'Nog tijdenlang bleef ik met schilderijen schuiven'

De Amerikaanse Carol O'Connell (51) werd zo'n vijf jaar geleden in één klap van een armlastige schilderes een rijke schrijfster, toen haar debuut Mallory's Oracle werd uitgegeven....

KOMT EEN man de boekhandel in tijdens het signeren, werpt hij één blik op haar en maakt rechtsomkeert. Weer zo eentje die Caroll O'Connor had verwacht, de seksistische schreeuwlelijk uit All in the Family. En niet Carol O'Connell, een fragiele, bescheiden kettingrookster die zelfs met stemverheffing geen meters overbrugt.

Uitersten in alle opzichten. Hij is het type ruwe bolster, blanke pit. Zij is voorkomend, welgemanierd, en aangenaam gezelschap. Maar ondertussen. Door haar hoofd jagen donkere ideeën en duistere fantasieën, die hun neerslag krijgen in haar boeken over schijnbaar normale mensen met een kronkel in hun geest.

Het onlangs vertaalde Judaskind gaat over een politieman wiens tweelingzusje op jonge leeftijd werd ontvoerd, verkracht en vermoord; over een beeldschone psychologe met een litteken in haar gezicht; over een 12-jarig schoolmeisje dat dol is op horror.

'Personages', zegt O'Connell, 'moeten eigenschappen hebben die opvallen, zodat je ze kunt herkennen. Veel schrijvers creëren bordkartonnen karakters met alleen een naam. Als die even uit het verhaal verdwijnen, vergeet je ze. Dan moet je dus al die namen onthouden, want dat is het enige dat ze onderscheidt.' Haar personages, met al hun nukken en grillen, moet je voor je kunnen zien. 'Denk maar aan je vrienden: iedereen heeft wel iets opvallends.'

Vaak vrezen haar figuren verlies of verlating, of ze hielden een trauma over aan hun jeugd. 'We zijn allemaal gevormd door wat er met ons is gebeurd. Als je maar ver genoeg teruggaat in iemands leven, kom je beslissende momenten tegen, goed of slecht.

'In Londen werd ik eens geïnterviewd door een schrijver die mijn eerste boek had gelezen en dacht: met haar is beslist ooit iets afgrijselijks gebeurd. Toen moest ik me verontschuldigen voor het feit dat mijn ouders áárdig voor me waren geweest.' Ze gnuift. 'Ze sloegen me niet en sloten me nooit op in een kast. Mijn grootste handicap is juist een normale jeugd.'

O'Connell's heldin Kate Mallory is een verhaal apart. De brigadier van politie en computerspecialist werd als weesje uit de goot gevist en geadopteerd door een New Yorkse politieman. De eerste drie boeken beschrijven haar wederwaardigheden bij het korps, het vierde (Flight of the Stone Angel) voert Mallory terug naar het toneel van haar problematische jeugd. O'Connell's zesde boek gaat ook weer over Mallory.

'Ik wilde een krachtig personage dat toch geen manwijf zou zijn. Dus verzon ik het contrast van een heel erg mooi gezicht en een heel erg beschadigde geest. Dat maakte haar het onthouden waard. Mallory is niet het type om zich bezig te houden met feministische toestanden. Ze hoeft nooit tegen mannen te zeggen: Behandel me niet zo, of: Noem me geen schatje. Het zou niet eens bij ze opkomen.' Het is net als met katten en honden, vindt de schrijfster. Honden bestaan alleen om van je te houden. 'Maar doordat katten afstand houden, doen mensen des te meer hun best om er maatjes mee te worden. Zo zit het ook met Mallory's aantrekkingskracht.'

Al snel had Mallory de Amerikaanse lezers aan haar voeten. In Europa sloeg ze, zegt Nederlandse uitgever, veel minder aan. Kate kan flink op je zenuwen werken, geeft O'Connell toe. 'Ik laat haar zo bezig zijn met computers, omdat ze zelf een beetje een machine is. Ze kan beter met hen opschieten dan met mensen. Als je haar in het echt zou tegenkomen, zou ze je onaangenaam verrassen. Ik weet niet of ik samen met haar door één deur zou kunnen. Waarschijnlijk zou ze mij een tutje vinden.'

Het enige ongewone aan O'Connell's jeugd was het grote aantal verhuizingen. 'Ik raakte eraan gewend me steeds aan te passen. Toen ik eenmaal het huis uit was, blééf ik rondtrekken.' Tot ze haar anker liet vallen in New York. 'Eenmaal in de ban, kun je niet meer ontsnappen. New York is elke dag weer nieuw.'

Ze had kunstopleidingen gevolgd in Californië en Arizona en de eerste helft van haar leven - zoals ze het zelf omschrijft - probeerde ze als schilder aan de kost te komen. Wat niet meevalt in een stad waar een op de drie inwoners 'eigenlijk schilder' is en de helft 'eigenlijk schrijver'. Bijbaantjes brachten de huur op. Ze was serveerster, oppas in een speeltuin en proeflezer van medische en juridische teksten.

Schrijven was een dirty little secret. 'Als mensen weten dat je schrijft, denken ze dat je het schilderen niet meer bent toegewijd. Dus nog tijdenlang bleef ik met schilderijen schuiven in mijn atelier, zodat het bezoek dacht dat ik aan ze werkte. Maar intussen zat ik in mijn slaapkamer achter de computer.'

Ze koos het genre niet uit, het genre koos haar. Als de computer moest opladen, las ze boeken die ze kreeg van andere proeflezers. Ontsnappingslectuur, bijna altijd thrillers. 'Ik houd van puzzelen en van de uitdaging de spanning te laten stijgen. Op die manier werken mijn hersenen het best.'

Na tien boeken, dacht ze, kan ik misschien kappen met die baantjes. 'En toen gebeurde het al bij het eerste boek.' Mallory's Oracle werd gekocht door een uitgever in Groot-Brittannië. O'Connell vindt dat ze geluk had. 'In de VS worden elk jaar vijftigduizend titels uitgebracht en slechts een klein percentage wordt gepromoot of besproken. Niet dat die andere boeken niet goed zijn. Ze belanden alleen niet op de juiste dag op het juiste bureau.'

Aan voorschotten en deals bracht haar debuut een miljoen dollar op, plus een contract voor twee boeken en juichende recensies. Ze bekostigde een wortelkanaalbehandeling voor zichzelf en een doktersbezoek voor haar reumatische en vleugellamme Australische kaketoe. Daarna kocht ze een magnetron en een flat in de Upper West Side, de Vondelparkbuurt van New York. (Later kon ze dankzij haar verdiensten de vogel Rags, die ondanks het meeroken 21 was geworden, een passend einde bieden. Gierend vertelt ze hoe de man van het crematorium kwam aanzetten met een lijkenzak waarin een hele Deense dog had gepast. De as van de kleine rust sindsdien in een goudemaillen gemberpotje op de schoorsteenmantel.)

Voor de foto gaat de sigaret keurig uit. Europa is voor haar een hemel op aarde. 'In Duitsland móest ik roken. Kreeg ik in boekhandels een enorme asbak voor mijn neus.' Na een diner in Frankrijk offreerde iemand een Cubaanse sigaar. 'In mijn eigen land is dat contrabande, dus hoe kon ik weigeren? Ik werd niet eens ziek. Al die jaren sigaretten roken waren waarschijnlijk pure oefening voor deze sigaar.'

In New York eet ze vaak in Franse restaurants, omdat die het niet zo nauw nemen met de wet. 'Je krijgt geen asbak, maar een schoteltje. Wanneer iemand klaagt, komt de ober naar je toe: ''Mevrouw'' (ze slaat een hand tegen haar hart), ''ik ben geschokt!'' Dus je speelt mee, dooft je sigaret, en als de klager opstapt, rook je verder.'

Sinds 1994 levert ze elk jaar, in juni, een manuscript in. 'Ik heb geen privé-leven. Maar ik word betaald om iets te doen dat ik leuk vind.' Haar hoor je niet klagen. 'Het voelt alsof een droom is uitgekomen. En alsof ik ergens mee wegkom. Ik ben nog steeds bang dat men ontdekt dat al mijn andere boeken maar nep waren. Amerikanen hebben de opvatting dat iets dat je leuk vindt, geen werk kan zijn. Puriteinen!'

Doorgaans verricht ze na het schrijven van een reeks kladversies pas het nodige onderzoek. Het voorkomt dat ze alle uitkomsten ook in het boek wil proppen. 'Ik wil alleen maar dat alles klopt.' Ze spit naslagwerken door, pluist kranten uit, graast Internet af en kijkt goed om zich heen. Een werkbezoek aan de politie? New Yorker zijn is voldoende. 'Je bent bestolen, er is bij je ingebroken - dan spreek je een agent.'

Voor een schermscène in Killing Critics, dat zich afspeelt in de kunstwereld, nam ze lessen. Drie maanden schermen voor vier bladzijden. 'Ik ontdekte dat de slechtste leerling - ik dus - de beste kan verslaan door hem te verrassen. Ik was een heel beleefde schermer, haalde mijn punten binnen en trok me terug. Zo waren ze het gewend. 'Tot op een dag mijn leraar riep: Waarom ben je verdomme zo netjes? Beschouw dat floret als een sábel. Je moet die man z'n hoofd willen klieven!' Daarna imiteerde ik gewoon het gedrag van mijn tegenstander. Ik joeg hem achterwaarts de mat af en de gang door tot hij met zijn rug tegen de muur stond. Er zit psychologie in. Dat had ik nooit uit een film gehaald.'

In Judaskind beschrijft ze een Twin Peaks-achtig gehucht ten noorden van New York - dat werkelijk bleek te bestaan. 'Ze hadden drie agenten en één politieauto. De chef zei: Eens in de twee weken wordt hier een winkeldiefstal gepleegd en dat vinden we allemaal vreselijk spannend.'

Ze fluistert. 'Bij wijze van satire had ik geschreven over één stoplicht midden in het dorp. En toen ik daar kwam, hing er precies eentje. . . Aan het meer stond een hotel van rode baksteen, net zoals de kostschool in mijn boek. Het was vroeger een meisjesschool geweest. . .' Haar blik zegt: nou vráág ik je. 'Het was zo spooky, het leek wel voorbestemd.

'Aan de andere kant: schrijvers zijn altijd op zoek naar zulke voortekens. Het was gewoon toeval.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden