ReportageCoronacrisis in Hongarije

Nog één keer scharrelen in Boedapest voor iets extra’s

Sandor Jakab kijkt of er nog iets van waarde te vinden is in het tiende disctrict op de jaarlijkse 'ont-afval-dag' in Boedapest. Beeld Akos Stiller

Eens per jaar mogen Hongaren letterlijk alles op straat kieperen. Voor de alleramsten zit er wellicht nog iets van waarde tussen. Maar corona maakt ook hieraan voorlopig een einde. Hoe zij zorgen dat ze niet ziek worden? ‘Veel knoflook en uien eten.’

Als de tijden koortsig zijn, wordt een stad als vanzelf een patiënt. In Boedapest kun je de temperatuur het beste opmeten in het tiende district. Op de hoek van de Nyeröstraat staan vier verhuiswagens te pruttelen en te toeteren. De chauffeurs blokkeren de weg, niemand geeft een millimeter prijs. Het wachten beu stapt er eentje uit, en beent naar het busje tegenover hem. ‘Ga godverdomme naar achteren, ik wil erlangs.’ De ander zet grote ogen op. ‘Ik heb een bijl achterin, ik hak je in stukjes!’ Een derde begint te sussen. Veel te langzaam komt er beweging in de wagens.

Dat deze wijk door iets bevangen is, is makkelijk te zien, maar de dader is (nog) niet het coronavirus. Het is ‘gooi-je-afval-weg-dag’, een dag waarop de inwoners hun grofvuil langs de kant van de weg mogen zetten. Hongaren hebben er een naam voor: lomtalanitàs, letterlijk ‘ont-afvallen.’ Voor de inwoners van Boedapest is het een traditie geworden die jaarlijks terugkeert bij het begin van de lente, vergelijkbaar met het uit de stal laten van de eerste koeien in Nederland.

Beeld de Volkskrant

Geschrokken van de coronapandemie heeft de gemeente een streep gezet door de traditie. Het verpauperde tiende district mag als laatste ‘ont-afvallen’, daarna is het voor dit jaar klaar. Het gevolg is dat alle schatzoekers van Boedapest en omgeving zich deze namiddag in het tiende melden. Sjacheraars in groezelige busjes wurmen zich door de smalle straten, op zoek naar koelkasten, magnetrons en antieke lampen – alles wat maar een beetje geld kan opleveren bij de rommelmarkt of schroothandelaar.

Brigitta Varadimet met haar dochter, Dzsenifer. Brigitta is samen met haar man en kinderen op strooptocht op de jaarlijkse ont-afval-dag.Beeld Akos Stiller

Na de ruzie in de Nyeröstraat maken de vier chauffeurs zich weer uit de voeten. Ze worden nagekeken door een man zonder geld, werk of hoop. Wat Csaba Váradi (46) wel heeft, ligt in al zijn glorie naast hem opgestapeld. Half vergane spaanplaten, stoelen in grootmoeders stijl, wat piepschuim en een stoffer. ‘Eindelijk iets leuks!’, gilt Váradi’s zoontje van negen als een buurtbewoner een zak vuilnis naast de stapel smijt.

Samen met zijn vrouw en kinderen is Váradi vroeg opgestaan om ’s ochtends vroeg een stapel grofvuil te claimen. Zo gaat dat in Boedapest: wie er het eerst bij is, eist een stukje stoep op. Alles wat daar gedumpt is, mag je verkopen. Meestal zijn het Roma die er het snelst bij zijn. De avond ervoor sturen ze verkenners naar de wijk. Je kunt de mannen in het schemerduister zien rondhangen, op het oog nonchalant, maar in realiteit spiedend naar iedere straathoek. In Boedapest kan het gebeuren dat je je van je grofvuil ontdoet, weer naar binnen loopt, je dan bedenkt, en buiten op leven en dood moet vechten om je eigen keukenkastje.

Váradi’s vrouw Brigitta (40) had gehoopt dat er tussen de troep wat kostbaar ijzer of koper zou zitten. De opbrengst is karig. Er lag ’s ochtends nog wat metaal tussen, zegt ze, maar dat is door anderen meegenomen. ‘Ze zeiden: dit is onze plek.’ Als Roma staan de Váradi’s in Hongarije onderaan de voedselketen. Ze kunnen de huur niet betalen, en staan binnenkort op straat. De lippen van Csaba Váradi sluiten zich rond een peuk, waardoor de buitenwereld niet kan zien dat hij drie voortanden mist. ‘We zijn bang dat we via de spullen het coronavirus oplopen, maar we hebben geen keus. We moeten wel.’ Mistroostig voegt hij er een Hongaars spreekwoord aan toe: ‘Het moeten is een almachtige heer.’

De angst in het tiende district is van een specifiek soort. Het is geen angst voor het virus, maar vooral voor de economische gevolgen. De rijken kunnen zich quarantaine veroorloven, zeggen de bewoners, maar hoe zit dat met ons? ‘Je gezondheid gaat boven alles’, bromt Joszef Rostás (54) gedwee, en toch staat hij in de avondlucht een koelkast open te breken die eerder door allerlei onbekende handen is gegaan. De compressor hoopt hij te verkopen voor omgerekend een euro, een magere aanvulling op zijn kleine maandsalaris (230 euro) als ‘assistent-metselaar’.

Iedereen heeft zijn eigen remedie tegen het virus. Veel knoflook en uien, zegt de één. Onzin, een deciliter brandewijn (‘palinka’) doodt het virus meteen, bezweert een tweede. Achter hem staat de 22-jarige Akos zijn vangst door te bellen aan een groothandelaar. ‘Ik heb een partij uniforms uit de communistische tijd gevonden. Er zitten sterren op de revers. Chique knopen ook. Wat zeg je, weggooien? Oké.’

Een paar straten verderop heeft Tonia Angéla (46) een messing kraan uit de vuilnishoop gevist. Uit haar blik spreekt schaamte. ‘Als we in quarantaine belanden, is het met ons gedaan’, zegt ze, verwijzend naar de slechte staat van de gezondheidszorg in Hongarije. ‘In ziekenhuizen is geen zeep, geen wc-papier. De bedden zitten vol wantsen.’

Soms vinden de schatzoekers iets van waarde. Een oude ansichtkaart, een handtas met een kettinkje, of wat bruikbare kleren voor hun kinderen. ‘Dit is nou Hongarije’, hoont Mária Jónás (53), ‘een land waar je moet schooien voor je eten.’ Nu de avond is gevallen, kan er alleen nog gezocht worden bij het schijnsel van een hoofdlampje. Als ze kinderen had, zegt Jónás, was ze al lang begonnen met stelen. ‘Ik zou ze niet laten creperen. Dan nog liever de gevangenis in. U zou hetzelfde doen.’ Het scharrelen zit er voor haar op. Als de corona het toestaat, is ze er volgend jaar weer.

Jozsef Rostars sloopt de metalen delen van een oude koelkast. Beeld Akos Stiller

Lees meer over de gevolgen van het coronavirus in Hongarije 

Als kritische journalist in Hongarije ben je al snel een ‘corona-collaborateur’
Een wetsvoorstel van Viktor Orbáns regering baart Hongaarse journalisten veel zorgen. ‘Paniek zaaien’ met ‘onwaarheden’ over de coronapandemie kan tot vijf jaar cel leiden. ‘Er kan een sfeer ontstaan waarbij het publiek zich tegen ons keert.’

‘Omdat artsen bang zijn om te praten, hoor je in Hongarije weinig over de situatie in ziekenhuizen’
Coronacrisis of niet, correspondent Jenne Jan Holtland (30) mag in Boedapest nog gewoon naar de kapper of een bruiloft. Toch blijven ook de Hongaren het liefst binnen. Oost-Europa heeft nog niet veel doden, maar de landen weten: de grote klap moet nog komen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden