Nuance ontbreekt in Goudstikker Chronology

In de 'Goudstikker Chronology' die een Amerikaans lobbybureau namens Nederland verspreidt, zijn belangrijke nuanceringen weggelaten met betrekking tot de claim op de in de oorlog aan de Duitsers verkochte kunst....

Van onze verslaggeefster

Lucette ter Borg

AMSTERDAM

Marei von Saher, dochter van Desi Goudstikker en tweede man Edo von Saher, heeft in januari 1998 een claim ingediend bij de Nederlandse overheid om alle zogenoemde Goudstikker-kunstvoorwerpen terug te krijgen. Deze claim is in maart 1998 door toenmalig staatssecretaris A. Nuis van Cultuur afgewezen. Hiertegen is de erfgename Goudstikker, samen met haar advocaten in Nederland en Washington, in beroep gegaan. De zaak dient op 19 april voor de Haagse rechtbank.

De door de Nederlandse overheid in de Verenigde Staten verspreide 'Goudstikker Chronology' bevat 19 punten en bestrijkt de periode vanaf het moment dat Jacques Goudstikker in 1919 in de kunsthandel van zijn vader kwam werken, tot aan de schikking die de weduwe van Goudstikker in 1952 met de Nederlandse overheid aanging, en de constatering nu, dat die schikking, 'bijna 50 jaar later, weinig voordelig voor de familie is geweest, maar dat het de keuze van de familie in 1952 was, na langdurige overweging en uitstekend advies van advocaten.'

Hieronder volgt een deel van de door de Nederlandse overheid in de VS verspreide verklaring inzake de affaire-Goudstikker, met daarachter de belangrijkste weggelaten nuanceringen.

De Nederlandse overheid stelt (via het lobbybureau Hill & Knowlton):

- 'Aangezien (Jacques) Goudstikker (op 14 mei 1940) Amsterdam verliet zonder iemand als zaakwaarnemer aan te stellen, namen twee medewerkers van de kunsthandel, Jan Dik en A.A. Ten Broek, na Goudstikkers dood (op 16 mei 1940) het bestuur van de firma op zich. Op 3 juni 1940 werd er een algemene aandeelhoudersvergadering afgekondigd, waar Goudstikkers moeder bij aanwezig was. Ten Broek werd benoemd als directeur van Goudstikker NV.'

Hierbij is onvermeld dat op die dag ook de verkoop wordt beklonken van de kunsthandel, de onroerende goederen - de landhuizen Ookmeer, Nijenrode en het pand aan de Amsterdamse Herengracht - en een aantal kunstwerken waaronder 334 schilderijen aan Miedl. Prijs: 550 duizend gulden. Ook wordt besloten tot de verkoop van de 779 beste schilderijen aan Goering, voor 2 miljoen gulden.

Volgens het toenmalige Wetboek van Koophandel was deze aandeelhoudersvergadering onwettig. Bovendien had de Nederlandse regering in ballingschap al vanaf 24 mei 1940 via de wetsbesluiten A1 en A6 bepaald dat handel met de vijand verboden was.

- 'Ongeveer 5 weken na Ten Broeks benoeming als directeur van de kunsthandel werden vrijwel alle eigendommen van de kunsthandel overgedragen aan twee Duitsers - Alois Miedl en Rijksmaarschalk Hermann Goering, nummer twee in de nazi-hiërarchie. Toen Ten Broek ondervraagd werd na de oorlog, legde hij uit waarom hij zaken met Miedl had gedaan. De kunsthandel was joods eigendom, en men was beducht voor confiscatie. Door vrijwillig te verkopen, wilde men problemen voorkomen en een aanzienlijk bedrag voor de erven van Goudstikker veilig stellen. Een andere reden waarom tot verkoop was overgegaan was, volgens Ten Broek, de slechte financiële situatie van de kunsthandel en het feit dat een behoorlijke som werd geboden (Ten Broek ontving een behoorlijke bonus). Desi Goudstikker (de weduwe van Jacques) weigerde haar goedkeuring aan de verkoop te geven.'

De Nederlandse overheid handhaaft het al door Adriaan Venema in zijn boek Kunsthandel in Nederland 1940-1945 uit 1986 en door diverse andere onderzoekers ontkrachte standpunt, dat Goudstikkers kunsthandel in het begin van 1940 in financiële problemen verkeerde. Goudstikkers onroerende goederen waren vrij van hypotheek en er waren geen belastingschulden. Venema spreekt van 'de overval' op de firma Goudstikker en de plundering daarvan in de oorlogsjaren door Goering en Miedl. Gerard Aalders, van het Instituut voor Oorlogsdocumentatie, noemde vorig jaar de verkoop van kunsthandel aan Miedl en Goering 'illegaal'.

Desi Goudstikker weigerde niet alleen, passief, haar goedkeuring aan de verkoop te geven, ze heeft zich er ook actief tegen verzet, blijkt uit telegrammen.

Uit de verslagen die zijn opgetekend tijdens de Neurenberger processen blijkt bovendien dat Goering wel wist dat hij de collectie Goudstikker, waaronder beroemde zeventiende-eeuwse meesters, voor een koopje had. In verhoren schat hij de waarde op 6 miljoen gulden, en stelt: 'Wie onder dwang van de omstandigheden moet verkopen, neemt natuurlijk met minder genoegen'.

De Stichting Nederlandsch Kunstbezit, die na de oorlog voor de overheid 'oorlogskunst' uit Duitsland en Oostenrijk recupereerde, deed voorkomen alsof de Goering-schilderijen van middelmatige waarde waren. Op basis daarvan en op basis van de adviezen van haar advocaten zag Desi Goudstikker af van een claim op deze schilderijen, en sloot ze in 1952 een schikking met de overheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden