'Nooit zullen jullie naar zee gaan'

NA ZIJN STUDIE is Jean Dézert ambtenaar geworden. Dagelijks gaat hij naar het ministerie van Welzijnsbevordering (afdeling materiële voorzieningen). Hij verveelt er zich kapot....

Zeker, Jean Dézert vat 'm.

Zulk gevat Opperlands - 'Wat een fantasie!' reageert hij ironisch - is aan hem wel besteed, al is het maar omdat er in de burelen waar hij gedwongen is te vertoeven, niets, helemaal niets gebeurt. Jean Dézert leert er maar één ding, de kunst van het wachten. Als ambtenaar wacht hij op bevordering, en als hij gepensioneerd is, zal hij wachten op zijn dood. Het leven is voor hem een wachtkamer. Hij wacht er op de trein die misschien nooit zal komen, en eigenlijk kijkt Jean Dézert er niet eens naar uit.

Alleen de zondagen bieden hem troost.

De kantoortuin, of hoe dat toen heette, we hebben het over de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog, neemt in deze kleine roman, die uiteraard niet voor niets De zondagen van Jean Dézert heet, aanzienlijk minder plaats in dan het avontuur waaraan Jean Dézert zich op de vrije zondag overgeeft. Dan zwerft hij door de stad.

Passief en lui als hij is, kan hij des zondags - net als Kortjakje - niet stuk. Dan gaat hij van de ene attractie naar de andere. Min of meer planmatig. Met behulp van reclamefolders die hem op straat in de hand worden gedrukt en die hij verzamelt, richt hij zijn schreden nu eens naar een massage-instituut, waar hij door blinden zal worden behandeld, dan weer naar een (quasi-Nederlandse) waarzegster die hem akelige dingen voorspelt, of (weer een heel andere sensatie!) een vegetarisch eethuis, waar men hem leert zich streng te houden aan de zorgvuldig berekende hoeveelheid calorieën.

Wat de schrijver - waarover straks meer, hij is een verhaal apart - aldus bewerkstelligt, is velerlei.

In de eerste plaats geeft hij ons, bijna honderd jaar later, een vrij goed beeld van het oude Parijs aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. In de tweede plaats laat hij ons zien hoe troosteloos leeg het leven, zelfs in Parijs!, ook toen al was. De sfeer wordt bepaald door de verwisselbaarheid, de anonimiteit van de figuur Dézert, die in het (bijna) tijdloze decor van de grote stad, in heel zijn onopvallendheid uitgroeit tot een Elckerlyc, het typerende 'meneertje' uit de twintigste-eeuwse literatuur, zoals vertaalster Mirjam de Veth hem in haar nawoord omschrijft.

Maar hoe onbeduidend en doorsnee dit 'meneertje' ook mag zijn, hij legt wel de vinger op een paar gevoelige plekken in ons gemeenschappelijke leven, die in de loop van de eeuw steeds meer zouden gaan schrijnen. We zien als het ware achteloos geboekstaafd - waar Musil in Der Mann ohne Eigenschaften wat meer gewicht voor nodig had - hoe leeg het leven onder invloed van de voortschrijdende technologie en de dynamiek van het vooruitgangsgeloof geworden is. Om die fundamentele, diep ingrijpende, existentiële leegte te bezweren, waren kennelijk maar twee middelen voorhanden: vermaak en oorlog.

Het eerste zal door de lezer als minder problematisch worden ervaren dan het laatste, maar het is ongetwijfeld waar dat op vele van deze zo luchtig geschreven bladzijden een danse macabre - in slow motion - wordt opgevoerd, die ons haast subliminaal een zeer eigentijds memento mori voorhoudt.

Niet afgeleid door wat dan ook, kan Jean Dézert gemakkelijk zijn dagelijkse portie bitterheid - die uit het doodsbesef voortvloeit - door zijn wanhoop mengen, hoewel het lijkt alsof hij zich alleen maar opgewekt verveelt. Naar de Eerste Wereldoorlog, die op uitbreken staat, wordt overigens maar een keer terloops verwezen.

Wanhoop, dood, oorlog - wie het boek nog niet gelezen heeft, zou haast de indruk kunnen krijgen dat hier sprake is van iets loodzwaars, maar dat is niet zo. De zondagen van Jean Dézert is juist een bijna verraderlijk lichtvoetig verhaal, dat veel te danken heeft aan het moment, waarop Jean Dézert niet zozeer verliefd wordt, alswel verrukt raakt van een bijna achttienjarige muze- de vrolijke dochter van een grafkransenmaker -, die volgens Mirjam de Veth nog het meest weg heeft van een 'stripfiguurtje', maar die je evengoed met Alice uit Wonderland in verband kunt brengen (soms is het alsof je Lewis Carroll hóórt), of een moderne variant ervan, zo'n naïef, wereldwijs en verwend nest als we tegenwoordig veelvuldig tegenkomen.

Mede door het optreden van Elvire wordt de toon nog lichter dan hij al was, zonder ooit vrolijk te worden, al komt het in de buurt. Maar wie - met de muziek van latere groten als Ionesco, Beckett en Camus in de oren - goed luistert, hoort onder het laconiek-ironisch georchestreerde verhaal de absurditeit, en die hoedanigheid is het, die veroorzaakt dat wij De zondagen van Jean Dzert als zo 'modern' ervaren - alsof de hele eeuw zich er al in aankondigt. Je vraagt je af hoe dat kan bij een auteur van wie zelfs degenen die nog met veel vlijt en ijver Frans hebben gestudeerd, nooit zullen hebben gehoord.

Jean de la Ville de Mirmont moet een groot talent zijn geweest, als hij al zo vroeg 'de geest van de eeuw' zo grondig peilde. Hij stierf jong en liet behalve deze kleine roman, slechts wat gedichten en brieven na. Hij sneuvelde in het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog, nadat hij enthousiast naar de voorste linies was getrokken. Zijn verhaal is minstens zo boeiend (en tragisch) als dat van Jean Dézert, van wie hij - aantoonbaar - erg veel weg heeft.

Ook Jean de la Ville de Mirmont kwam uit Bordeaux, studeerde in Parijs en kreeg daar een baantje als ambtenaar. Ook hij heeft er zich stierlijk verveeld, maar anders dan Jean Dézert, die slechts één keer een versje aan het kantoorpapier toevertrouwt, had Jean de la Ville de Mirmont zijn baantje alleen om te kunnen schrijven.

Of misschien - als dat niet hetzelfde is - om te ontsnappen aan de dagelijkse treurnis, die hij als wurgend moet hebben ervaren, zoals je kunt afleiden uit de intensiteit, waarmee hij voor dat gevoel - in deze roman, maar ook in zijn brieven - beelden heeft gevonden, altijd doortrokken van verwijzingen naar het water, naar de zee, altijd dat verlangen van 'het zeegat uit'.

Als Jean Dézert aan het eind van zijn verhaal langs het water loopt, en verdrinking als laatste mogelijkheid om zelfmoord te plegen overweegt, ziet hij twee aken liggen, naast elkaar 'boeg aan boeg'. 'Aken, ik begrijp jullie', denk hij dan. 'Jullie brengen je rechtlijnige bestaan door in deze smalle kanalen. Jullie wachten voor de sluizen. Jullie doorkruisen steden, getrokken door sleepboten die onder de bruggen trots laten horen dat ze een sirene hebben, net als echte schepen. Eigenlijk lijken jullie op mij. Nooit zullen jullie naar zee gaan.'

Jean Dézert, Jean de la Ville de Mirmont, ze hadden inderdaad veel van elkaar weg, maar er was één groot verschil, zoals Mirjam de Veth in haar nawoord terecht opmerkt: Jean Dézert overwoog er een eind aan te maken, nadat zijn geliefde hem op wat een moment suprême had moeten worden de bons gaf vanwege zijn lelijke gezicht, maar hij deed het niet. Jean de la Ville de Mirmont ging wel dood. Kort nadat hij Jean Dézert het eeuwige leven had gegeven, stierf hij op 28 november 1914 in een loopgraaf bij Verneuil, 27 jaar oud.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden