Nina

De bel ging. Ik deed open. Er stond een klein meisje op de stoep. Het regende een beetje. Het meisje was een jaar of tien....

'Meneer', begon ze.

Ik nam het meisje goed in me op. Ik had haar nooit eerder gezien. Ze had peper en zoutkleurig haar dat een beetje piekerig langs een smal gezicht hing. Ze droeg een rood regenjack, een donkere broek en blauwe, afgetrapte gympen. Als gezegd, het was de grote, groene snottebel waardoor ze opviel. Ze leek zich er ook niet van bewust, en dat maakte het nog mooier.

'Meneer', herhaalde ze, 'ik ben mijn vader kwijt.' Ze keek me met haar blauwe ogen rustig aan.

Ik vroeg hoe haar vader heette.

Ze noemde een achternaam, en daarna aarzelend, alsof het vreemden eigenlijk niet aanging, een doodgewone voornaam, Nico. Ik had niet het idee dat ze me in de maling nam. Maar ik kende die Nico niet.

'Woon je in de buurt?', vroeg ik.

Ze aarzelde, zoals meisjes van tien dat kunnen, haalde toen enigzins nurks haar schouders op, en schudde uiteindelijk langzaam het hoofd. De grote snottebel ging ook heen en weer.

'Waar woon je dan?'

Ze keek me aan. Het beviel haar niet, al die vragen, maar ze koos toch maar eieren voor haar geld. Het was duidelijk een kind dat gewend was aan de straat, aan vreemden, misschien zelfs aan ouders die zoek waren. 'Ik woon in de Jan Hanzenstraat', antwoordde ze.

Ik kende die straat wel.

Niet zo ver weg ook.

'Waar ben je je vader kwijtgeraakt?', vroeg ik.

Ze keek om zich heen, ineens vertwijfeld.

Tot nu toe had ze zich vrij kranig gehouden, maar nu ontstond er een barst in haar zelfvertrouwen. Misschien moest ik haar een zakdoek voor de snottebel geven. Aan de andere kant: het kon jaren duren voor er weer zo'n klassieker voorbij kwam. Er hoorden ook kleine, zielige korstjes bij, aan de neusgaten. Uit mijn eigen jeugd herinnerde ik me ineens hoe die voelden.

'Hij ging parkeren', zei het meisje nu.

'Moest je ergens op hem wachten?'

Ze dacht na. Inderdaad had haar vader iets gezegd toen ze uitstapte, maar wat ook alweer? Ze wilde natuurlijk niet toegeven dat het haar eigen schuld was, en schudde dus zeer beslist het hoofd. De snottebel slingerde daarbij heen en weer en kwam tegen haar wang aan. Nonchalant veegde ze met haar mouw langs haar gezicht.

Weg snottebel.

'Hoe heet je?', vroeg ik.

'Nina', zei ze, een beetje boos.

Ineens sloeg toen een grote, breedgebouwde man de hoek om. Ik zag hem eerder dan Nina. 'Daar is hij', zei ik tegen haar. Ze draaide zich om en leek te schrikken. Het was hem, maar het zat niet helemaal lekker tussen de twee.

'Kom Nina', zei de man. Mij keek hij even vluchtig aan.

'Bedankt meneer', zei Nina tegen mij. Aan haar neus vormde zich alweer een nieuwe snottebel, een kleintje, maar toch. Ik keek haar na. Ze wilde haar vader geen hand geven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden