Nog altijd in de ban van goed en fout

Anders dan het wetenschappelijk onderzoek naar oorlog en bezetting, blijft de publieke opinie ‘in de ban van goed en fout’....

In 1983 stelde ik, in mijn oratie In de ban van goed en fout?, aan de orde of, nu het indrukwekkende geschiedwerk van Lou de Jong de voltooiing naderde, het onderzoek naar de bezettingstijd behalve meer van hetzelfde ook andersoortige inzichten zou kunnen opleveren. De slotsom van mijn betoog was dat er inderdaad nieuwe benaderingen mogelijk waren. Ik beredeneerde dat voortgaan alleen of voornamelijk langs de op zich gerechtvaardigde en verantwoorde lijn van De Jong c.s., minder interessant zou zijn uit het oogpunt van wetenschappelijke vernieuwing. Analytisch is het hoofdkenmerk van deze geschiedschrijving het perspectief van onderdrukking, collaboratie en verzet. In vergelijking met de regels van het vak dat poogt afstandelijk, onpartijdig en niet moraliserend te zijn, kenmerkte de dominerende geschiedschrijving van de bezettingstijd zich bovendien door een juist wel moraliserende benadering. Niet voor niets noemde De Jong zichzelf een ‘volksopvoeder’.

Maar er was meer aan de hand dan een succesvol historisch ondernemerschap van volksopvoeder De Jong. De bezettingstijd is in het historisch besef in Nederland een centrale plaats gaan innemen, door N.C.F. van Sas mooi omschreven als een ‘schragende nationale herinnering’. Daarin nam deze periode de plaats in van ‘de mythe van De Gouden Eeuw’, die op haar beurt rond 1800 de ‘Bataafse mythe’ van haar plaats had verdrongen. Van Sas spreekt van een ‘mythenestafette’. Inherent aan deze ‘mythe van de oorlog’ is het ‘perspectief van goed en fout, nieuwe helden en nieuwe schurken, een buitenlandse erfvijand en... binnenlandse handlangers. Nederland kreeg nu een nieuw régime d’historicité en een nieuw tijdsbesef, gebaseerd op de simpele tweedeling vóór en na de oorlog’.

Deze rol van de bezettingstijd verklaart ook waarom wie voor dit onderwerp de gebruikelijke reflex van historici wilde volgen en de directe verbinding tussen analyse en moralisering wilde doorsnijden of losser maken, soms het gevoel bekroop iets te doen wat eigenlijk niet mocht, in ieder geval risico liep beschuldigd te worden politiek of moreel niet te deugen. Toch meende ik in 1983 dat het wenselijk was ook voor de geschiedenis van de bezettingstijd deze weg te volgen. Mijn betoog kreeg meer respons dan ik verwachtte, zowel binnen als buiten de vakkringen. Het is nogal overdreven zelfs wel eens aangewezen als de start van een nieuwe stijl van geschiedbeoefening van de bezettingstijd. Maar het is wel juist dat gedurende de laatste kwarteeuw in ons vak indrukwekkend veel is verschenen dat past in wat ik bepleitte.

Desondanks staan morele en politieke kwalificatie en diskwalificatie in de massamedia en de publiciteit over oorlog en bezetting dikwijls nog voorop. ‘De oorlog’, dat wil zeggen de Tweede Wereldoorlog en de daarbij behorende bezettingstijd, is nog altijd goed voor soms zeer geladen publiciteit. Terwijl in het wetenschappelijk onderzoek de ontworsteling aan ‘de ban van goed en fout’ betrekkelijk ver gevorderd is, blijkt van een verminderde band tussen analyse en morele en politieke appreciatie in de publieke sector nauwelijks sprake te zijn. De grote publicitaire aandacht wortelt kennelijk nog altijd in die mogelijkheden tot moralisering. Het demonstreert de grotere afstand die bestaat tussen de professionele historici en het publiek dan bij de volksopvoedende aanpak van De Jong het geval was.

De wijze waarop de moderne massamedia functioneren, speelt hierin een cruciale rol: hun neiging tot oppervlakkigheid, versimpeling, snel scoren, emotioneren liever dan inzicht geven, meningen ventileren liever dan informeren, sensatiebeluste koppen en onthulling van schandalen. Maar het zou onjuist zijn het te laten bij deze te gemakkelijke, modieuze en in deze samenballing karikaturale snier naar de hedendaagse massamedia. De fundamentele oorzaak ligt in de rol van de bezettingsgeschiedenis in onze samenleving. Zolang deze fase van het Nederlandse verleden de ‘schragende nationale herinnering’ vormt – en er zijn zeer goede redenen om aan te nemen dat dit vooralsnog het geval zal zijn – zal er voor verhalen over dat verleden een uiterst gevoelige belangstelling bestaan. Het gaat immers om de kernwaarden van onze samenleving, centrale vragen van goed en fout.

Ik betreur het dat gebeurtenissen uit ‘de oorlog’ zo dikwijls een affaire in de media tot gevolg hebben, omdat de discussie daardoor vaak zo onzuiver gevoerd wordt. Het is de prijs die wij betalen voor het feit dat wij die bezettingsgeschiedenis zo serieus nemen. Het gaat uiteindelijk immers om de essentiële vragen hoe onze samenleving georganiseerd dient te zijn: mensenrechten, vrijheid, democratie. Daarom herdenken wij de oorlogsslachtoffers en vieren wij de bevrijding. En daarom blijft de publieke discussie ‘in de ban van goed en fout’.

Dat blijkt ook bij andere gevoelige episoden uit het (recente) verleden. De ontvangst van het Srebrenicarapport van het NIOD uit 2002 is daar een goed voorbeeld van. Vijf jaar na de presentatie terugkijkend, valt op hoezeer de inhoudelijke historisch-verklarende conclusies van het rapport in de koppen van het nieuws terugkeerden als politieke en morele oordelen. Maar dat het NIOD bijvoorbeeld het besluit troepen naar Srebrenica te sturen, afkeurt of dat Dutchbat gerehabiliteerd zou moeten worden, is in het rapport niet als resultaat van het onderzoek te vinden. Het is wel mogelijk om op grond van de door het NIOD gerapporteerde bevindingen tot die politieke gevolgtrekkingen te komen, maar niet omdat de onderzoeksresultaten daartoe dwingen. In beide gevallen is het eveneens mogelijk op basis van het rapport tot een andere waardering te komen. Door deze vermenging van analyse en appreciatie werd het debat ook meteen weggetrokken van de toch niet onbelangrijke vragen hoe nu precies had kunnen gebeuren wat er gebeurde.

Nog teleurstellender was dat het debat in de massamedia en de politiek zich zo sterk tot de Nederlandse verhoudingen beperkte. De slotzin van de toespraak waarmee ik het rapport op 10 april 2002 presenteerde, luidde: ‘Het moge duidelijk zijn dat niet zozeer de affaire in Den Haag als wel de tragedie in de Balkan daarbij de kern van de zaak is.’ Noch in de eerste reacties noch in latere beschouwingen in de politieke sfeer, speelden de analyses van wat er in de Balkan gebeurd was en hoe de internationale interventies daarin verliepen, een rol van enige betekenis. Zelfs in de parlementaire enquête koos men er voor de Nederlandse kant, die toch als het om Srebrenica ging een zijtoneel was, centraal te stellen. Zo werd een kans gemist om zich in een openbare discussie op hoog niveau met zo veel mogelijk betrokkenen rekenschap te geven van deze tragische geschiedenis. Dat zou zelfs gekund hebben als die discussie uitsluitend tussen Nederlanders gevoerd had moeten worden omdat de betrokkenen van elders niet hadden willen komen.

Ook in dit geval is de verklaring niet zo moeilijk. Het Srebrenica-onderzoek werd weliswaar ingesteld om na te gaan wat er gebeurd was in Srebrenica, in de Balkan dus. Maar de opdracht tot onderzoek in engere zin wortelde toch vooral in een Haagse doofpotaffaire. Het is dan niet echt verwonderlijk dat de ontvangst van het rapport direct weer in diezelfde affaire-atmosfeer werd getrokken. Het NIOD beoogde van het begin af met het onderzoek tegemoet te komen aan een brede ‘wil om te weten’ in de samenleving, die zich zeker niet tot de Haagse affaire beperkte. Het rapport loste met zijn enorme omvang die belofte ruimschoots in. Maar de verontwaardiging en de schaamte over wat direct als een totaal militair, humanitair en moreel falen van Dutchbat en dus Nederland was ervaren, bleef in 2002 dominant. Daardoor was het niet mogelijk een meer afstandelijk analytisch debat aan de hernieuwde oordeelsvorming vooraf te laten gaan. ‘De ban van goed en fout’ plaveide de weg naar een afrekening in affairesfeer en dat is jammer.

Nu staat het publieke debat niet gelijk aan de koppen van het nieuws en er is ook geen sprake van een onoverbrugbare kloof tussen de bijdragen van historici en het publieke debat in de media en de politiek. Tussen de koppen van het dagelijkse nieuws en de wetenschappelijke discussie bevindt zich in de openbaarheid – de politiek-publicitaire sfeer en de meer intellectueel getinte literair-culturele sfeer – een baaierd aan discussiefora, waarin de resultaten van het meer afstandelijke wetenschappelijk onderzoek wel degelijk goed aan de orde kunnen komen en dat dikwijls ook doen.

Toch zou het wenselijk zijn dat ook in de dagelijkse actualiteit vaker even afstand wordt genomen om zich in de zaak waar het om gaat te verdiepen alvorens een mening naar voren te brengen. Hoewel het geen enkele garantie biedt voor adequate oplossingen, lijkt het niveau van de discussie toch alleen maar te kunnen winnen bij scherpe analyses van het verleden zonder de pretentie een instantoplossing te bieden.

Zo eindig ik mijn betoog met een dubbele slotsom. In 1983 achtte ik het wenselijk dat de ‘niet in alle opzichten verhelderende ban van de politiek-morele vraag naar goed en fout’ doorbroken zou worden. Thans kan ik concluderen dat dit in het historisch-wetenschappelijk onderzoek in hoge mate het geval is. Dat geldt veel minder voor het publieke debat en het zal gezien de aard van dat debat voorlopig ook wel zo blijven. Toch kunnen historische inzichten in allerlei opzichten een waardevolle rol spelen in het publieke debat. Zo bezien is er toch reden de toekomst met vertrouwen tegemoet te zien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.