Nog even berendokter

In het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam werken 7.000 mensen en 2.400 studenten volgen er hun opleiding. Het ziekenhuis heeft 50 kilometer gang, 25 duizend opnamen per jaar, 29 duizend dagbehandelingen en 350 duizend polikliniek-bezoeken....

Donderdag, 9.00 uur. Een binnenplein van het AMC, waar op andere dagen kroketten, saucijzenbroodjes en pistoletjes gezond worden geserveerd, is vandaag het toneel van het Teddy Bear Hospital. Johan Manshanden komt aangelopen met aan beide handen een kleuter. Links de blonde Yaël, rechts de donkere Betül. De meisjes dragen roze kleren en daaroverheen een doktersjas. Yaël heeft een knuffel met mazelen en buikpijn, Betül kan zich de klachten van haar groene Teletubbie niet meer herinneren. Dromerig kijkt ze naar haar vriendin. Natuurlijk, Teletubbie heeft buikpijn, net als Wangwang.

Het zijn vooral kleuters die hun meegebrachte knuffel door de klaarstaande studenten geneeskunde laten behandelen. Johan geeft de meisjes een mondkapje en een groen o.k.-mutsje. Hij zet de meisjes aan een tafel en gaat ertegenover zitten. Hij vult een anamneseformulier in en weegt een voor een de knuffels. Teletubbie is zwaarder dan Wangwang, maar moeder Betül zit er niet mee. Ze kijkt strak voor zich uit, een beetje geïntimideerd door het grote ziekenhuisplein en de lange man tegenover zich. Ze luistert naar haar klasgenoot Yaël die het hoogste woord heeft over een neppe stethoscoop die kwijt is, en verrukt reageert wanneer Johan een echte uit zijn borstzak tovert.

Het Teddy Bear Hospital wordt voor het vijfde jaar in het AMC georganiseerd. Doel is kleine kinderen ontspannen kennis te laten maken met het ziekenhuis. Voor Johan is het de tweede keer dat hij in de organisatie zit. Ook dit jaar is hij verantwoordelijk voor het materiaal. Hij is trots dat het berenziekenhuis elk jaar professioneler wordt. De bouwhekken die net als vorig jaar om het plein staan bijvoorbeeld, zijn een goed plan van hem geweest. Zeker met de oude gordijnen die hij van de linnenkamer heeft kunnen lenen. Dit jaar wordt zijn laatste jaar, volgende maand wordt zijn opvolger gekozen. Het is een mooie ervaring, een heel mooie ervaring, jazeker, Betül en Yaël ontroeren hem met hun verlegenheid, hun onbevangenheid, maar het leven heeft nog veel meer in petto.

Het is te vroeg voor gebondenheid. Weliswaar heeft hij al een paar jaar een vriendin, maar wat ambities betreft kun je niet strategisch genoeg zijn. Hij weet hoe lastig het kan zijn op de goeie plek terecht te komen. Johan roept het beeld op van de krokodil die kalm en geduldig zijn kansen afwacht om snel toe te slaan als het nodig is. Gretig, maar niet onrustig. Hij weet wat hij wil. Hij wil chirurg worden. Hartchirurg, het liefst. Er valt meer te ontdekken in het ziekenhuis. Dat is misschien wel het mooiste van 24 zijn. De ervaringen die nog komen, die staan te trappelen om geleefd te worden. Om elke hoek een potentiële kans. Johan is vierdejaars en weet dat geneeskunde dóórgaan is. Niet als een kip zonder kop, maar je ogen openhouden, kansen zien en benutten, dat is wel zo’n beetje de belangrijkste drive van de berendokter.

‘Mag ik even naar de wc?’, meldt een amechtige vrijwilliger zich bij Johan. De mollige eerstejaars heeft zojuist voor de kinderen enthousiast en luid ambulance gespeeld en ziet eruit of ze wel een slok water kan gebruiken. Johan lacht, dat hoeft ze toch niet te vragen, zo streng is hij toch niet? Maar als een andere studente zich niet snel genoeg door de walkietalkie meldt, wordt ze gedecideerd door hem tot de orde geroepen. Geneeskunde is niks anders dan tien telefoonboeken uit je hoofd leren, je onderscheiden doe je met wilskracht. Op het moment dat anderen opgeven, zal hij doorzetten. Ja. Hartchirurgie. In elk geval iets snijdends. Hij kan het opbrengen om uren achter elkaar te opereren, als voormalig wedstrijdroeier weet hij wat uitputting en vermoeidheid zijn. Hij is een jongen aan wie ook vandaag niets ontgaat. Een op de grond gevallen pleister raapt hij op, een stapel papieren schudt hij recht, en wanneer een peuter voorbij dribbelt in een te lange jas, maant hij de begeleidende student tot voorzichtigheid, het kind zou eens kunnen struikelen. De student is het soort dokter dat straks bij het dichtnaaien niet per ongeluk het gaasverband laat zitten. Johan kijkt de meisjes vertederd aan. Zo lief zien ze eruit, opgetuigd met die groene mutsjes. Later wil hij ook kinderen, maar hoe zal dat gaan, hij en zijn vriendin, allebei arts, en dan een gezin? Vreemd idee. Hoe zou alles er over vijftien jaar uitzien? ‘Wat denken jullie?’, vraagt hij de roze-witte kleuters die iets weg hebben van marshmallows. ‘Zullen we een foto laten maken van de zieke buiken?’ Betül staart hem aan met grote ogen; Yaël is een en al opwinding.

Daar stopt de ambulance al, bijgetankt maar nog steeds verhit. Samen met een vriendin duwt ze het bed met wielen vliegensvlug naar de afdeling radiologie: twee overheadprojectoren waar de knuffels makkelijk op passen. De kleuters mogen zelf het knopje bedienen. Het licht gaat aan en weer uit en Johan pakt twee ‘foto’s’ uit een la waarop een geraamte is getekend, want kleuters kun je alles wijsmaken en dat is juist leuk. ‘Oei, poot gebroken, wat een pech’, zegt hij. En daar gaat het weer verder, met gillende damessirenes, dadu dadu, naar de gipskamer.

Johan loopt er opgewekt achteraan. In zijn halflange haar glanst gel. Alles wat hier gebeurt – het leidinggeven, het organiseren, de contacten met de pers, de rust bewaren wanneer Hart van Nederland en de NOS tegelijk opnamen willen maken van een klas slechtziende kinderen, de persberichten nakijken op spelfouten – is een leuke en leerzame voorbereiding op later.

Aangekomen op de gipskamer moeten Yaël en Betül even wachten. De poot van Pikachu, de knuffel van Aïda, een klein gespannen meisje met een brilletje, is eerst aan de beurt. Een plastic zakje eromheen, daarover het echte gips. ‘Let op’, zegt de lange berendokter tegen de vrijwilligers, ‘niet te veel gips gebruiken, want dat krijg je niet droog.’ En dan zijn dan toch Teletubbie en Wangwang aan de beurt. Net voordat de moeders Yaël en Betün de aandacht voor hun zieke kinderen dreigen te verliezen.

Het mooiste van het jaarlijkse berenziekenhuis vindt Johan het contact met de kinderen uit het Emma-kinderziekenhuis. Hij herinnert zich hoe vorig jaar aan de rand van het plein een vader en zijn dochtertje stonden. De vader met hangende schouders. Het meisje kaal en uitgeput. Johan was naar hen toegelopen, had ze aangesproken, overgehaald mee te doen. Het doodzieke meisje schoof hij haastig een beer toe: wat zou de beer hebben, arme beer? Het meisje had net een chemokuur gehad en zou een half uur later worden bestraald, waarom dan niet even meedoen met die vreemde kermis? Ze hadden niks te verliezen en samen volgden ze Johan naar de tafel voor de anamnese van de hen haastig toegeschoven beer. Het meisje nam plaats, de beer werd onderzocht en net als bij Yaël en Betül werd de ambulance erbij gehaald. Net als Yaël en Betül werd ze door rood aangelopen geneeskundestudenten in volle vaart over het ziekenhuisplein geduwd. Op het haarloze gezicht verscheen een glimlachje en ook haar vader ontspande zich. Tien minuten later nam Johan afscheid van een vrolijk kind en een breed grijnzende vader. Op zijn rug voelde hij kippenvel. Dat zijn de mooiste momenten, denkt hij wanneer hij Yaël weer terugbrengt naar hun klas, dat is waarom hij arts gaat geworden, het contact met patiënten. Ook als hij over tien jaar patiënten openzaagt, is wat hem drijft de wil te helpen. Het komt wel goed. De student heeft er het volste vertrouwen in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden