Nieuwe jas voor oude gardisten

Een Roemeense spotprent uit 1945 laat een man zien die peinzend heen en weer loopt voor zijn klerenkast. 'Daar hangt een rij van uniformjasjes, elk met een ander politiek embleem. Het ene hoort bij de autoritaire regimes van de jaren dertig, het ander bij de fascistische beweging en een derde heeft de hamer en sikkel op de mouw gespeld. Welke jas biedt zekerheid in dit onzekere tijdsgewricht?' Dit aansprekende beeld is te vinden in Voorwaarts en vergeten van Liesbeth van de Grift, waarin deze historica onderzoekt hoe na de geallieerde overwinning op de nazi's en de opmars van het Rode Leger de communisten hun dictatuur vestigden in respectievelijk Roemenië en Oost-Duitsland.


Van de Grift poneert een interessante stelling, namelijk dat de politieke ontwikkelingen in Midden- en Oost-Europa tussen 1944/45 en 1948, toen de communisten overal vast in het zadel zaten, in principe een open einde kenden. Uit recent openbaar geworden archieven blijkt volgens haar dat voor Stalin en de Sovjets het begrip 'volksdemocratie' aanvankelijk geen lege huls was. Zij hadden een qua lengte onbepaalde overgangsperiode voor ogen waarin de communisten zouden samenwerken met democratische partijen en steun zouden verwerven onder de bevolking door zich in te zetten voor (gematigde) sociale hervormingen. Voor Stalin stond de veiligheid van de Sovjet-Unie voorop en dat vereiste stabiliteit en zo mogelijk voortzetting van de samenwerking met de westerse bondgenoten.


Maar, vraagt Van de Grift zich af, 'als het streven een semidemocratisch systeem met een brede basis was, waarom stapte Stalin daar dan vanaf? Waarom stond hij de communistische partijen toe om aan het eind van de jaren veertig een de facto eenpartijsysteem te vestigen?' Dat is inderdaad de kernvraag. M'n voornaamste kritiek op Voorwaarts en vergeten (leuke titel trouwens) is dat Van de Grift op deze historisch uiterst relevante vraag geen systematisch antwoord formuleert. Ze verlegt haar aandacht grotendeels naar een empirische, op zichzelf inzicht gevende beschrijving van de opbouw van een veiligheidsapparaat onder communistische auspiciën in Oost-Duitsland en Roemenië.


Daaruit blijken vrij grote verschillen in aanpak die echter eerder een tactisch dan een principieel karakter hebben. In Roemenië waren de communisten aanvankelijk een onbeduidende sekte. Met steun van het binnengemarcheerde Rode Leger richtten ze zich op het onder controle krijgen van politie, gendarmerie en leger. Om druk uit te oefenen op de meestal tot de Liberale of Boerenpartij behorende plaatselijke autoriteiten maakten de communisten gebruik van eigen milities, die door de Sovjets oogluikend werden toegestaan. Hun ledental groeide van duizend in 1944 tot een miljoen in 1948. De zuiveringen in het veiligheidsapparaat waren in het begin gericht tegen de voorheen toonaangevende fascisten, maar kregen al vrij snel een politiek karakter. Wie zich aanpaste aan de nieuwe machthebbers kon blijven, ook als hij vroeger fascist was geweest. Een pikant voorbeeld is de broer van de latere dictator Ceau¿escu, die lid was geweest van de beruchte IJzeren Garde.


In de door de Russen bezette zone van Duitsland waren de communisten onder het naziregime sterk verzwakt, maar ze wisten al snel een behoorlijke aanhang te verwerven. De zuivering van politie en justitie van leden van de NSDAP (de nazipartij) en van vroegere functionarissen was hier veel consequenter en strenger dan in Roemenië. Het streven was gericht op een heel nieuw politieapparaat, wat voor een groot deel lukte. Wel werden bij de militarisering van de Oost-Duitse polititie vanaf 1948 (in het kader van de Koude Oorlog) meer ex-nazi's toegelaten, van wie men later weer af probeerde te komen. Anders dan in Roemenië maakten de Oost-Duitse communisten geen gebruik van buitenwettelijke middelen, zoals partijmilities.


Terug naar de door Van de Grift opgeworpen hamvraag: als de communisten onder half democratische omstandigheden zoveel macht en invloed wisten te krijgen, vanwaar dan de snelle overgang naar een nietsontziende stalinistische dictatuur? Doorslaggevend was waarschijnlijk dat de communisten, zoals Van de Grift signaleert, er ondanks de toegenomen steun niet in slaagden democratische verkiezingen te winnen. In Roemenië kreeg de Boerenpartij in november 1946 70 procent van de stemmen, wat de communisten ertoe bracht de uitslag te vervalsen. In Berlijn kreeg de SED (communisten plus een deel van de socialisten) 20 procent, de sociaal-democratische SPD 50 procent en de christendemocraten 22 procent. De keuze tekende zich af: een echte democratie met een minderheidsrol voor de communisten, of gelijkschakeling. Stalin koos voor het laatste, wat de verhouding met het Westen bedierf, waardoor wederom de laatste impuls tot zelfbeheersing bij het Sovjetregime verloren ging. Een vicieuze cirkel richting dictatuur. Over het verloop van dat proces valt ongetwijfeld nog veel meer te zeggen dan Van de Grift in Voorwaarts en vergeten doet, maar zij geeft wel een mooie aanzet.


HHHHILiesbeth van de Grift: Voorwaarts en vergeten - De overgang van fascisme naar communisme in Oost-Europa, 1944-1948. Ambo/Anthos; 219 pagina's; € 22,95. ISBN 978 90 263 2280 8.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden