Niets

Ik wil iets met de lezer 'delen', een werkwoord waar ik een hekel aan heb, net als aan 'meegeven'. Goed, ik wil de lezer in vertrouwen nemen over een zaak die me hindert en die deze column betreft. Het onderwerp ervan is boeken en dat heeft de laatste tijd tot gevolg dat ik, opgesloten in een tunnelvisie, geen boek meer onbevangen kan lezen. In elk boek blijk ik op zoek te zijn naar iets dat ik voor mijn column zou kunnen gebruiken en dat is niet goed. Waarom zou het lezen van een boek van nut moeten zijn?


Ik lees boeken met de verkeerde instelling. Dat heb ik eigenlijk al een groot deel van mijn leven gedaan. Na mijn 19de las ik boeken niet alleen voor mijn plezier, maar ook om van andere schrijvers te leren hoe boeken te schrijven. En ik moest erop letten niet in de val van het epigonisme te lopen. De tijd van het enkel voor mijn plezier lezen ligt achter me. Een boek merkt zoiets. Een boek leest mij beter dan ik het boek lees.


De jongen die zich kon verliezen in een boek, de wereld om hem heen bestond niet meer, heeft me sinds lang verlaten. Terwijl de oorlog woedde, las ik, ver van het geweld, de indianenverhalen van Karl May en Fritz Steuben. Die van Steuben vond ik mooier. Ik las Winnie de Poeh in de vertaling van Nienke van Hichtum. De voetbalboeken van Schuil. En waarschijnlijk ook kinderboeken, maar daarvan herinner ik me er niet een. Ik stond open voor alles, nog onbesmet door het idee schrijver te worden. Zelfs bij het, nog altijd in de oorlog, lezen van Kees de jongen (onvermijdelijke titel in deze columns) kwam die gedachte niet bij me op.


Intussen heb ik gebladerd in Paul Valéry's De macht van de afwezigheid (Historische Uitgeverij, 2004). Intussen? Dat deed ik toevallig gisteravond. Valéry schreef in de vertaling van Maarten van Buuren: 'Gebruik maken van het gelukkige toeval. De echte schrijver laat zijn idee schieten ter wille van een ander dat hem te binnen schiet door de woorden zelf waarmee hij het eerste onder woorden probeert te brengen.' Valéry schreef dit in 1910, maar het geldt nog altijd. Het beroerde is alleen dat mij geen ander idee te binnen wil schieten. Mij rest dus slechts om over niets te schrijven, iets dat ik heel goed kan, volgens wijlen Jan Blokker, die het waarderend bedoelde.


Om te beginnen: wat is niets en ís niets wel wat ? Een van de betekenissen die Van Dale aan het woord geeft is: 'geen van alle dingen, wat dan ook'. Een andere betekenis is 'iets van hoegenaamd geen betekenis.' Ik zit met mijn handen in het haar door het woord 'niets'. Zelfs het woord betekenis is te veel voor niets. Schrijven over iets dat over niets gaat is nog een hele kunst, merk ik.


In de bundel Licht van mijn leven staat het gedicht 'Poëzie (de zoveelste poging)'. Twee regels eruit luiden: 'de mooiste poëzie/ is het ongeschrevene'. Je kunt zeggen dat het ongeschrevene niets is, maar voor mij is het wel degelijk iets en wel het onbereikbare. Het is alles. Als ik me enige hoogdravendheid toe sta: de dichter, mens van vlees en bloed, verandert hier in de poëzie zelf. Maar nu ben ik zo hoog gestegen, dat ik er niets meer van begrijp. Ik verkeer in het zelf geschapen niets. 'Niets' is verworden tot onverstaanbaar gemompel voor de parochie waaraan ik alleen toebehoor. En dat is een waardeloos niets.


Buiten adem bereik ik de deadline. Het was weer niet niets.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden