Niksweer

Ook de liefde voor een land gaat door de maag. De Nederlander die, zoals ik, langere tijd in een buitenland heeft gewoond, weet precies wat hij mist. Van 1985 tot 1990 woonde ik in Barcelona...

Vanuit Barcelona heb ik een keer tachtig kilometer op mijn motorfiets afgelegd omdat ik had gehoord dat er in een Nederlandse bar in Blanès broodjes tartaar met uitjes werden geserveerd. Het smaakte niet zoals in Nederland. Bij een andere gelegenheid heb ik, met geïmporteerde ingrediënten, stamppot rauwe andijvie klaargemaakt voor mijn Spaanse vrienden en familie. Het was geen succes. Het weer werkte niet mee, zou je ook kunnen zeggen. Buiten scheen namelijk de zon, al zeven maanden lang. Binnen lag de rookworst bovenop de aardappelpuree als een bontmuts op een met factor 11 ingesmeerde blote rug.

Sinds die dag dacht ik ‘s nachts, behalve aan haringen en pekelvlees, ook aan het weer in Nederland. Na zeven maanden op terrassen verlangde ik naar iets wat ik tot dusverre voor ondenkbaar had gehouden: naar een warm café met natte regenjassen en een potkacheltje. Naar een ijskoud borreltje in een beslagen glaasje, ook al iets wat in de eeuwige zon maar niet wilde smaken.

Sinds die vijf jaar in Barcelona is mijn relatie met het Nederlandse weer ten goede gekeerd. Elke dag een blauwe lucht geeft in het begin nog energie, maar wordt op den duur vermoeiend. Verder klaagden de Barcelonezen, nog meer dan de Nederlanders, over het weer. Het was te warm, veel te warm om echt iets te kunnen doen, en dat zeven maanden lang.

Ik weet niet meer welke ontdekkingsreiziger (Amerigo Vespucci?) ooit heeft gezegd dat je je beter kunt wapenen tegen slecht weer dan tegen goed weer, maar het is wel waar. Een hittegolf leidt tot claustrofobie, je wilt niet naar buiten, maar binnen is het ook niet echt prettig - en al helemaal niet met airconditioning. Bij een sneeuwstorm pak je je warm in en ga je sneeuwballen gooien.

Als ik ‘s ochtend opsta en zie dat het buiten grauw Nederlands niksweer is, gaat er een zucht van verlichting door mij heen. Bij dit soort weer ‘hoeft’ er namelijk niks. Het is het ideale weer om binnen te blijven, om aan de slag te gaan, bijvoorbeeld. Bij ook maar een glimp van blauwe lucht wordt de Nederlander onrustig: hij moet naar buiten, naar de bossen, of naar een terras. Dat laatste is ook iets wat ik definitief heb afgeleerd in Barcelona: bij elke dag mooi weer kun je net zo goed binnen blijven, je blijft zelfs liever binnen: in een restaurant eet een Spanjaard bij voorkeur in een eetzaal die geen buitenlicht doorlaat. Buiten zijn er vliegen, en het is ook niet goed voor je huid.

Een bekende psychiater heeft eens gezegd dat wie depressief wordt van regen en bewolkte luchten, nog depressiever wordt van een een stralend blauwe hemel. Ook het weer is dus voornamelijk psychisch.

Natuurlijk vloek ik wel eens, in februari, met wind tegen op de fiets door de plassen en regenvlagen, maar dan zie ik aan de noordelijke hemel een witte rookkolom van wolken, bijna nog mooier dan een vulkaanuitbarsting, afstekend tegen een nog dreigender, inktzwarte achtergrond - en voel ik iets wat nauw samenhangt met geluk.

Het Nederlandse weer, ik hoop dat het zo blijft als het is. Dat de boel niet nog verder opwarmt en we ook hier alle dagen alleen maar ‘mooi’ weer krijgen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.