Nieuwe natuur even kunstmatig als safaripark

RUIM EEN week geleden kreeg het Wereldnatuurfonds van minister Aartsen van Natuurbeheer een vergunning voor tien jaar om in Nederland zeearenden uit te zetten....

In de vele standpunten die in dit debat over natuurbeheer de revue zijn gepasseerd, ging men steevast voorbij aan één essentiële karakteristiek van het Nederlandse landschap: namelijk dat het een historisch landschap is, een landschap dat door mensen is gemaakt.

Wat de zeearend betreft, vergeet men al te vaak dat er nauwelijks historische redenen zijn om dit dier als broedvogel uit te zetten. Los van wat botresten uit prehistorische en Romeinse opgravingen en een handvol recentere waarnemingen, kan niet worden aangetoond dat de zeearend ooit in Nederland als broedvogel heeft geleefd.

In plaats van herintroductie is dus veeleer sprake van introductie van een exotische vogel, niet verschillend van de kalkoen of de struisvogel. Dat de zeearend het goed doet in de beeldvorming, is mooi meegenomen voor de publiciteitsstunt waar het hier in werkelijkheid om gaat: de zeearend fungeert eigenlijk als vliegend visitekaartje van het WNF.

In de grootschalige natuurontwikkelingsprojecten zien we een veronachtzaming van de historische en menselijke inbreng in het landschap. Als er nieuwe 'natuur' moet worden ontworpen, grijpt men telkenmale terug op het cliché van een ongerepte natuur. Waarom ontwerpen de natuurontwikkelaars geen landschappen met houtwallen en boomgaarden? Omdat dat geen natuur is, zo luidt de gangbare tegenwerping.

Bestaande natuurontwikkelingsgebieden zoals de Gelderse Poort en de Blauwe Kamer in het rivierengebied illustreren die gedachte. Doel is een terugkeer naar het landschap van vóór de bedijking van de rivieren. Dijken worden doorgestoken, de oude rivierlopen worden opnieuw uitgegraven en aan agrarisch landgebruik wordt een eind gemaakt.

Dat alles om de illusie te wekken van een landschap van de prehistorische verzamelaar, een landschap dat nog niet door de landbouw is verminkt. Dat neemt niet weg dat ook deze niet door mensenhand beroerde 'oernatuur' een volstrekt kunstmatig landschap is, ontworpen op de tekentafel. Een landschap dat niet minder kunstmatig is dan een safaripark of een rotstuin.

De ironie wil dat nieuwe natuurgebieden vaak worden ontwikkeld op voormalige landbouwgrond. De boer moet plaatsmaken voor de recreant. Zo ontstaan valse tegenstellingen tussen cultuur en natuur, productie en recreatie, geschiedenis en stilstand.

Ten onrechte gaat men er van uit dat geschiedenis aan de mens toehoort en dat de natuur zich daaraan onttrekt. Als een prehistorisch landschap het doel is van natuurontwikkeling, dan verwordt elke inbreng van de mens tot een verstoring. Historische cultuurlandschappen zoals uiterwaarden, veenontginningen en stuifzanden verliezen daardoor hun waarde.

Maar in een land als Nederland, waar de rijke cultuurlandschappen karakteristiek en overheersend zijn, vormen ontwikkelingsgebieden met een valse oernatuur veeleer bizarre attracties die weinig tot niets te maken hebben met het levende landschap.

Binnen de beschermde gebieden is elk menselijk ingrijpen uitgesloten; buiten de omheining kan de economie ongestoord haar gang gaan. In het klassieke natuurreservaat staat de tijd stil of wordt ze desnoods tegengehouden; in het natuurontwikkelingsgebied heeft de tijd zelfs nooit bestaan.

Nochtans is het onzinnig om natuurbescherming en menselijke omgang met het landschap zo scherp tegenover elkaar te plaatsen. En dat is niet alleen zo omdat natuurontwikkelingsgebieden ook menselijke ontwerpen zijn.

Want als biodiversiteit de maatstaf is die natuurontwikkelaars hanteren, dan is het opvallend dat de grootste ecologische verscheidenheid in het Drentse esdorpenlandschap of op de Brabantse zandgronden te situeren valt rond het jaar 1850, juist onder invloed van de ontginning van woeste gronden waarmee toen een aanvang werd gemaakt.

De rijkdom in deze streeklandschappen was het resultaat van de succesvolle vervlechting tussen cultuur en natuur, vlak voor de grootschalige ingrepen.

DE MENS wordt niet alleen in tijd en ruimte afgescheiden van de omheinde oernatuur, maar ook in ethische zin is zijn inmenging niet gewenst. Dat blijkt ten volle uit het debat over het al dan niet verzorgen van 'ecodieren' zoals Schotse hooglanders of 'wilde' paarden die in natuurgebieden zijn uitgezet.

'Wie vindt dat de natuur meer haar gang moet kunnen gaan, moet niet zeuren over het lot van individuele dieren', stelt Tom Bade (Forum, 19 augustus). Maar de authenticiteit die al bij de aanvang in een natuurontwikkelingsgebied ontbreekt, kan niet alsnog worden verkregen door dieren 'authentiek' te laten creperen. Dat is niet alleen wansmakelijk, het getuigt ook van een vals soort heroïek die ons tot stoïcijnse toeschouwers maakt.

Willen we een interessante natuur behouden, dan moeten we af van dit kitscherige schijnrealisme. En wordt het tijd om aandacht te besteden aan de historische wortels van, en de menselijke betrokkenheid bij het landschap.

Jan Kolen

David Van Reybrouck

De auteurs zijn beiden als archeoloog verbonden aan de Rijksuniversiteit Leiden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden