Nu ook gedoogbeleid voor doping in de sport?

Jaren geleden was huisarts Karsten de enige die meende dat dopinggebruik, mits onder toezicht, mogelijk moest zijn. Karsten staat niet langer alleen, Jan Aghina, voorzitter van de Vereniging voor Sportgeneeskunde, pleit voor een 'gedoogbeleid'....

LUDO VAN KLOOSTER

door Ludo van Klooster

EEN gedoogbeleid voor doping is volgens de voorzitter van de Vereniging voor Sportgeneeskunde, dr. Jan Aghina, bespreekbaar. 'We moeten de dopingproblematiek helemaal opnieuw bekijken. En een gedoogbeleid past wellicht in een nieuwe richtlijn voor artsen inzake dopingbeleid.'

Sportarts Jan Aghina kwam tot zijn opmerkelijke conclusie tijdens een rondetafelconferentie georganiseerd door de Vereniging voor Sportgeneeskunde met als thema 'zin en onzin van de dopingproblematiek'.

Opmerkelijk is de zienswijze van Aghina vooral omdat de huidige Nederlandse richtlijn voor artsen zegt dat er geen dopinggeduide middelen door artsen mogen worden voorgeschreven.

De Limburgse sportarts W. Sanders werd om die reden deze week voor de tuchtcommissie gedaagd. Hij zou zich bij de begeleiding van wielrenners niet aan de richtlijnen hebben gehouden.

Jaren geleden werd het standpunt van Aghina vertolkt door de Haarlemse huisarts Karsten. De laatste heeft altijd beweerd dat de controle op de gezondheid van de sporter beter te beheersen is door - na verantwoorde voorlichting en gesprekken over alternatieven - de middelen vrij te geven. De kans is groot dat de sporter ze anders volgens Karsten elders gaat halen; in dat geval is er helemaal geen sprake meer van controle of deskundige begeleiding. Sinds de invoering van de richtlijn voor artsen heeft Karsten zich aan de gedragslijn geconformeerd.

In al zijn helderheid zal het evenwel nog lang duren eer Aghina zijn vereniging over de streep heeft getrokken. Vooral professor Mosterd, zo ongeveer de grondlegger van de sportgeneeskunde in Nederland, reageerde zaterdag ongemeen fel op de uitspraken van Aghina. Hij benadrukte dat de voorzitter slechts op persoonlijke titel kon spreken. Het is volgens hem uitgesloten dat er op dit punt snel consensus zal komen. Een collega voegde er aan toe dat Nederland zich met zo'n visie internationaal net zo zal isoleren als met het huidige gedoogbeleid inzake het drugbeleid.

De aanwezige geleerden en politici kwamen tot hun uitspraken na een laatste vertoning van het toneelstuk 'De Kampioenenkweek', geschreven en geregisseerd door Paul Feld. Hij nam het waargebeurde verhaal van de carrière en de dood van de Duitse zevenkampster Birgit Dressel te baat om zijn onbeantwoorde vraag naar buiten te brengen, waarom in de normale maatschappij wel alle kunstmest en pilletjes tot prestatieverbetering zijn geaccepteerd, maar in de sportwereld niet.

Om die vraag tot een oplossing te brengen, moet de doping allereerst uit de taboesfeer worden gehaald. 'De sloten moeten van de monden van de sporters', liet hij zaterdag weten.

In het toneelstuk kwamen alle facetten van de dopingproblematiek op leuke, pakkende en goed gespeelde wijze aan de orde. Van de vaak grote naïviteit van de sporter tot de invloed en belangen van de commercie en de relatie met de door 'kunstmest' opgefokte maatschappij. De huisarts in het toneelstuk had volgens sommigen veel weg van de Limburgse huisarts Sanders (toeval of niet?) en de ambitieuze en zelfgenoegzame trainer heette Louis (geen toeval).

In de discussie na afloop bleek snel de aan de gang zijnde mentaliteitsverandering. Alle klassieke bestrijdingsargumenten als concurrentievervalsing en gezondheidsbescherming werden, met uitzondering van de enige sporter in het gezelschap (schaatser Erben Wennemars), door niemand meer relevant geacht. Sport is van nature niet eerlijk en topsport is geen gezondheidskuur (citaat van de omstreden Italiaanse wielerarts Michele Ferrari) was zaterdag de vrijwel unaniem aanvaarde mening.

Maar evenzeer was men van mening dat goede voorlichting en controle belangrijk blijven. Dat zijn de afgesproken spelregels, die nageleefd moeten worden. Aghina zei daarover dat die regels dan wel controleerbaar moeten zijn. 'Er is regelgeving. Zorg allereerst dat die te handhaven is. Dat betekent dat een heleboel middelen die niet te controleren zijn, van de lijst af moeten.'

Een aantal middelen van de lijst zal niemand erg vinden. Om te beginnen met niet-prestatieverhogende middelen. De Italiaanse wielrenner Franco Ballerini beklaagde zich enkele weken in deze krant nog dat zijn zoontje van vijf bij een verkoudheid wel efedrine kreeg voorgeschreven en dat zijn vader het niet kon nemen omdat hij wielrenner was. 'En je rijdt er echt niet harder van, hoor.'

Maar ook voor wel prestatieverhogende middelen lijkt de inschikkelijkheid groter te worden, al is het soms enkel uit onmacht of ander onduidelijk belang. 'Het is toch hypocriet dat bodybuilding waarvan iedereen weet dat, voorzichtig geschat, 99,9 procent van de topbeoefenaren gebruikt, wordt toegelaten als olympische sport in Sydney', stelde Karsten zaterdag.

De onmacht om een middel aan te tonen staat centraal bij de bestrijding van het in duursporten gebruikte eiwithormoon epo. epo bevordert de aanmaak van rode bloedlichaampjes met als gevolg een potentieel hoger zuurstoftransport. In onderzoek is aangetoond dat gebruik van epo het prestatievermogen van duursporters verhoogt.

Het probleem is dat bij controle nog niet op een snelle wijze een duidelijk onderscheid gemaakt kan worden tussen van buitenaf toegediend hormoon en het door het lichaam zelf aangemaakte. (Sommigen zeggen overigens dat het alleen komt doordat er te weinig geld in het onderzoek wordt gestopt.)

Om het gebruik van epo in te dammen is in de wielrennerij de hematocriettest aanvaard, waardoor renners met te veel rode bloedlichaampjes om gezondheidsredenen worden uitgeloten van wedstrijden. Teveel rode bloedlichaampjes geven te dik bloed, hetgeen de kans op trombose en infarcten vergroot. De mate van de stroperigheid van het bloed wordt gemeten met de hematocriettest, die vorig jaar op instigatie van de Italiaanse wielerartsen en met instemming van alle wielrenners is ingevoerd.

Een dergelijke test is in wezen een eerste vorm van het gedoogbeleid dat Aghina zaterdag bepeitte (zonder overigens dit voorbeeld te noemen). En het ijkpunt blijft de gezondheid van de atleet. Een renner die een 'bloeddikte' van 46 heeft (het gemiddelde van een gezond mens), terwijl 50 op grond van gezondheidsoverwegingen is toegestaan, heeft als het ware permissie om zijn epo aan te vullen. Voor een dergelijk gedoogbeleid zouden volgens Karsten onafhankelijke sportartsen ter beschikking moeten staan. 'Zogenaamde vertrouwensartsen, die kennis van zaken hebben. Een kleine groep van hooguit twintig komt in aanmerking. Bij die artsen kan de sporter op eigen initiatief aankloppen.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden