Nog een heel leven voor zich

Heeft een risicoprofiel van elke vierjarige zin? Het plan van minister Rouvoet biedt ook de wetenschap kansen. Door Peter Giesen en Sophie Broersen..

Mag de staat als Super Nanny voor alle Nederlandse kinderen optreden? Het ontbreekt minister Rouvoet van Jeugdzaken allerminst aan ambitie. Hij wil een veiligheidsnet onder alle Nederlandse kinderen spannen, zo blijkt uit zijn vorige week verschenen notitie Alle kansen voor alle kinderen.

Van ieder kind wordt in de eerste vier levensjaren een risico-analyse gemaakt. Medewerkers van de nog te verrijzen centra voor Jeugd en Gezin moeten zo vroeg mogelijk inschatten welke kinderen dreigen te ontsporen of anderszins in problemen komen. Vervolgens moet de overheid de ouders ondersteuning bij de opvoeding bieden.

Als ouders daar geen zin in hebben, zullen ze desnoods gedwongen worden om mee te werken.

De doelstellingen van deze operatie zijn niet omstreden. Hoe minder delinquente jongeren, hoe minder gevallen à la Savanna, hoe beter. Maar zijn de risico’s op kindermishandeling, delinquentie of psychosociale problemen (zoals angsten en depressies) wel zo goed te voorspellen? En zijn de programma’s voor opvoedingsondersteuning wel zo effectief? Suggereren ze niet een maakbaarheid die in de praktijk niet kan worden waargemaakt?

Met de meeste Nederlandse kinderen, zo’n 85 procent, gaat het goed. De rest heeft in meer of mindere mate problemen. Daarbij lopen sommige kinderen meer risico dan andere.

In wetenschappelijk onderzoek zijn talloze risicofactoren gevonden, zoals het opgroeien in een eenoudergezin, armoede, alcoholisme bij de ouders, relatieproblemen van de ouders, maar ook een laag geboortegewicht en een moeder die tijdens de zwangerschap heeft gerookt.

Zwak verband

Zwak verband
Het statistisch verband tussen risicofactoren en latere problemen is echter zwak. Wel bestaat er een lineair verband tussen zulke problemen en het aantal risicofactoren. Hoe meer risicokenmerken, hoe groter de kans op moeilijkheden. Daarbij doet het er niet zo veel toe welke kenmerken dat precies zijn.

Zwak verband
Toch gaat het ook goed met de meerderheid van de kinderen die in relatief ongunstige omstandigheden opgroeien. Er ontstaan geen problemen bij 70 procent van de kinderen met vier risicofactoren, bijvoorbeeld een alleenstaande Marokkaanse moeder die slecht Nederlands spreekt, weinig verdient en alleen de lagere school afgemaakt heeft.

Zwak verband
‘Je moet ook niet denken in termen van risicofactoren’, zegt dr. Jo Hermanns, hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam. Het werkt averechts als mensen bij voorbaat als probleemgeval worden beschouwd, alleen omdat ze allochtoon zijn of een laag inkomen hebben. ‘Dan veroorzaak je alleen maar onzekerheid bij mensen die helemaal geen problemen hebben. Je moet denken in risicoprocessen.’

Zwak verband
Daartoe moet de ontwikkeling van kinderen vanaf hun geboorte goed in de gaten worden gehouden. Met twee andere deskundigen ontwierp Hermanns in 2005 een systeem voor het monitoren van kinderen. In het najaar zal een richtlijn verschijnen voor het vroegtijdig signaleren van problemen. In de nieuwe Centra voor Jeugd en Gezin wordt voortgebouwd op de praktijk van de consultatiebureau’s, maar er zal systematischer gescreend worden.

Zwak verband
Als het kind ouder wordt, speelt de school een belangrijke rol. Hermanns vindt dat kinderen daarnaast een keer in de twee jaar systematisch gescreend moeten worden. Daarbij moet onder meer worden gekeken naar hun psychisch welbevinden en de thuissituatie.

Zwak verband
Het verschil met de huidige praktijk is dat kinderen intensiever, maar vooral systematischer worden gevolgd, veelal aan de hand van gestandaardiseerde vragenlijsten. Als een hulpverlener vermoedt dat er sprake is van mishandeling of zelfs de kans op kinderdoding, kan hij dat ook inschatten aan de hand van een checklist. Bij een hoge score op zo’n lijst moet meteen worden ingegrepen, aldus Hermanns.

Zwak verband
Door een vroegtijdige risico-analyse kunnen hulpverleners snel tussenbeide komen, op een moment dat het probleem nog overzichtelijk is. Maar helpen deze interventies van de jeugdzorg wel? In de Rapportage Jeugd 2002 van het Sociaal en Cultureel Planbureau wordt een weinig flatteus beeld geschetst van de programma’s op het gebied van onderwijs- en opvoedingsondersteuning.

Erger

Erger
Soms wordt op de korte termijn resultaat geboekt, maar in hoeverre later probleemgedrag wordt voorkomen, blijft onduidelijk. Deugdelijk onderzoek naar de lange-termijneffecten ontbreekt in het geheel.

Erger
Volgens sommige onderzoekers maken de interventies problemen zelfs erger, omdat ze ouders onzeker maken, of afhankelijk van de hulpverlening. Ook kunnen ouders zich gestigmatiseerd of gediscrimineerd voelen, omdat zij als probleemgeval worden beschouwd.

Erger
‘In 2002 heerste inderdaad een beetje een stemming van: het is drie keer niks’, zegt dr. Tom van Yperen, hoogleraar effectiviteit van de jeugdzorg aan de Universiteit Utrecht. ‘Maar uit buitenlandse studies is gebleken dat een aantal interventieprogramma’s behoorlijk effectief zijn. Die programma’s worden nu gaandeweg ook in Nederland ingevoerd’, aldus Van Yperen.

Erger
Om de professionalisering van de jeugdzorg te bevorderen houdt het Nederlands Jeugdinstituut een database van effectieve interventieprogramma’s bij. Daarnaast krijgt ZonMw, de Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie, in de periode 2006-2011 33 miljoen voor onderzoek naar het effect van programma’s op het gebied van opvoedingsondersteuning.

Erger
‘Volgens buitenlands onderzoek hebben goede interventieprogramma’s effect bij 70 tot 80 procent van de doelgroep. Statistici hanteren daarbij de vuistregel dat het met 50 procent van de kinderen ook beter zou zijn gegaan zonder interventie. De winst zou dan 20 tot 30 procentpunten zijn’, zegt Van Yperen.

Erger
Als een programma op ruime schaal wordt aangeboden, zal de effectiviteit waarschijnlijk dalen. Bij een wetenschappelijke evaluatie wordt er doorgaans voor gezorgd dat het programma onder gunstige condities wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld door het inzetten van goed getrainde professionals. Maar in de dagelijkse praktijk van de jeugdzorg zijn zulke condities niet altijd haalbaar.

Erger
Van Yperen: ‘Het is niet duidelijk hoeveel de effectiviteit daardoor daalt. Volgens sommige studies valt het wel mee, volgens andere valt het juist tegen. De komende jaren hopen we daar veel meer inzicht in te krijgen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden