Nooit een commerciële hond geweest

Ruud Jacobs speelde als jazz-bassist met de groten uit Amerika. Als producer werd hij de man achter het succes van André Rieu....

Ruud Jacobs was 19 toen hij bij Louis Armstrong thuis kwam in New York. Hij was uitverkoren voor een internationale jeugdband die met de jazzster speelde op het beroemde Newport Festival. ‘We kregen allemaal een grote foto met handtekening waarop hij op de wc zat met zijn broek naar beneden. En een pakketje met een homeopatisch laxeermiddel. Denk erom, zei hij, een goede stoelgang is het allerbelangrijkst.’

Met zijn reis naar de Verenigde Staten haalde Ruud Jacobs in 1958 de kranten. In de vijftig jaar die erop volgden, zou hij alleen nog zijdelings worden genoemd. Als de stuwende basis in het populaire Trio van zijn broer Pim, vaste begeleiders van diens vrouw Rita Reys en talloze bezoekende Amerikanen. Ruud Jacobs was er altijd. Glimlachend genietend op de achtergrond. ‘Alleen met John Coltrane en Miles Davis hebben we niet gespeeld. Verder met iedereen.’ Wel vroeg de modebewuste Miles hem tijdens de trip naar New York waar hij zijn schoenen had gekocht. ‘Gewoon, bij de Bata International in Amsterdam.’

Voor talloze Nederlanders was het trio van Pim Jacobs de eerste aanraking met jazz. Door de vele schoolconcerten en de televisie-optredens met Amerikanen. Het maakt Ruud Jacobs tot de meest ervaren bassist van Nederland. Een van de weinige muzikanten die de jazzlegendes in hun hoogtijdagen hebben meegemaakt en het nog kunnen navertellen. Zaterdag viert hij zijn 70ste verjaardag in het Bimhuis. De jonge drummer Joost Patocka stelde een feestprogramma voor hem samen met musici van verschillende generaties, een dwarsdoorsnede van de Nederlandse jazzscene. ‘Omdat we succes hadden werden we ook wel een beetje met de nek aangekeken. Heb je hun weer, met hun volle schouwburgen en Mercedes voor de deur. Maar tot midden jaren zeventig reed ik gewoon in een oude Ford Taunus, hoor.’

Terwijl de biljartballen tegen elkaar ketsen in het dorpscafé nabij de Nieuwkoopse Plassen, steekt Ruud Jacobs een sigaartje op. ‘Ik geloof niet dat Pim en ik concessies hebben gedaan aan het publiek. We hebben gewoon sterk materiaal, het American Songbook-repertoire, ter hand genomen. Daar put ik uit tot op de dag van vandaag. Ik ben echt een liefhebber van mooie liedjes in de sfeer van pianist Oscar Peterson. Bassist Ray Brown is mijn held. Hij is ook nooit extreem in de weer geweest, dat is de aard van het beestje.’ Met zijn geaffecteerde Gooise tongval: ‘Ik ben eigenlijk heel behoudend, ja.’

Toen Ruud zich na de oorlog met zijn vier jaar oudere broer Pim op de jazz stortte, was dat nog behoorlijk rebels. Zijn moeder, een ballerina, was mild maar zijn vader, die advocaat was, vond het aanvankelijk afschuwelijk. ‘De eerste klanken van Rita, zijn aanstaande schoondochter, vond hij eigenlijk maar kattengejank. Het is ook nogal wat als je alleen klassieke zang gewend bent: dat hese en erotische van de jazz. Later is hij het wel gaan waarderen.’

Pim ontpopte zich snel als een handige ondernemer. Hij had er een neus voor om de muziek naar het publiek toe te brengen. Kwam via Willem Duys bij radio en televisie. Voor programma’s als Jazzscene, Music All Inn en Music Gallery liet hij Amerikaanse muzikanten overkomen waar hij dan meteen tournees mee organiseerde. ‘Pim was een schuchtere jongen in het begin. Maar door die schoolconcerten is hij daar overheen gegroeid. En we hadden de mazzel dat we met de beste jazz-zangeres van Europa speelden: Rita Reys. Pim voelde ook een grote verantwoordelijkheid voor haar. En ik, zijn jongere broertje had net kinderen gekregen. We moesten aan de bak.’

Ruud Jacobs werd vaak gevraagd om los van Pim te spelen. Amerikaanse musici namen hem mee op tournee door Europa. Zo speelde hij tientallen concerten met saxofonisten Johnny Griffin en Cannonball Adderley, met pianist Bud Powell en drummer Kenny Clarke. ‘Powell zei tegen niemand een woord. Hij was psychisch helemaal in de war. Maar hij speelde geweldig. Ik moest op het podium ter plekke maar raden welk nummer hij inzette en in welke toonsoort. In de pauze dronk hij stiekem de flessen leeg die bij mensen op tafel stonden. In één teug, zodat zijn vrouw het niet zou merken.’

Sommige muzikanten waren sceptisch als ze hun Europese begeleiders voor het eerst ontmoetten. ‘Zij zagen drie keurige witte jongetjes in driedelig pak en dachten: we zullen die blanke aardappels eens even opkloppen. Dan begonnen ze meteen in de hoogste versnelling. Maar het ijs brak altijd. Ik speelde veel met Han Bennink en Cees See, ze waren verbaasd dat die jongetjes zo goed konden spelen. Zo heb ik verschrikkelijk veel geleerd. De niet aflatende energie van die Amerikanen. Of ze nu een jetleg hadden, ziek waren of een fles whisky achter hun kiezen hadden, ze speelden als de duivel.’ Eén van de hoogtepunten: trioconcerten met Bennink en saxofoonreus Sonny Rollins in 1968. Toen Rollins een paar jaar geleden werd herinnerd aan die periode wist hij alles nog en noemde hij meteen de namen van Bennink en Jacobs. De bassist glundert. ‘Hij speelde ook echt prachtig. Met Han. Bloed aan de paal.’

Met de heavy jazzcats deden onvermijdelijk de zware drugs hun intrede in de Nederlandse scene, in een tijd dat je nog vol spanning illegaal een joint kocht achter de bar van de Amsterdamse Cotton Club. ‘Ik heb wel alles geprobeerd en gedaan in het leven. Pim niet, die heeft altijd keurig geleefd. Gelukkig kon ik er op tijd afstand van nemen. Dat is bloedlink geweest.’

Rond 1970 brak een moeilijk tijd aan voor de mainstream jazz. Free was het nieuwe ding en in het traditionele circuit was steeds minder werk. Jacobs kocht een basgitaar en speelde jaren in de begeleidingsband van Toon Hermans. En hij werd producer. Hij voerde de supervisie over een deel van het collectieve Nederlandse muziekgeheugen. De soundtrack van Turks Fruit, Het is weer voorbij, die mooie zomer van Gerard Cox en de dwarsfluit met drumcomputer van Berdien Stenberg leidden uiteindelijk tot de miljoenenklapper in 1994: Geen House maar Strauss van André Rieu met de hit The second waltz van Sjostakovitsj.

De Maastrichtse violist had nog een salonorkestje met zelfgeschilderde stoeltjes en lessenaars toen Jacobs met hem begon te werken. In de studio blies Jacobs de strijkers op met overdubs en galmeffecten. Toen hij acht jaar later wegging, waren er twee bussen, acht opleggers en twee vliegtuigen. ‘André vroeg altijd mijn advies. Hij zei: ’s nachts lig ik in mijn bedje na te denken over wat die ouwe jazzbassist me heeft ingefluisterd. Maar hij leerde vliegensvlug. Op het laatst hoefde hij geen technicus meer te hebben in de studio want hij zat zelf aan de knoppen te draaien.

‘Weet je wat het is: als je platen maakt en je verkoopt er in een keer 800 duizend van, dan leef je in een roes. Ik dacht: het zal toch niet gebeuren dat we over de hele wereld gaan. En het gebeurde. Dat hoopte ik altijd nog een keer mee te maken. In het begin al met Thijs van Leer en Rogier van Otterloo. Maar niemand heeft die kracht gehad dat zo te doen als André Rieu. Hij heeft het geflikt.’

Het kwam Jacobs op scheve ogen te staan vanuit de jazzscene. ‘Voor sommigen was ik een commerciële hond geworden. Maar in mijn hart is dat nooit zo geweest. Je kunt toch niet berekenend op je stoel zitten van: we gaan nu eens een miljoen platen verkopen. Een hit gebeurt gewoon. Als je maar je best doet zo smaakvol mogelijk in de weer zijn en goed te luisteren naar wat de artiest in zijn hart wil.

‘Ook vrienden van me die in het Concertgebouw speelden, zeiden: Ruud, je gaat wel erg ver. Maar als Bach in deze tijd had geleefd, had hij waarschijnlijk alles geprobeerd met electronica en de hele rataplan. Een van die vrienden is hoboïst Werner Herbers. Hij belde me van de week op en zei: ik heb kaartjes gekocht hoor, ik kom naar je luisteren op je verjaardag.’

Jacobs’ ogen glinsteren. ‘Hits maken is heerlijk, open spelen met Rollins ook. Maar wat ik in het Bimhuis ga doen, staat het dichtst bij me. Lekker swingen in Ray Brown-stijl. Zoals ik nog steeds doe met Rita, met Piet Noordijk en elke maand met mijn eigen band in de Otter in Loosdrecht. Niet uit frustratie of commercie, maar uit liefde. Ik kan er echt mijn eitje in kwijt. Daar schaam ik me niet voor.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden