Non-fictie in rendementen

Twee weken geleden berichtte Eigen Geld onvolledig over offshore-beleggingsfondsen. Deze fondsen hoeven niet duur te zijn, en bieden meestal rendement in de vorm van onbelaste vermogenswinst....

GEERT DEKKER

Van beleggen wordt de Nederlandse belastingdienst wijzer door óf vennootschapsbelasting te heffen over de winst van de beleggende instelling, óf door de belegger aan te slaan voor het dividend dat hij uitgekeerd krijgt.

Met buitenlandse beleggingsinstellingen heeft de fiscus twee problemen. Ten eerste zijn ze niet aan te slaan. Ten tweede kunnen ze niet, zoals hun Nederlandse concurrenten, worden gedwongen om hun inkomsten uit te keren aan de beleggers, zodat de fiscus daarover inkomstenbelasting kan heffen.

Die uitkeringen laten de offshore-fondsen dan ook achterwege. Zij gebruiken hun inkomsten voor herbelegging. In normaal Nederlands: zij potten hun geld op, waardoor hun eigen vermogen groeit. Daar is het de belegger in offshore-fondsen ook precies om te doen. Verkoopt hij zijn stukken, dan boekt hij onbelaste vermogenswinst.

De fiscus heeft geprobeerd die belastingvlucht in te dammen door de invoering van het zogeheten fictief rendement. Voor aandelenfondsen was dat vorig jaar 4,8 procent, voor obligatiefondsen 6 procent en voor geldmarktfondsen 7,2 procent.

Over dat percentage van de waarde van zijn aandeel krijgt de belegger een belastingaanslag, ook al heeft hij geen inkomsten ontvangen. Die aanslag wordt lager of zelfs nihil, wanneer het beleggingsfonds kan aantonen dat het werkelijk behaalde rendement nul is, of lager dan het fictief rendement. De meeste offshore-fondsen slagen daar wonderwel in.

Hans Goossens is manager bij Fidelity Investments International, een van de aanbieders van offshore-fondsen op de Nederlandse markt. 'De fiscus vergelijkt onze fondsen met de Nederlandse fondsen die ''fiscale beleggingsinstellingen'' genoemd worden', legt hij uit.

'Dat zijn fondsen die geen belasting betalen, maar waarvan de uitkeringen bij de belegger zelf worden belast. Volgens de rekenregels die bij die fondsen gehanteerd worden, leggen we aan de belastingdienst voor wat ons dividend geweest zou zijn, gesteld dat wij zouden uitkeren.

'Maar dan komen we heel laag uit, meestal zelfs op nul. Want wij beleggen met het doel de waarde van het fonds zoveel mogelijk te laten toenemen, en niet met het doel zoveel mogelijk dividend uitgekeerd te krijgen.

'De winst voor onze beleggers schuilt in de onbelaste koerswinst die bij verkoop gemaakt wordt, niet in bepaalde jaarlijkse uitkeringen die als inkomen beschouwd kunnen worden.'

De meeste aandelenfondsen die aan de Luxemburgse effectenbeurs zijn genoteerd, hebben deze doelstelling en behalen dan ook een te verwaarlozen fictief rendement.

Dat wil zeggen dat de vergelijking die twee weken geleden op deze plaats werd gemaakt tussen de netto rendementen van binnenlandse - en offshore-fondsen, onvolledig was: van enige belastingheffing over het rendement van offshore-fondsen komt weinig terecht, aangezien dat rendement praktisch geheel bestaat uit koersresultaten, en koerswinst wordt, zoals gezegd, niet belast.

Dat geeft het netto rendement van buitenlandse beleggingsinstellingen een aangenamer aanzicht. Maar de verdiensten moeten vooral voortvloeien uit een excellent beleggingsbeleid, zo stelt Goossens.

'Je kunt niet uit de kosten afleiden wat het beste beleggingsfonds is. Natuurlijk hebben posten zoals de bekende beheerskosten gevolgen voor het rendement. Maar geef mij maar een beheerder die een dubbeltje duurder is, en vervolgens drie dubbeltjes meer resultaat boekt.'

Op de aankoopkosten, bij offshore-fondsen vaak een forse eerste hap uit het vermogen, is volgens Goossens overigens veel te 'bezuinigen' door het juiste verkoopkanaal te kiezen.

'Fidelity hanteert in elk geval twee systemen voor de distributie. Ten eerste kan iedereen rechtstreeks in Luxemburg terecht, maar dan worden er aankoopkosten van 5,25 procent van de waarde in rekening gebracht.

'Ten tweede werken wij samen met Nederlandse banken zoals Van Lanschot, MeesPierson en Theodoor Gilissen. Dat is handiger voor ons, omdat we dan maar met één aanspreekpunt te maken hebben. De meeste andere aanbieders van offshore-fondsen doen dat ook.

'Voor de klant is het handiger, omdat hij bij aankoop slechts maximaal 2,5 procent kosten hoeft te betalen, afhankelijk van hoe de bank de samenwerking met ons op prijs stelt, en afhankelijk van het ingelegde bedrag natuurlijk.'

In Nederland liggen de kosten van offshore - en binnenlandse beleggingsfondsen dichter bij elkaar dan in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. 'Waarschijnlijk door Robeco', veronderstelt Goossens. 'De Robeco Groep keert alles uit aan de beleggers, na aftrek van beheerskosten, en werkt bovendien met direct marketing, waardoor de kosten lager kunnen zijn.

'Banken en andere aanbieders van beleggingsfondsen hebben die aanpak moeten volgen. Maar in Duitsland bijvoorbeeld kan Fidelity die 4 tot 5 procent aankoopkosten gewoon vragen, omdat het de marktprijs is.'

Dit alles brengt Goossens tot de conclusie dat Luxemburgse beleggingsfondsen alleen ogenschijnlijk duurder zijn dan hun Nederlandse tegenvoeters.

'Niet alleen omdat het fictief rendement praktisch op nul uitkomt, maar ook omdat Nederlandse fondsen gebruik maken van de zogeheten spread. Als er veel aanbod is, kopen zij hun eigen aandelen onder de intrinsieke waarde in. Is er veel vraag, dan verkopen zij op een prijs die boven die waarde ligt. De Luxemburgse fondsen houden bij koop en verkoop precies de intrinsieke waarde aan.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden