Niks te verheffen

Kijken naar de armen: tv-programma's met minima in de hoofdrol scoren goed. Misschien speelt angst voor sociale neergang een rol. Een reële angst, want de middenklasse brokkelt af.

De krimpende middenklasse, de zich verdiepende kloof tussen arm en rijk, de spreekwoordelijke krantenjongen die nog maar hoogst zelden miljonair wordt: het waren de thema's waarmee Barack Obama zich als presidentskandidaat van zijn mededingers onderscheidde. En het was, afgelopen dinsdag, het hoofdthema van zijn State of the Union 2014. In zijn perceptie is armoede on-Amerikaans. Langdurige werkloosheid is onverenigbaar met de Amerikaanse belofte. Ook zonder een tweede of derde baan zou een blue collar worker zijn gezin moeten kunnen onderhouden. Het Amerika waar grote ondernemers 270 maal meer verdienen dan hun gemiddelde werknemer verloochent zichzelf.


Ook in Europa is armoede en ook in Europa botst armoede met een beschavingsideaal - dat van de verzorgingsstaat. Maar dat ideaal is niet zo sterk vervlochten met de nationale identiteit als in de VS. Het is meer gericht op 'de zwakken in de samenleving' dan op harde werkers die moeten worden beloond voor hun inspanningen. En het is van betrekkelijk recente datum. Aanvankelijk was het een soort prerogatief van de sociaal-democratie, sinds de Tweede Wereldoorlog is het de politieke norm - waarmee tot dusverre geen partij radicaal heeft willen breken.


Tegen deze achtergrond is armoede in de VS eerder een bron van schaamte - het gevolg van eigen falen - dan in Europa, waar ter verklaring van de eigen situatie wellicht eerder naar 'de omstandigheden' of naar een tekortschietende overheid wordt gewezen. Wie hier in armoede leeft, voelt daardoor mogelijk minder remmingen om anderen deelgenoot te maken van zijn situatie dan in de VS. Vandaar dat de sociale minima op televisie komen. Zo wordt de Britten deze weken een onthutsende blik gegund op het leven van de bewoners van Benefits Street: een real life soap over een straat in Birmingham, de James Turner Street, waar het toekomstbeeld van de Britse cultuurpessimist Theodore Dalrymple allang werkelijkheid is geworden. Naar schatting 5 procent van de bewoners heeft werk. Eenoudergezinnen zijn in de meerderheid. De mensen van de gemeentereiniging komen er zelden. Sociaal rechercheurs, incassobureaus en de politie des te vaker.


Wij, in Nederland, krijgen maar niet genoeg van de familie Flodder, die het aangeharkte bestaan in een villadorp ontwricht. We hadden wel aardigheid in de rauwe bijdragen van Henk Bres aan het debatprogramma Het Lagerhuis. We lieten ons op veilige afstand amuseren door 'Haagse Sjonnie', die zich er op verongelijkte toon over beklaagde 'dat je tegenwoordig, godverdegodver, moet wérken voor je centen', en door de wederwaardigheden van de Tokkies nadat die hun Amsterdamse woning op last van de rechter hadden moeten ontruimen. In eerste instantie legde de IKON, met een zeker sociaal mededogen, hun leven aan de rafelrand van de samenleving vast. Vervolgens zette SBS6 hen in als kanonnenvlees in de strijd om de kijkcijfers.


Armoede vertegenwoordigt een amusementswaarde en een flinke ook, blijkt uit de grote kijkdichtheid van televisieprogramma's die hieruit resulteren. De belangstelling voor randfiguren zal ten dele samenhangen met platvoers voyeurisme, of met de voldoening die sommigen putten uit een blik in een schralere wereld dan de hunne: naast een tokkie, een sjonnie of een bewoner van Benefits Street kunnen zij zich even winnaars wanen.


Ongepolijst

De oeroude fascinatie die uitgaat van de ongepolijste (in hedendaags Nederlands: authentieke) medemens speelt mogelijk ook mee. Het was een tamelijk gangbaar, zij het verhuld, verschijnsel in aristocratische kringen: de gesoigneerde heer die een mannenvriendschap of een erotische relatie aanging met een houtvester of een stalknecht. In de romans waarin standsverschillen een rol spelen, belichaamt 'de heer' vaak de dubbele moraal en de betrekkelijkheid van goede manieren terwijl 'de kleine man' voor ware deugden staat. Dit sjabloon vormt ook de sketches van André van Duin, waarin (ogenschijnlijk) simpele figuren de maatschappelijke verhoudingen op hun kop zetten. Met enige goede wil is de waardering voor de ongepolijste medemens nog wel aan te merken als uitloper van de eerbied die 'de nobele wilde' ooit in de betere kringen van Europa genoot.


Maar misschien is er nog iets anders. Misschien stellen de kijkers van Benefits Street zich ook wel bloot aan hun eigen oerangst voor sociale neergang. En die angst is nu beslist gegronder dan een paar jaar geleden, toen een door Oscar Wilde geformuleerde wet nog opging: 'The trouble with the middle class is, they are always rising.' Dat is, zoals Obama ook vaststelde in zijn State of the Union, niet meer het geval. De middenklasse, de ruggegraat van de westerse samenlevingen, erodeert. Daaronder ontstaat een diffuse onderlaag. Die bestaat uit 'oudgedienden' - laaggeschoolde 'kansarmen', maar ook uit mensen die hun talenten en hun scholing niet kunnen verzilveren.


In de VS zijn dat de slachtoffers van de 'higher education bubble': jonge academici die baantjes moeten accepteren die geen recht doen aan hun opleiding en die geen uitzicht bieden op vereffening van hun torenhoge studieschuld. In Duitsland staat de nieuwe onderklasse die met seizoensbaantjes, verlengde stages, werkervaringsplaatsen en tijdelijke contracten een onzeker bestaan opbouwt, te boek als 'Lumpenintelligenz' of 'precariaat'. In Die Zeit verscheen een paar jaar geleden een vermakelijk maar schrijnend stuk over oude twintigers en jonge dertigers die met laptops onbestemde dingen doen in cafés en slecht verwarmde woningen, en die 'met bier en energydrinks' proberen van hun armoede nog iets moois te maken. Maar op een zeker moment vragen zij zich toch af: 'Ist das noch Boheme oder schon die Unterschicht?' Ze solidariseren met andere marginalen - in de wetenschap dat ze weinig gemeen hebben met deze 'hamburgereters, Arabische hangjongeren en Oost-Europese prostituees'.


Het precariaat is 'een gevaarlijke klasse', schreef de Britse hoogleraar Guy Standing in zijn gelijknamige boek over de gisting aan de onderkant van de samenleving. Vooral omdat ze geen klasse ís, maar een vat vol tegenstrijdigheden. Anders dan het oude proletariaat, dat goed definieerbaar was en dat maatschappelijk wilde emanciperen, valt het precariaat uiteen in groepen met uiteenlopende belangen en uiteenlopende agenda's. Onzekerheid is de gezamenlijke noemer, niet een politiek program of een maatschappelijk streven.


En daarin onderscheidt de nieuwe onderklasse zich van het oude proletariaat. Dat gold als maatschappelijke avant-garde, vooral in de ogen van hen die niet tot deze klasse behoorden (Karl Marx in de eerste plaats). Dat die arbeiders gewoon om vijf uur thuis wilden zijn, dat ze spaarden voor de bouw van een dakkapel en dat ze in de zomervakantie met de caravan naar Sauerland wilden, dat ging er bij de would-be-arbeiders niet in. De meeste arbeiders zelf hadden met hun emancipatiestreven slechts de eigen sociaal-economische verheffing op het oog. En neem hun dat eens kwalijk. Maar dat streven stond in de ogen van de progressieve intelligentsia voor iets groters, iets mooiers. Zij verbonden de emancipatiestrijd van de arbeiders met dekolonisatie, met de strijd tegen de apartheid en met de emancipatie van vrouwen, homo's en andere, al dan niet zelfbenoemde, minderheden.


Nog in 1968 zochten opstandige Parijse studenten vertwijfeld (en vergeefs) de steun van fabrieksarbeiders, die zij als hun natuurlijke bondgenoten beschouwden. Joop den Uyl zag het grote verband tussen ongeveer alle emancipatiebewegingen ter wereld: 'Hun strijd, onze strijd, internationale solidariteit!' Jongeren met uitzicht op een witte-boordenbestaan gingen in fabrieken werken, in de verwachting daar met inzichten te worden verrijkt die hadden blootgestaan aan de bittere werkelijkheid van armoede en uitbuiting.


Aan de nieuwe onderklasse heeft de sociaal-democratie weinig te bieden. We kennen allemaal de ongemakkelijke beelden van toenmalig PvdA-leider Ad Melkert, die tijdens de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2002 geen gehoor geeft aan het indringende verzoek van een Rotterdamse om eens met eigen ogen te zien hoe het is om in een galerijflat tussen Somaliërs te leven. Of Labour-leider Gordon Brown die de klacht van een vrouw over arbeidsmigranten routinematig afdoet als xenofoob geklets.


Sjofel

In Duitsland kreeg de vervreemding tussen de sociaal-democratie en de onderklasse gestalte tijdens een min of meer toevallige ontmoeting van voormalig SPD-leider Kurt Beck en de steuntrekker Henrico Frank. Die maakte Beck tijdens een bezoek aan Wiesbaden, in december 2006, bittere verwijten over de versobering van de sociale voorzieningen door de rood-groene regering van Gerhard Schröder (1998-2005). Beck, zelf geen warm voorstander van Schröders hervormingen, reageerde getergd. 'Als u zich eens zou wassen en scheren, had u binnen drie weken een baan', voegde hij de 37-jarige werkloze toe.


Het klonk een beetje Amerikaans: wie niet aan de bak komt, heeft dat aan zichzelf te wijten. Toch oogstte Beck bijval met zijn vermaning. Want Frank leek van zijn sjofelheid inderdaad een statement te hebben gemaakt. Maar het voorval gaf trouwe partijgenoten ook te denken: het kenmerkte de ontwikkeling van de SPD tot een partij voor de middenklasse. Ze was de voeling met de 'onderkant van de samenleving' kwijtgeraakt. Niet eens zozeer door eigen toedoen, zoals partijdissidenten en critici ter linkerzijde van de SPD meenden, maar door de verdwijning van het proletariaat als vaste cliëntèle. En op de middenklasse viel, nog afgezien van het feit dat ze kromp, ook geen staat te maken.


Media-aandacht doet de onderklasse overigens maar zelden goed. De bewoners van Benefits Street roepen bij hun beter gesitueerde landgenoten meer afkeer dan mededogen op. Bij ons dragen de Tokkies de last van een achternaam - feitelijk alleen die van moeder Hanna - die ongunstige associaties wekt. Even hebben ze verdiend aan hun bekendheid, onder andere met optredens in reclamespotjes en met een kerstplaat. Maar uiteindelijk hebben ze daar niets aan gehad, erkenden ze in 2011 in het tv-programma Hoe is het toch met? Ze zijn gewezen BN'ers met een slechte reputatie. Ze zijn weer armlastig. En ze wonen - dat vindt moeder Hanna eigenlijk nog het ergst - in Almere, godbetert.


Met Henrico Frank lijkt het wel beter te gaan: hij werkt op de muziekredactie van de Frankfurtse tv-zender IM 1. Op Kurt Beck en op de SPD is hij nog steeds boos. Hij heeft zich in eerste instantie weliswaar geschoren en laten knippen, maar inmiddels heeft hij weer een volle baard, en is zijn haar langer dan ooit tevoren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden