Nog steeds worden er onderduikplekken gevonden: twee bijzondere verhalen

Ook tientallen jaren na de oorlog worden in oude huizen nog steeds 'duikplekken' gevonden. Soms liggen de dekens, krulspelden en boeken van de onderduikers er zelfs nog.

De onderduikzolder van de Breepleinkerk in Rotterdam.

Enkele maanden geleden gebeurde het nog. Onderzoekers volgden de sporen van het echtpaar Karl Georg Mazur en Anna Zula Mazur-Lecker en stuitten daarbij in Zeist op het adres dat zij tijdens de bezetting enige tijd hebben bewoond. 'De onderduikplek was volledig intact', zegt Annemiek Gringold, conservator Shoah & Hollandsche Schouwburg. 'Zelfs de dekens van de onderduikers lagen er nog, en de boeken die meneer Mazur en zijn vrouw in de onderduikperiode hebben gelezen.'

Ook tweeënzeventig jaar na de oorlog worden in oude huizen 'duikplekken' gevonden - schuilplaatsen voor onderduikers. Twee jaar geleden werd in Amsterdam-Noord een onderduikplek gevonden waar zich mensen hebben opgehouden die wilden ontkomen aan de Arbeitseinsatz, de verplichte tewerkstelling in Duitsland. '1944-1945' staat op het luik dat de duikplek ontsloot. Het huis wordt nog bewoond door twee (hoogbejaarde) kinderen van de onderduikgevers.

Het aantal Joodse onderduikers - van wie ongeveer eenderde de oorlog niet heeft overleefd - wordt op ongeveer 25 duizend geschat. Journalist/programmamaker Milo Anstadt (1920-2011) ging er, op basis van zijn eigen ervaringen, van uit dat elke onderduiker zeker 40 helpers moest hebben gehad. Dat zou betekenen dat zo'n miljoen Nederlanders op enigerlei wijze betrokken waren bij de huisvesting of verzorging van onderduikers. Om alle 140 duizend Nederlandse Joden te redden, zouden 5,6 miljoen helpers nodig zijn geweest.

Dit grote aantal hing mede samen met de omstandigheid dat onderduikers zeer geregeld van adres veranderden - in extreme gevallen wel dertig keer. Volgens Hetty Vôute (1919-1999), die als lid van het zogenoemde Kindercomité, onderdak zocht voor Joodse kinderen, waren de meeste mensen op wie zij een beroep deed wel bereid een kind op te nemen.


Artis - schuilen in het hok van gorilla Japie

Deze week gaat in Nederland de film The Zookeeper's wife in première: de verfilming van het gelijknamige boek over het Poolse echtpaar Zabinski dat tijdens de Tweede Wereldoorlog zo'n 300 Joden voor kortere of langere tijd heeft ondergebracht in de dierentuin van Warschau. Artis, de Amsterdamse zusterinstelling, diende in dezelfde periode ook als wijkplaats voor mensen die iets van de Duitsers te vrezen hadden: mannen die wilden ontkomen aan de Arbeitseinsatz in Duitsland, maar ook Joden. Hoeveel het er waren en hoe ze in Artis terechtkwamen, is onbekend. Maarten Frankenhuis, van 1990 tot 2003 directeur van Artis, vermoedt dat het om 200 à 300 mensen ging. Tot op de dag van vandaag verzamelt hij verhalen van mensen die de hiaten in de documentatie kunnen helpen dichten.

De meeste bewoners van Artis leken zich er betrekkelijk veilig te voelden. Een van hen herinnerde zich naderhand de nachtelijke wandelingen bij een 'mooie, lichte maan'. Een Joodse onderduiker die enige tijd in het keukentje van het vogelhuis verbleef, zei later - in 2008 - dat hij er 'beslist een prettige tijd heeft gehad' - het sobere menu van 'wortels, uien, resten zelfgebakken brood en stroop van op de kachel uitgekookte suikerbieten' ten spijt.

Tekst gaat verder na de foto.

Duitse soldaten op verlof in Artis in Amsterdam. Beeld Wiel van der Randen / Spaarnestad / HH

Verzetsman Henk Blonk bivakkeerde achtereenvolgens in het wolvenhuis en bij de gorilla Japie. 'Het barstte er van de kakkerlakken', zei hij later. 'Ze liepen over mij heen en hebben zelfs een stuk van mijn wenkbrauw opgevreten.' Na de doorwaakte nacht wandelde Blonk door de tuin, waar hij veel Joodse Amsterdammers tegenkwam en mensen van wie hij vermoedde dat ze probeerden te ontkomen aan de Arbeitseinsatz.

De veteraan onder de onderduikers was mevrouw Duif van der Brink, die vier jaar lang in verschillende onderkomens heeft geleefd. 's Morgens kwam ze van het wolvenhuis naar het apenhuis voor haar natje en haar droogje. Op dat bankje bij de apen zat ze altijd met mensen, ook met Duitsers, te praten. Ze hebben haar altijd met rust gelaten, niet wetende dat ze een Jodin was.' Mevrouw Duif van der Brink voelde zich dermate veilig dat zij, aldus Frankenhuis, zelfs rondleidingen verzorgde - in het Duits.

Dat de vaste en tijdelijke bewoners van Artis niet aan de honger zijn bezweken is, zegt Frankenhuis, goeddeels de verdienste van zijn verre voorganger Armand Sunier. Voor de oorlog had hij als voorzorgsmaatregel al grote hoeveelheden brandstof, hooi, zaden en vlees ingeslagen. 'Van zaden die niet meer te krijgen zijn, hebben wij nog voorraden voor ongeveer 100 weken', meldde de notulist van de bestuursvergadering van 24 april 1941. 'Ook met de vleeschvoorziening gaat het goed.' De reguliere voorraad, ondergebracht in een vrieshuis, werd tijdens de oorlog aangevuld met vlees van noodslachtingen, verdronken, overtollige en gestorven dieren uit Artis zelf, maar ook met kleine huisdieren van gedeporteerde Joden of mensen die hun onderhoud niet meer konden betalen.

Tekst gaat verder na de foto.

Ondergedoken Artis-oppassers op de hooizolder boven de roofdiergalerij.

Duitse mascotte

Artis kreeg verder 'grote hoeveelheden oud brood en andere voedselresten' van de Duitse marine - als tegenprestatie voor de verzorging van haar mascotte, een bruine beer. Verder onderhield Sunier vruchtbare contacten met verschillende abattoirs en wist hij het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam ertoe te bewegen placenta's van pasgeboren baby's aan Artis af te staan' - 'een vergrijp waarvoor hij nu op staande voet zou zijn ontslagen', zegt Frankenhuis. Toen de voorraad ingevroren vlees - mede als gevolg van een langdurige stroomstoring in de warme zomer van 1944 - was uitgeput, werden de roofdieren gevoed met wilde duiven, eenden, ratten en stokvis.

Van de betrekkelijke weelde bij Artis ging in de laatste oorlogsfase een grote aantrekkingskracht uit op hongerende Amsterdammers. In het seizoen 1944/'45 werd bijna driemaal zoveel entreegeld geïnd als in het seizoen 1939/ '40. Sommige bezoekers kwamen voor de warmte in het reptielenhuis, het vogelhuis en het aquarium. Anderen kwamen voor het dierenvoedsel. 'We waren broodmager en glipten door de spijlen van het hek naar binnen', zei een Amsterdammer na de oorlog. 'Dan verstopten we ons in de bosjes, en als de voedselkar langs was geweest, probeerden we met kromme breinaalden en stokken met een spijker de boterhammen uit het berenhok te pakken. We moesten oppassen, want die beren konden flink uithalen.' De grootste slag die dierenrovers tijdens de oorlog wisten te slaan, betrof een van de varkens uit de dierenboerderij. 'Maar het is nu ook weer niet zo dat iedere bezoeker met een eend onder de arm de dierentuin verliet', zegt Frankenhuis.


Breepleinkerk - schuilen in diepe duisternis

Als actief lid van de gereformeerde kerk in Rotterdam hoorde Henk den Haan (83) al vele jaren 'indianenverhalen' over 'zijn' Breepleinkerk, in de wijk Feijenoord. Over onderduikers die er tijdens de Duitse bezetting zouden hebben gewoond. Over een kind dat er in die bange tijd zou zijn geboren. En over een Surinaamse oogarts die daarbij medische assistentie zou hebben verleend.

In 2006, bij de nadering van het 60-jarig bestaan van de kerk, probeerde Den Haan via het blad Oud-Rotterdammer in contact te komen met mensen die meer konden vertellen over al die verhalen. Vrijwel per omgaande meldde zich de 81-jarige Rebecca Andriesse. Met haar vroegere man Maurice en diens ouders Ida en Meijer Kool had zij ruim 34 maanden in de kerk geschuild. Daar kregen zij gezelschap van het echtpaar Chaim en Fifi de Zoete. Op 6 januari 1944 beviel Rebecca van een zoon, Emile. Als gynaecoloog trad de Surinaamse oogarts Leo Lashley op, 'de negerdokter' in de volksmond. De verhalen die Den Haan zo onwaarschijnlijk hadden geschenen, bleken te kloppen. Alle onderduikers hebben de oorlog overleefd.

Rebecca wees Den Haan de weg naar haar vroegere schuilplaats, een ruimte naast het orgel, die slechts via een ladder te bereiken was. Hier trof Den Haan de voorwerpen aan die de onderduikers 61 jaar eerder bij hun vertrek hadden achtergelaten: lege blikjes, een gesp, een Matzes-verpakking, krulspelden, een zakdoek en enige kledingstukken. Rebecca zelf had er geen enkele behoefte aan om Den Haan te vergezellen. 'Ik weet wel hoe het er daar uitziet', zei ze later dat jaar tijdens een reünie met nazaten van haar lotgenoten en haar helpers.

Theologe Anja Matser op de zolder van de Breepleinkerk in Rotterdam. Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Op 29 mei 1942 namen Rebecca en Maurice hun intrek in een van de kerkzolders, waar altijd duisternis heerste, en waar het in de zomer ondraaglijk warm en in de winter ondraaglijk koud was. Daags tevoren waren zij getrouwd. Een foto, gemaakt voor het Rotterdams stadhuis, toont het jonge echtpaar - hij met een corsage in de revers, zij met een boeket in de hand. Zijzelf en de meeste omstanders dragen de Jodenster, die net verplicht was gesteld. Haar moeder Aaltje, een strijdbare communiste die zelf Joodse vluchtelingen had opgenomen, ontbreekt op de foto. Zij was een maand eerder, op 36-jarige leeftijd, om het leven gebracht in kamp Ravensbrück. Haar vader Emanuel, een bloemenkoopman, zou vier maanden later in Auschwitz worden vermoord. Aaltjes vader, Rebecca's grootvader, had via relaties het onderduikadres in de Breepleinkerk gevonden. Niet voor zichzelf, maar voor Rebecca. 'Ze hebben mijn dochter, mijn kleindochter krijgen ze niet', zou hij hebben gezegd.

De onderduikers in de Breepleinkerk werden verzorgd door het kostersechtpaar Jacobus en Annigje de Mars-Ouwens - die de kerk ook voor ander illegaal werk gebruikten. Een schaarse bron van vertier voor hun gasten waren de zondagse kerkdiensten, die zij - kijkend door de gaatjes in het psalmenbord - konden volgen. Soms zagen Chaim en Fifi de Zoete vanaf de galerij in de kerk hun dochtertje Hadassah, die enige tijd in de buurt was ondergebracht, in de tuin van de koster spelen. Het meisje was destijds, als Hansje, een klasgenootje van Henk den Haan.

Op schoot bij een Duitser

Meestal verbleven de onderduikers in, of in de nabijheid van, hun schuilplaats. Maar niet op zaterdag 14 april 1945, de dag waarop de Duitsers een inval deden in de kosterswoning. Rebecca en haar schoonouders konden ontkomen. Maurice, op ziekenbezoek bij de koster, kroop onder diens bed - waar hij niet werd gevonden. Baby Emile werd door een van de Duitsers liefdevol op schoot genomen. Alleen voor koster Jacobus de Mars liep de inval verkeerd af. Hij werd van zijn bed gelicht en kwam uiteindelijk in de Scheveningse strafgevangenis terecht. Na de oorlog keerde hij - zo verzwakt dat hij zijn functie spoedig moest neerleggen - terug in Rotterdam.

Theologe Anja Matser heeft de lotgevallen van de onderduikers van de orgelzolders opgetekend in een vorige maand verschenen boek. De kerk waar alles zich heeft afgespeeld - 'het Achterhuis van Rotterdam', in de woorden van burgemeester Aboutaleb - werd vorig jaar door zo'n 2.000 scholieren bezocht. Rebecca Andriesse overleed in 2012.

Indringende getuigenissen van verzetsstrijders, een reportage over slachtoffers die eindelijk een naam krijgen en het relaas van de laatste ooggetuigen. Op volkskrant.nl/oorlogsverhalen vindt u onze meest indrukwekkende oorlogsverhalen.

Herdenking verplaatst

De herdenking donderdag in Amsterdam van vluchtelingen die het leven lieten onderweg naar Europa is op last van burgemeester Eberhard van der Laan verplaatst van het Rembrandtplein naar de Nieuwmarkt. De herdenking valt precies samen met de Nationale Dodenherdenking, om 20 uur op de Dam. Omdat het Rembrandtplein op de route ligt van de stille tocht naar de Dam ziet Van der Laan liever dat de manifestatie verhuist naar de Nieuwmarkt.

De burgemeester had de organisatie ook gevraagd om een ander moment te kiezen, 'om zo niets af te doen of toe te voegen aan de jaarlijkse herdenking van de naar schatting zestig miljoen slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en de doden van de oorlogen waar Nederlanders bij betrokken waren', schrijft hij woensdag aan de gemeenteraad.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden