Nooit was vrijheid zo tastbaar als toen

Hieronder volgt de integrale tekst van de rede die koningin Beatrix vrijdag 5 mei 1995 in de Ridderzaal in Den Haag heeft uitgesproken ter gelegenheid van de vijftigste herdenking van de bevrijding....

VRIJHEIDSZIN, volharding en verdraagzaamheid hebben onze vaderlandse geschiedenis getekend. In de vrije wil te leven naar eigen beginselen heeft Nederland zijn kracht gezocht en gaandeweg gevonden. Zo ontstond evenwicht tussen individueel en algemeen belang, tussen de vrijheid van iedere burger een eigen weg te gaan en het besef op elkaar te zijn aangewezen.

Binnen sterke dijken is onze samenleving gegroeid. Waterschappen, landbouwcoöperaties, burenplicht en nabuurhulp weerspiegelden van oudsher de saamhorigheid en vormden de grondslag van onze democratie. Hierbij woog het recht van de één even zwaar als het recht van de ander en lag in het collectieve belang ook het eigenbelang besloten.

De staatkundige vrijheid, berustend op ruimte voor ieders overtuiging en respect voor de medemens, is niet vanzelf ontstaan. Daar is door de eeuwen heen voor gestreden. Velen hebben hiervoor hun leven gegeven. Gewetensvrijheid en godsdienstige overtuiging waren reeds in de 16de eeuw bij de strijd tegen de Spaanse overheersing onze drijfveren. De innerlijke zekerheid waarmee het geweten spreekt, heeft steeds opnieuw mensen tot verzet gedwongen.

Behoud van de onafhankelijkheid van de Nederlandse staat was in vroeger tijden de grootste zorg. Dit werd verwoord in het eerste artikel van de Grondwet, zoals dat voor de oorlog nog luidde, met een omschrijving van het grondgebied. Daarmee stond de integriteit van het Koninkrijk voorop.

In mei 1940 werd die ruw geschonden. Ons land werd met zijn staatsinrichting onder de voet gelopen. Totalitaire macht maakte een einde aan democratisch bestuur en gekozen parlement. Wezenlijke waarden en grondrechten werden opzij geschoven; huisvredebreuk, schending van briefgeheim, afluisteren, verenigingsverbod, censuur, arbitraire rechtspraak en arrestatie zonder proces waren aan de orde van de dag.

Vrijheid en het streven naar gerechtigheid werden vervangen door dwang, discriminatie en geweld. Daarmee ontviel het fundament aan onze samenleving en nam willekeur de plaats in van zekerheid en vertrouwen.

Oorlog betekende onvoorstelbaar leed; een wereld van angst en verdriet, van kou, honger en ontbering. Mensen werden ook gesteld voor ingrijpende keuzen en voor vragen van leven of dood. Hoe zwak het hart kan zijn in zulke nood, mag niet worden vergeten. De herinneringen aan die dagen zijn na een halve eeuw soms te zeer zwart-wit gekleurd. Voor een juiste beeldvorming kan niet worden verhuld dat naast moedig optreden ook passief gedrag en actieve steun aan de bezetter zijn voorgekomen.

Wanneer we vandaag ons ook bezinnen op de gruwelijkste volkerenmoord in de geschiedenis ontkomen we niet aan een diep gevoel van schaamte; er is voor deze schandvlek op onze beschaafde wereld geen verontschuldiging. Waar de waardigheid van de medemens met voeten wordt getreden, is ook de onze in het geding.

Gezamenlijk denken wij met eerbied terug aan het verzet van mensen - groepen en enkelingen - die weigerden zich te onderwerpen aan de onderdrukker. Zij bleven trouw aan de rechtsstaat en volgden de stem van hun geweten. Positie kiezen tegen de stroom in vroeg soms grote moed. De eigen keuze bepalen onafhankelijk van wat anderen denken, is een daad van innerlijke kracht. Tal van Nederlanders hebben die kracht opgebracht. De mens, de medemens in zijn diepste wezen, was hun waard het kostbaarste wat zij hadden in te zetten.

Dezelfde toewijding en dezelfde onverzettelijkheid moeten ons blijven bezielen. Dan houden wij de geestkracht levend om de vrijheid voor àllen te bewaren. Met deze gedachte stonden we gisteren weer stil voor de monumenten. In dankbare erkenning brengen wij elk jaar de doden die we herdenken ons ere-saluut.

TERUGDENKEND aan geallieerde en Nederlandse militairen, aan de opvarenden van onze koopvaardij, aan verzetsstrijders, blijven wij evenzeer diep verbonden met allen die werden vervolgd; met de onderduikers, de gegijzelden, de krijgsgevangenen, de geïnterneerden, de dwangarbeiders, en met onze joodse landgenoten, van wie zovelen de gruwelen van de vernietigingskampen niet hebben overleefd.

Deze sterke verbondenheid geldt ook de Nederlanders in Japanse interneringskampen en de Indonesiërs die tot dwangarbeid waren veroordeeld, van wie velen het einde van de oorlog in de Indische Archipel niet konden meemaken. In Europa en in Azië hebben de verschrikkingen van die jaren laten zien waartoe minachting voor de mens kan leiden.

Na vijf jaar onderdrukking kwam voor ons land de bevrijding als een verlossing. Nooit was vrijheid zo tastbaar als toen. De feestvreugde in de dorpen en steden bij het binnentrekken van de bevrijders was overweldigend. Dankbaarheid overheerste jegens hen en jegens al diegenen die zich in die moeilijke jaren sterk en standvastig hadden betoond.

Willen wij een zelfde standvastigheid voor behoud van de menselijke waardigheid met elkaar en voor elkaar opbrengen dan kan de moed van hen die daarvoor tot het uiterste zijn gegaan ons tot inspiratie zijn.

De moed die de strijders tegen nationaal-socialisme en fascisme toen hebben getoond wordt hier van ons nu niet gevraagd, maar hun offers leggen wèl de plicht op ons met overtuiging in te zetten voor het behoud van alles wat de mensenrechten en de werking van de democratie waarborgt.

Ons scherp bewust van wat mensen elkaar kunnen aandoen zijn wij vandaag meer dan ooit verplicht de betekenis van onze fundamentele vrijheden in te zien. Dat inzicht dwingt ook tot waakzaamheid tegen misdadige ideologieën en totalitaire systemen en helpt ons tevens gevaarlijke voortekenen van het 'kwade denken' vroegtijdig te herkennen.

VRIEND EN VIJAND kunnen lering trekken uit de historie, uit alles wat de vrijheid zichtbaar in de weg stond, daarbij geholpen door de louterende werking van de tijd. Ook in Duitsland hebben velen in de naoorlogse periode de eigen geschiedenis eerlijk onder ogen willen zien, 'zonder verzachtende woorden', zoals mijn man schreef in zijn inleiding bij de vertaling van de indringende herdenkingstoespraak van president Von Weizsäcker op 8 mei 1985. In deze confrontatie met de waarheid ligt de sleutel tot verzoening.

In de menselijke verhoudingen binnen Nederland is tijdens de oorlog veel ten goede veranderd. Vanuit het diepste leed en de sterkste verwachting werden de scheidsmuren van geloof, politieke overtuiging en maatschappelijke positie doorbroken.

Veel Nederlanders voelden zich deel van één geheel, schouder aan schouder met de Rotterdammer in zijn verwoeste stad, verenigd in de vuist van de Amsterdamse dokwerker. Een tevoren ongekend gemeenschapsgevoel en een sterk vertrouwen in samenwerking en eensgezindheid zijn voor de oudere generatie de dierbare herinnering aan de oorlog.

Door de gemeenschappelijke bedreiging tijdens de bezetting en de gedeelde nood zijn vernieuwende krachten gebundeld. De inspanning met hart en ziel voor de wederopbouw, de toenadering tussen de kerken en nieuwe samenwerkingsvormen tussen werkgevers en werknemers, zijn voor Nederland een zegen geweest.

Wij mogen trots zijn op wat in de laatste vijftig jaar door twee generaties met vereende krachten is tot stand gebracht. Onderwijs, sociale zekerheid, medische zorg, wijd verspreid woningbezit, recreatie en een hoge mate van consumptievrijheid hebben onze moderne maatschappij een welvarend aanzien gegeven. De nieuwe mogelijkheden hebben tot grotere zelfstandigheid geleid van de individuele burger.

Tegelijk werden in een zich verenigend Europa ruime kansen geboden voor verdere ontwikkeling en werden de structuren voor een duurzame vrede zichtbaar. Maar aan de grenzen van de Europese Unie zien we nu de schokkende herhaling van oorlogsgeweld als gevolg van nationalistische hartstochten en racisme. Ook binnen de Europese Unie - en zelfs in eigen land - is weer sprake van onverdraagzaamheid en haatgevoelens tegenover minderheden.

Bij zoveel vijandigheid bekruipt ons een gevoel van onmacht. Nederland alleen kan geen vrede stichten. Des te groter is onze verantwoordelijkheid binnen de internationale organisaties waarvan wij deel uitmaken.

NOG ZWAARDER weegt de verantwoordelijkheid voor burgerzin op eigen erf. In ons land is door het wegvallen van vertrouwde, overzichtelijke structuren het gemeenschapsgevoel ten dele verloren gegaan. Zelfzucht ondergraaft de natuurlijke verbondenheid in wonen, werken en leven. De eigen verantwoordelijkheid voor oplossingen wordt afgeschoven op anonieme anderen.

Vereenzaming, criminaliteit en het buiten sluiten van mensen zijn mede het gevolg van een gebrek aan belangstelling voor elkaar. Bovendien worstelt een multiculturele samenleving met integratie en saamhorigheid. Dat zijn de problemen waar wij nù voor staan. Ze raken aan de fundamenten van de maatschappij, aan de draagkracht van de heipalen waarop in vijftig jaar vredestijd werd gebouwd.

Tegenover de verbondenheid van de periode van wederopbouw staat nu de dreiging van een maatschappij die in ontbinding raakt. Er zijn tekenen die wijzen op een reëel gevaar van langzaam afglijden naar een egocentrisch denken en handelen dat de vrijheid van medemensen aantast. We zien verschijnselen van onverdraagzaamheid en ontbrekend medegevoel.

Als dit gevaar niet wordt onderkend, worden telkens - toegeeflijk en gemakzuchtig - de grenzen verlegd. Vrijheid mag niet verworden tot onverantwoordelijkheid. Wie verzuimt stelling te nemen laat de kans voorbij gaan het proces te keren. Een bewuste keuze wordt gevraagd tegen alles wat onze democratie verzwakt en het gemeenschapsgevoel verschraalt.

Normbesef en gemeenschapszin kunnen al naar gelang de persoonlijke overtuiging een verschillende inhoud hebben. Maar als de vrijheid van de één niet langer staat voor ruimhartig rekening houden met de vrijheid van de ander, kan een samenleving niet vreedzaam voortbestaan. Respect voor elkaar èn voor onze leefomgeving begint bij niet hinderen, niet krenken, niet vervuilen, niet vernielen.

Verdraagzaamheid vraagt wel dat mensen zich gebonden weten aan normen. Tolerantie die wil dat alles kan, dat alles geoorloofd is, dat geen grenzen meer worden gesteld, leidt uiteindelijk tot intolerantie, tot onrecht aan anderen, tot tirannie.

BIJ HET VIEREN van de herwonnen vrijheid komt ook de vraag op of wij ons voldoende inspannen voor het behoud van de menselijkheid van onze gemeenschap. Heeft de bevrijding geleid tot uitbanning van alles wat Nederlanders toen deed zeggen: dit nooit meer? Tonen wij nog de waakzaamheid en brengen wij nog de moed op van hen die zich teweer stelden?

Een antwoord op deze vragen begint bij bezinning op wat wèl en wat niet is bereikt. Daarbij vormen de oorlogservaringen een aanknopingspunt. Het overgrote deel van de Nederlanders heeft geen eigen herinnering aan de oorlog. Maar het is niet nodig die zelf te hebben meegemaakt, om te beseffen dat het leed van toen de fundamentele waarden en de beginselen zichtbaar heeft gemaakt die nu de grondslag zijn van ons staatsbestel.

In mei 1940 stond de integriteit van het grondgebied voorop. Vandaag, vijftig jaar na de bevrijding, is de integriteit van de mens onze grootste zorg, de erkenning en waardering die elk mens verdient. Elk mens is uniek, anders in eigenheid, maar gelijkwaardig aan anderen. Dit is nú het beginsel van het eerste artikel van de Grondwet. Zo hebben de ervaringen van de oorlog hierin hun neerslag gevonden.

Toch kan het perspectief van de formele gelijkheid voor de wet eerst wezenlijk gestalte krijgen in wat burgers voor elkaar betekenen. Vanuit die gelijkwaardigheid moeten mensen zich over en weer verantwoordelijk voelen opdat aan ieders kansen op ontplooiing recht wordt gedaan en elk de eigen bestemming kan bereiken.

Respect voor anderen vraagt voortdurende aandacht en inspanning. Het vereist een doorbreken van onverschilligheid en het overwinnen van gevoelens van haat. Zoals volken zich moeten teweerstellen tegen tirannie van buitenaf, zo geldt voor ieder mens dat echte vrijheid pas mogelijk is na innerlijke bevrijding.

Dan komt er ruimte voor verdraagzaamheid, voor toenadering tussen andersdenkenden en tussen vroegere vijanden; dan kan een mens zich vrij voelen omdat zijn kracht vanuit het eigen hart komt. Bij die innerlijke bevrijding kunnen wij nieuwe inspiratie vinden in oude woorden, in de opdracht van onze geschiedenis:

'De tirannie verdrijven die mij mijn hert doorwondt'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden