Niets opbergen, alles moet voor het grijpen liggen

Elf jaar oud was Ruud Paauw toen hij verslingerd raakte aan de Olympische Spelen. Nu is hij 63 en nog steeds verflauwt de interesse van de vrijetijdsarchivaris niet....

ALS ZITKAMERS zich hadden kunnen kwalificeren voor de Olympische Spelen, dan zou die van Ruud Paauw nu zeker in Sydney zijn geweest.

Gezien: een muur met zeker tien wandborden van de Olympische Spelen van 1928, achter glas een reeks herinneringsmedailles, een affiche van de Olympische Spelen van 1992, een notitievelletje (cadeau Olympische Spelen van 1984) waarop onmisbare bagage voor de Olympische Spelen van 2000 staat vermeld.

Zelf ligt de voormalig archivaris op de grond met zijn neus in een dressoir en hij spreekt de weinig archivarisachtige woorden: 'Zie je wel, je moet niets opbergen. Alles moet gewoon voor het grijpen liggen.'

Deze hopeloze zoektocht was zo'n drie kwartier eerder in zijn werkkamer begonnen met een, achteraf gezien, nogal onbenullige vraag. Ruud Paauw, vijftien jaar lang de vrijetijds archivaris van NOCNSF, is een groot deel van zijn werkzame leven redacteur geweest van het Leidsch Dagblad. Collega's zullen zich vast wel herinneren hoe hij onverhoeds naast een bureau kon opduiken, hoe hij zijn handen tot een denkbeeldige toeter vormde en hoe er vervolgens marsmuziek klonk.

Dat was dus de olympische hymne. 'Dateert van 1896, maar wordt nog altijd gespeeld', zei hij er altijd bij.

- Heb je die hymne nog?

'Jazeker', zegt Ruud Paauw. Hij springt op, tettert de eerste noten, duikt in een doos, gooit allerlei olympische affiches in het rond, roept dat het hier een godvergeten bende is en komt weer te voorschijn met een stapel singles. Zoals daar zijn: Ik heb eerbied voor jouw grijze haren, De telefoon huilt mee en Schön ist die Jugend, maar geen olympische hymne.

'Waar heb ik die nou', mompelt Ruud Paauw, maar voordat hij een verdieping lager met zijn hoofd in het dressoir duikt, zal hij eerst iets vertellen over zijn passie voor de olympische beweging en over zijn werkzaamheden voor de afdeling Nederland.

Die passie begon met de Olympische Spelen van 1948. 'Ik was elf jaar oud en luisterde naar de radio, naar Peter Knegjens, de man die sneller kon praten dan god kon luisteren, om eens een uitdrukking van Vestdijk of Couperus te gebruiken. Peter Knegjens was mijn grote favoriet en ik deed hem in bed ook altijd na. Dan blies ik op mijn handen, dat was dan het publiek, en dan gaf ik een heel verslag van de honderd meter zoals ik dat gehoord had.

'Ik wist destijds helemaal niet wat de Olympische Spelen waren. Dat heeft mijn moeder me uitgelegd en Fanny Blankers-Koen was natuurlijk een mooie aanjager van mijn belangstelling.

'Ik ving de krantenman op, in die tijd was dat nog geen jongen, en ik was verrukt dat de kranten, in plaats van een miezerig kolommetje sport, nu ineens twee pagina's sport brachten. Ik was toen al gek op het registreren van sportwedstrijden. Ik schreef er hele schriften van vol en toen ben ik ook begonnen met verzamelen.

'Het logboek van Klaas Peereboom van de Olympische Spelen van 1948 was mijn eerste boek en dat lees ik elk jaar wel een keer. Het is een jongensboek voor grote mensen. Daarin wordt nog over prestaties geschreven dat ze door kerels waren verricht. Vanaf toen ben ik mijn zakgeld van anderhalve gulden per week gaan opsparen en dat gaf ik uit aan sportboeken.'

Ruim honderd jaar Olympische Spelen kijkt op ons neer in de werkkamer van Ruud Paauw. Vraag hem niet naar het waarom van de liefde, want dan gaat hij sputteren en een paar keer vertwijfeld Ja, god zeggen. 'Leg jij me dan eens uit waarom je verliefd bent geworden op dat ene meisje. Als je het moet uitleggen, is het over. Dat is met dit ook zo.'

De liefde is wel wat minder heftig geworden. 'Ik zal je zeggen dat ik de boeken van na 1972 nauwelijks meer opensla.'

De lol is er een beetje van afgegaan. 'Het is net als met de Elfstedentocht. We kunnen nu al nagaan wie een volgende editie zou winnen. Je kijkt gewoon naar de topvijftien van het marathonklassement en zo weten we nu ook al wie de 100 meter kan winnen. De communicatiekanalen zijn te diep geworden.'

Nee, dan vroeger. 'Met welke sprinters zouden de Amerikanen naar de Spelen komen? Dat was een vraag van jewelste. Je had geen idee. Het waren college studenten, ze kwamen zelden naar Europa, geld ging er niet in om. En zo was het met de Elfstedentocht ook. Welke Friese boer ging er nu winnen op zijn Friese doorlopers.

'En zo leidt elk streven naar perfectie in professionalisme en met professionalisme eindigen de illusies. Als je leest hoe Rie Mastenbroek olympisch kampioene is geworden, dan is dat een verhaal van twee A4tjes. Stel dat Pieter van den Hoogenband straks wint, dan is dat een kwestie van calculatie, en van talent natuurlijk. Maar er zit geen enkele factor bij waarin het toeval nog een rol speelt of dat er sprake is van enige schilderachtigheid.'

De commercie heeft de Spelen in een houdgreep. 'Samaranch heeft de deur opengegooid, maar het is toch een beetje het verhaal van de tovenaarsleerling die iets in gang heeft gezet wat niet meer te beteugelen is.'

Daarmee is het programma ook topzwaar geworden. 'Het was altijd al overladen, maar nu is het bijna onmogelijk om het in zestien dagen rond te krijgen. Er zijn sporten bijgekomen, die een verschrikking zijn. In basketbal komen de gehardste Amerikanen uit en je zag wat er gebeurde in 1992. De tegenstanders hadden maar één wens: samen met het dream team op een foto. Nee, ik vrees dat men zich zal overeten en wanneer de wereld in een crisis belandt, zullen de Olympische Spelen mee naar de sodemieterij gaan.'

Toch is Paauw de Spelen altijd blijven volgen en heeft hun schriftelijke weerslag trouw opgeborgen. Alleen uit plichtsbetrachting? 'Misschien wel. Ik kan het toch niet maken als mensen me opbellen en ik moet zeggen: sorry meneer, maar met 1988 bemoei ik me niet meer.'

In 1980 raakte hij betrokken bij het Nederlandse Olympisch Comié. Pim Huurman, een andere verzamelaar, en hij wilden bij het NOC in Den Haag iets inkijken. 'We troffen een enorme bende aan. Dat was daar allemaal neergedonderd in het souterrain, het voormalige verblijf van de dienstbode. We hebben dat allemaal een beetje uitgezocht en in ordners gedaan.'

Ze hebben het vijftien jaar lang bijgehouden. 'Het rust nu bij de Koninklijke Bibliotheek. Hopelijk hebben ze een hoop weggelazerd, want er zat een hoop onzin tussen.'

Hoogste tijd om in de zitkamer verder te speuren naar de olympische hymne. Terwijl Ruud Paauw door het dressoir ploegt, kijkt het bezoek naar Olympia, Fest der Völker. Het is de registratie van de Spelen van 1936, de interessantste die er volgens Paauw zijn geweest. Alles wat hem fascineert, kwam in Berlijn samen: sport, politiek en anekdotiek. En dan ook nog in beeld gebracht door Leni Riefenstahl.

'Ik heb wel eens tegen Riet gezegd: er zijn niet veel vrouwen voor wie ik je zou verlaten, maar als Leni iets met me zou willen, ben ik meteen verkocht, zelfs nu nog, ook al is ze 98 jaar. Leni was zo'n vrouw die de proporties niet in het oog houdt. Een secreet van een wijf, maar wel een briljant secreet.

'Wat ze in Olympia doet met één camera is werkelijk groots. Nu zeg je dat het veel te traag is, maar als je het vergelijkt met de sportfilms van die tijd was het fantastisch wat ze deed.'

De olympische hymne is die middag niet meer boven water gekomen. Twee dagen voor vertrek naar Sydney meldt Ruud Paauw telefonisch dat hij wel een versie op een cassettebandje heeft gevonden. Maar het 45-toerenplaatje is nog steeds zoek. 'Die zal ik toch niet weggelazerd hebben?'

Het is pas de derde keer dat hij de Olympische Spelen echt meemaakt. De eerste keer was in 1960 en zal ongetwijfeld de mooiste blijven. 'Dat was een jongensdroom.' De tweede keer was in 1972 en dat was werk: voor de krant over zwemmen schrijven. De reis naar Sydney is het afscheidscadeautje van de krant die hij in 1997 vanwege de vut verliet.

Ruud Paauw kijkt er naar uit, maar tempert tegelijkertijd zijn verwachtingen. 'Als je er bovenop zit, zie je het minst.' Hij is niet bang dat het definitief uit raakt tussen hem en de Spelen. 'Alles wat ik onderzoek en waarover ik schrijf, loopt tot de Spelen van 1964. De rest houd ik alleen maar bij.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden