Non-fictie - Nederland en de Europese integratie

Nederland wilde dolgraag 'meedoen', maar had geen oog voor de krachtsverhoudingen.

Johan Huizinga, bij uitstek de Nederlandwatcher van voor de Tweede Wereldoorlog, meende dat het zwaartepunt van ons land nauwelijks op land gezocht moest worden. 'Veeleer in een virtueel punt op zee.' Voor de oorlog stond Nederland met de rug naar het vasteland. In Reis naar het continent - Nederland en de Europese integratie, 1950 tot heden beschrijft historicus Mathieu Segers hoe Nederland sedertdien steeds meer verbonden raakte met het continent - en dan vooral met Duitsland.


Die Nederlandse 'reis' van een ruime halve eeuw was intussen zo woelig dat het je bij lezing af en toe duizelt. Het land slingerde tussen Amerika en Europa, tussen Frankrijk en Duitsland, en vooral tussen tafellaken en servet. En dan waren er ook nog uiteenlopende binnenlandse krachten, tussen buitenlandse zaken en financiën, tussen federale idealen en geen vergezichten, tussen persoonlijke ambities en kille analyse.


Hoewel, kille analyse, vooral daaraan heeft het volgens de breed opgezette, erudiete studie van Segers ontbroken. 'De momenten in de geschiedenis van de Europese integratie waarop representanten van de Nederlandse regering de politieke dimensie, en de patronen van de Europese onderhandelingen die daarbij hoorden, wel doorgrond hebben, zijn zeldzaam.'


Het oordeel is niet mals. Er zijn veel fouten gemaakt, vooral door premier Lubbers (1982 - 1994) die de kop van Jut is in dit boek. Lubbers sloot zich na de val van de Muur in 1989 aan bij de Britse premier Thatcher, die niets wilde weten van een Duitse vereniging. Daardoor verloor hij de aansluiting bij bondskanselier Kohl. Vervolgens koos Lubbers de vlucht vooruit naar een federaal Europa, volgens Segers omdat hij graag zelf een prominente rol op het wereldtoneel wilde spelen. Het eindigde smadelijk op 'zwarte maandag' (30 september 1991) toen de Nederlandse plannen voor een Europese politieke unie door de andere lidstaten van tafel werden geveegd.


Dat is wel een Nederlandse constante in zestig jaar Europa - dolgraag willen meedoen, 'hip' willen zijn of 'trendy', zoals Segers het noemt. Het begon al bij minister Luns, die niet veel moest hebben van Europa maar het idee van supranationale instellingen wel modern vond. Halverwege de jaren zeventig kwam minister Duisenberg met zijn plan waarin ook de contouren stonden van een gezamenlijke munt. Grote broer Duitsland zag er weinig in. Vooral was onhelder wat eigenlijk het Nederlands belang was. Uiteindelijk waren er de toppen van Maastricht (1991) en Amsterdam (1997). Nederland ging mee met het besluit tot het instellen van de euro aangezien maar één ding telde: het moest een succes worden.


Segers is hard, maar vraagt zich ook af of het netto anders had gekund, en dat is uiteraard de wezenlijke vraag. Zelf is hij daarover minder helder. Dat verwondert niet, aangezien tweeslachtigheid nu eenmaal van oudsher de Nederlandse positie is. Sinds de Tweede Wereldoorlog valt er in de Britse, de Duitse en de Franse positie een klare lijn te ontdekken. Niet in die van Nederland.


De sterke Duitse economie was in Franse ogen de 'Duitse atoombom', zoals president Mitterrand het ooit uitdrukte. Het Franse doel was dan ook sinds de jaren vijftig consequent daarop greep te krijgen. Toen al was het gedroomde middel een gezamenlijke munt. Duitsland koesterde twee ambities, de eigen Einbindung in het Westen en vanaf bondskanselier Willy Brandt (1969-1974) de normalisatie van de relatie met het Oostblok. Om de Fransen gunstig te stemmen bedreef men decennia lang chequeboekpolitiek. De Britten waren meestentijds afwezig.


In dit krachtenveld opereerde Nederland. Na de oorlog was duidelijk dat de neutraliteit morsdood was. Hoe dan wel? Dankzij de Amerikanen werd Nederland in 1949 een open exportmarkt naar Duitsland in de schoot geworpen. Met als gevolg een geweldige economische opleving. Vanaf dat moment raakte de Nederlandse economie snel geïntegreerd in de Duitse. Gezien werd het nauwelijks, Nederland bleef in de eerste plaats naar de zee, de Britten en de Amerikanen kijken.


Tegenover Frankrijk hanteerde Nederland het zogeheten préalable anglais. Engeland moest meedoen, anders zette Nederland geen stap verder in de Europese integratie. Toen het in 1973 zover was, waren de Britten economisch ernstig verzwakt en wilden ze zich toch niet definitief committeren. Premier Den Uyl was net zo min in Europa geïnteresseerd als Drees. Maar zijn minister van Financiën, Wim Duisenberg, mocht zijn gang gaan.


Onderdeel van het naar hem vernoemde plan was een gezamenlijke munt, die mooi aansloot bij het door De Nederlandsche Bank aangehangen beginsel dat monetaire samenwerking niet politiek hoorde te zijn. De Duitsers wezen het plan vierkant af.


Dit waren ruwweg de posities eind jaren tachtig. De munt hing al een tijdlang boven de markt en tegelijk waren er grote aarzelingen, vooral in Duitsland. Toen de Muur viel was het in één klap afgelopen met de comfortabele tweedeling van de Koude Oorlog. Oude geopolitieke conflicten staken ineens de kop op, nu kwam het erop aan een idee te hebben. Thatcher was er niet, Nederland wist het niet. De richtingaanwijzers van Kohl en Mitterrand wezen dezelfde kant op: de Duitse hereniging in ruil voor de euro.


Had Nederland net als de Britten en de Denen vriendelijk aan de zijlijn kunnen gaan staan? Na u met die muntunie. Segers suggereert het, maar niet heel serieus. Nederland was met handen en voeten aan Duitsland gebonden. Vanaf het moment van invoering begon zich wel te wreken dat er nooit een politiek debat over de euro is gevoerd. De munt werd in de beste verzuilde traditie voorgesteld als een technisch project. Handig om bij de grens niet te hoeven wisselen. Dit werd gecombineerd met het uitventen van hooggestemde idealen, inclusief het sprookje dat Nederland bij de Europese eenwording altijd voorop heeft gelopen. Die houding is inmiddels duur betaald, gerekend in samenlevingssteun. De D-mark was het Duitse offer voor Auschwitz, maar waarom moest de gulden weg? Tot vandaag is dat niet duidelijk geworden. Met als gevolg een nee bij het referendum in 2005 en diepgevoeld Europees chagrijn daarna.


Niet zo'n opgewekt boek dus. Wel heel leerzaam, voor wie iets wil begrijpen van de huidige Nederlandse spreidstand tussen federale droom en 'geen vergezichten'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden