als door de bliksem getroffen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden