Nooit een Nederlandse familie Kumar

De eerste keer dat ik op de BBC een aflevering zag van The Kumars at nr 42 was ik niet zozeer verrast (zo leuk leek ' t me eerlijk gezegd nou ook weer niet) als wel jaloers....

Voor wie het niet zou weten: de Kumars is een comedy-serie waarin serieuze gasten uit de wereld van film, mudoor

ziek, televisie en soms ook literatuur worden ontvangen in de eenvoudige Londense woning van een Engels-Indiase familie, waarvan de voornaamste leden (vader, moeder, grootouders) huiselijk, maar met het nodige commentaar, komen aanschuiven als de niet al te gewiekste zoon een vraaggesprek probeert te voeren.

Simpele formule dus, die ruimte biedt aan zowel gezellige informatie als vileine, politiek incorrecte dialogen – want als het gaat om de actuele verhouding tussen Groot-Brittanië en z'n voormalige kolonie en haar bewoners, wordt niet één gangbaar vooroordeel overgeslagen.

Intussen is hier wel een Nederlandse variant op het Engelse format ontwikkeld (Weltevreden op 10) die in Amsterdam-Zuidoost (de Bijlmer), dus in Nederlands-Surinaamse kringen schijnt te spelen, en misschien wordt dat nog aardig, maar het is toch net zoiets als wanneer de BBC niet voor een Engels-Indiase, maar voor een Engels-Jamaicaanse of een Engels-Beetsjoeanalandse familie zou hebben gekozen. Ik bedoel: Suriname is Indië niet.

Maar stel dat iemand in Hilversum wél op het idee was gekomen, zou er dan een voldragen Nederlandse televisiefamilie Kumar hebben kunnen ontluiken?

Ik vrees het ergste.

Wat tot jaloezie stemt bij de serie van de BBC is de volmaakt ontspannen manier waarop de Engelsen met hun koloniale verleden omgaan: als met een eigenaardig tijdperk dat helaas voorbij is, maar waarvan in het Verenigd Koninkrijk gelukkig nog allerlei levende relicten zijn te vinden, zoals de 'Elgin Marbles' gelukkig nog altijd kunnen worden bezichtigd in het British Museum. Je kunt het bestuderen. Maar het is minstens zo verleidelijk om er grappen over te maken.

Dat zou in Nederland met betrekking tot een hypergevoelig verleden dat van Jan Pieterszoon Coen tot Willem Drees reikt, nooit kunnen. Misschien komt het doordat Engeland en India na de Tweede Wereldoorlog een stuk vrediger uit elkaar zijn gegaan dan wij en Indonesië, maar dat verklaart natuurlijk niet alles. Het verklaart bijvoorbeeld niet dat wij, ook meer dan een halve eeuw na de soevereiniteitsoverdracht, in onze relatie met Indonesië doen alsof we, inzake de schuld en de schaamte, inzake de verwerking, inzake de excessen, inzake onze gidslandtaak en inzake een minister in Jakarta die zegt dat hij ons haat, nog altijd een white men's burden moeten torsen.

Zo vanzelfsprekend als het bezit van overzeese gebiedsdelen altijd voor de Engelsen lijkt te zijn geweest, zo tobberig en zo berouwvol kijken wij erop terug.

Zou ' t ook kunnen liggen aan het feit dat het ons nooit zozeer om bezit als wel om profijtelijke handel was begonnen? Maar de koloniale praktijk die we, nolens volens, pas in de 19de eeuw gingen beoefenen, heeft tenslotte ook de gloriejaren van de Verenigde Oostindische Compagnie besmet.

Toen vorig jaar de vierhonderdste geen zelfs regelrechte diefstal, is op zichzelf nauwelijks opzienbarend. Zeker in de tweede eeuw van haar bestaan heeft de Compagnie veel van haar gouden glans verloren, en dat er toen in de relatie tussen Hollandse ambtenaren, inlandse vorsten en externe handelspartners een hoop is gekuipt, bedrogen en gemalverseerd, was al genoegzaam bekend en is ook nooit verzwegen – ook niet in de vele 'rooskleurige' gedenkbundels van vorig jaar.

Dat Breton – opgeklommen van lichtmatroos tot directeur-generaal; zulke carrières waren bij de VOC niet ongewoon – na terugkeer in patria z'n bevindingen op schrift heeft gesteld om zichzelf vrij te pleiten, is logisch. Hij is overigens in juridische zin niet gestraft: hij was in Indië, zoals dat vaker gebeurde in gevoelige kwesties, 'onmogelijk' geworden, en moest om die reden het land waar hij vijftig jaar had gediend, onkoninklijk verlaten.

Maar was hij nou schuldig of niet? De ontdeksters van zijn memoires concluderen weliswaar dat hij 'veel meer slachtoffer was dan dader', maar ze hebben de affaire uit 1783 niet diepgaand onderzocht: ze beperken zich, afgezien van wat kanttekeningen, tot een 'hertaalde' publicatie van de bron.

Dat mag natuurlijk, maar het heeft ook iets onbevredigends, des temeer doordat hun schaarse annotaties zo weinig verhelderend zijn, en eigenlijk ook niet van heel veel terzake deskundigheid getuigen.

Weten we – meer in het algemeen gesteld – eigenlijk wel voldoende van de samenleving in het oude Indië?

Rare vraag misschien in een tijd waarin de boeken over Indië (koloniaal en postkoloniaal) ons om de oren vliegen, maar bedacht moet worden dat 99 procent van die publicaties is geschreven vanuit en over de vertegenwoordigers van het blanke gezag, en dat we niet of nauwelijks beschikken over inlandse bronnen uit voorbije eeuwen. Onze kennis wordt door allerlei nevensentimenten misschien wel zéér genuanceerd, maar ze blijft eenzijdig.

Volledig in een Hollands perspectief moeten we ook de brieven beoordelen van dames die in de bundel Het is geen kolonie, het is een wereld met een lelijk woord 'reisschrijvers' worden genoemd. 'Vrouwen bereizen en beschrijven Indië, 1852-1912' luidt de ondertitel, want de bloemlezing is gefocust op de 19de eeuw, toen het ook internationaal meer en meer gebruikelijk werd dat ook vrouwen er – soms met man of vriendin, maar vaak ook alleen – nieuwsgierig op uit trokken.

boortedag van de Compagnie werd herdacht, mocht het vooral geen feest, en zeker geen triomfalistisch feest worden. Maar waarom eigenlijk niet? De VOC, dat was toch een monument geweest van maritieme dadendrang, uitgekiend neringdoen en briljant (soms dubbel) boekhouden waar elke natie terecht trots op zou zijn?

Maar in alle manifestaties en in alle gelegenheidsliteratuur resoneerden de verborgen spijtbetuigingen mee, en ik herinner me dat de grote herdenking in het Amsterdamse marinedepot ook meer op een ingetogen kerkdienst leek dan op een vrolijke jubileumbijeenkomst.

En niettemin lezen we op de flap van een boekje over minder deugdzame gebruiken binnen de oude Compagnie: 'Zo biedt dit boek een ferm tegenwicht tegen het wel erg rooskleurige beeld dat het officiële VOC-herdenkingsjaar 2002 overheerste.'

Het boekje zelf heet trouwens De memoires van Hendrik Breton, ofwel de duistere zijde van de VOC – als om elk misverstand bij voorbaat uit de weg te nemen. En het is een beetje onzin.

De memoires van de 18de-eeuwse Breton vormen een mooie, recentelijk ontdekte bron, maar de onthulling dat hij zich in z'n hoge positie zou hebben schuldig gemaakt aan fraude, oplichtingDe bloemlezing uit reisverhalen van markante vrouwen als Augusta de Wit, Marie van Zeggelen, Carry van Bruggen en Aletta Jacobs behelst veel aardig en leesbaar proza – maar zijn de fragmenten nou gebundeld in het kader van de Indië-of van de vrouwenstudies?

Bijna alle schrijfsters, met uitzondering misschien van de mysterieuze Dé-Lilah (maar dat was ook een 'Indisch meisje' van zichzelf), lijken Java en Sumatra vooral te hebben ervaren als een reusachtige achtertuin van Baarn en Heemstede, dus over Indië bieden de teksten geen nieuws: we kennen al tientallen briefverzamelingen van Hollandse vrouwen die met dat koppige beeld een half leven in Medan, Semarang of Makassar hebben gewoond.

Maar als in de inleiding lichtelijk wordt gepolemiseerd met E. H. Beekman (Paradijzen van weleer), die z'n neus ophaalde voor de damesromans van Mina Kruseman en Melati van Java, wordt duidelijk dat het niet zozeer om de bereizing van Indië, als wel om de vrouwen te doen was.

Kunnen we ooit doordringen in de geheimen van de oude Indische wereld?

Twee Amsterdamse historici hebben geprobeerd de institutionele invalshoek van Hollandse bestuursambtenaren, Hollandse militairen en Hollandse planters en ondernemers te omzeilen via een veel 'integralere' benadering van de samenleving.

Hun compacte geschied(her) schrijving – Indië tussen 1500 en 1920 – is een vermetele poging om nieuw, en ongewoon, en zonder berouwvolle terughoudendheid, op zoek te gaan naar wat de mensen al die tijd in de archipel bond in plaats van scheidde.

Want dat is hun uitgangspunt en blijft hun leidraad: aan te tonen dat in die tropische werkelijkheid het aantal sociale, culturele en menselijke dwarsverbindingen oneindig veel groter was dan volgens het traditionele beeld van blanke machthebber versus onderdrukte inlander het geval zou zijn geweest.

Het woord poreus valt geregeld. Allerlei administratief-koloniale stratificaties ten spijt, ontwikkelde de smeltkroes haar eigen dynamiek en kon een realiteit ontstaan die veel ondoorzichter en gemengder – en veel minder racistisch – was dan veelal is aangenomen.

Het klinkt mooi, en er zit ongetwijfeld ook veel consistentie in het betoog. Maar op de keper beschouwd blijft de Indische 'gemeenschap' waarin de blanke Europese Nederlander zich (vaak uit nood, want de VOC stuurde amper gelijkwaardige vrouwen met haar vloten mee) behielp met inlands vrouwvolk en mestiezen gewon, een kleine, om niet te zeggen minieme elitaire bovenlaag ten opzichte van de Indonesische miljoenenmassa. En dat wordt in het boek van Bosma en Raben eigenlijk permanent verdoezeld, zoals bij al hun betrekkelijke rooskleurigheid verborgen blijft dat die mestiezen, die we als Indo's kennen, toch nooit meer dan Indische burgers van de tweede rang zijn gebleven.

De 'Indische Nederlander' mag dan intussen geëmancipeerd zijn, een Kumar, dus een anti-held op televisie, zal hij nooit worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden