Analyse

Nog voor de eerste sneeuwvlok valt, slaat de euforie al toe. Hoe komt dat?

Dit is het tafereel waar veel Nederlanders op hopen als een lange vorstperiode aanbreekt: schaatsen op natuurijs, zoals op 10 januari 2009 bij Kinderdijk.  Beeld Joost van den Broek / de Volkskrant
Dit is het tafereel waar veel Nederlanders op hopen als een lange vorstperiode aanbreekt: schaatsen op natuurijs, zoals op 10 januari 2009 bij Kinderdijk.Beeld Joost van den Broek / de Volkskrant

Lang voordat ons land van een dik pak sneeuw wordt voorzien, begint de voorpret al. Waarom verheugen we ons zo op de ‘klassieke winter’? Mogelijk gaat er iets geruststellends van uit.

Welbeschouwd was het een eigenaardig tafereel, donderdagavond in het praatprogramma M. Ter introductie van een item over de naderende winterkou werd een geluidsfragment uit lang vervlogen dagen losgelaten op de praatgasten: het gekras van scherp geslepen schaatsen op ijs, waarvan mocht worden aangenomen dat het diep zwart was. De gasten luisterden er aangedaan naar. Dat, althans, was de bedoeling. Vervolgens verloor een van hen, historicus Herman Pleij, zich in bespiegelingen over al het mooie en het goede dat ijs bij de Nederlander oproept.

Er is vast geen onderzoek naar gedaan, maar vermoedelijk is Nederland het enige land waar winterse genoegens aan talkshowtafels (en elders) worden besproken nog voordat de eerste sneeuwvlok is gevallen, of zich het eerste vliesje ijs op vijvers, vaarten en plassen heeft gevormd. Dit hangt niet samen met de gangbaarheid van deze verschijnselen – hoewel steevast over de klassieke Hollandse winter wordt gesproken – maar juist met de (toenemende) zeldzaamheid ervan. ‘Vijftien jaar geleden zou er in talkshows bij temperaturen ver boven nul echt niet met zoveel overgave over sneeuw en ijs zijn gesproken’, vermoedt de Groningse hoogleraar psychologie Douwe Draaisma. ‘Maar na een reeks zachte winters en 23 jaren zonder Elfstedentocht is zelfs de nadering van kou al genoeg om het erover te hebben.’

Het effect versterkt zichzelf, denkt Draaisma. ‘Mensen zijn geneigd om mooie, zeldzame taferelen te fotograferen. Besneeuwde landschappen en dicht gevroren vaarten worden dus vaker gefotografeerd dan grijze akkers en natte straten. Die foto’s sturen onze herinnering. Ze wekken de indruk dat álle winters vroeger wit en mooi waren, terwijl dat ook toen al niet het geval was.’

Gretig

Die vertekening – de discrepantie tussen herinnering en werkelijkheid – wordt groter naarmate winterse winters zeldzamer worden: de uitzonderingen op de regel van grijze natheid worden nog gretiger gedocumenteerd en gedeeld. Eén week met sneeuw en ijs kan in het collectief geheugen worden opgeslagen als een lange strenge winter. Die positieve selectiviteit in het geheugen treedt overigens sterker op bij mensen met een opgewekte levenshouding. ‘Depressieve mensen herinneren zich ook vaker depressieve dingen’, zegt Draaisma.

In die zin heeft de winter een andere invloed op het gemoed dan de overige seizoenen. Herfstdepressies hangen samen met de karakteristieken van dat seizoen: wind, regen, vallende bladeren. Winterdepressies hangen wellicht meer samen met het ontbréken van winterse kenmerken. Mogelijk brengen grijze winters een vorm van klimaatrouw teweeg. Voor veel mensen is de zeespiegelstijging nog een tamelijk abstract verschijnsel, en zijn warme, droge zomers niet eens zo’n onaangenaam neveneffect van de klimaatverandering. Maar de sneeuw- en ijsloze winters van de laatste jaren brachten een verlieservaring teweeg.

Van een ‘ouderwetse’ winter, een winter die mensen zich van vroeger menen te herinneren, gaat mogelijk iets geruststellends uit: het kan dus tóch. Dit sentiment wordt aangezwengeld met foto’s en filmfragmenten uit onschuldige tijden en, zoals bij M, met een geluid dat een diep verlangen tot uitdrukking brengt. In dezelfde aflevering van het praatprogramma werden de welbekende ijstaferelen van de schilders Hendrick Avercamp en Andreas Schelhout uit de zogenoemde kleine ijstijd getoond: schaatsende en (prik-) sleeënde mensen op stijf bevroren vaarten in een decor van molens en kerken.

Hard en vreugdeloos

De tijdloze ijspret die erop is vastgelegd, is maar een onderdeel van de werkelijkheid van toen. Voor de bewoners van de Lage Landen waren de vrieskou en de sneeuw van de kleine ijstijd onderdeel van een hard en vreugdeloos bestaan. Binnenvaartschippers en vissers waren gedurende de wintermaanden tot brodeloosheid veroordeeld. Boeren moesten in lijdzaamheid de komst van het voorjaar afwachten. Hun huizen waren moeilijk te verwarmen. De winter was het meest onbarmhartige van alle seizoenen.

In tijden van oorlog was Nederland in de wintermaanden het meest kwetsbaar. De bevroren Hollandse waterlinie bood geen protectie tegen vijanden. In de strenge winter van 1795-’95 waren de grote rivieren geen barrière voor de Franse generaal Jean-Charles Pichegru. ‘Wat nu, zei Puchegru’, volgens de overlevering althans, toen hij met zijn troepenmacht aan de oevers van de Maas stond. Heel simpel: hij trok over het ijs naar de overkant, en bezette vervolgens de rest van het land.

In het meer recente verleden was de Hongerwinter van 1944-’45 niet in de eerste plaats het gevolg van de Spoorwegstaking en van de Duitse scheepvaartblokkade (die in oktober 1944 ten dele werd opgeheven), maar van de strenge winterkou die voedseltransporten gedurende enkele maanden vrijwel onmogelijk maakte. Voor veel Nederlanders was de Hongerwinter de noemer van het leed en de ellende van de hele Duitse bezetting.

Maar deze ervaringen zijn allang uit het collectieve geheugen verdrongen door zoete en verfraaide herinneringen aan winters waartegen wij ons veel beter konden wapenen. De winter is tandeloos geworden, en kan onweersproken worden geromantiseerd. In de wetenschap dat het met de kou over een, twee weken alweer voorbij zal zijn.

Lees ook

De winter als bevrijding in coronatijd: schaatsen en sleetjes zijn niet aan te slepen
Ook prettig, zo’n vroege aankondiging van sneeuw- en ijspret: de verkoop van sleetjes en schaatsen is onmiddellijk aan het pieken geslagen. Goud geld voor de handel die door corona al veel langer barre tijden beleefde.

Het beste ijs, het dikste pak sneeuw: zo voorspel je waar dat komt te liggen
Het komt, het komt. Eerst sneeuw en dan misschien wel een pak ijs. De oorzaak voert terug naar de jaarwisseling, weten klimaatexperts haarfijn. ‘Ik had het Friese waterschap nu wel geadviseerd om de sluizen dicht te zetten.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden