Niets is Rocío Molina te vies, te grillig of te excessief

Profiel van flamencodanseres Rocío Molina

Ze heeft lak aan regels. Rocío Molina geldt als een van de beste dansers ter wereld, nu te zien tijdens de Flamenco Biënnale. Ongenaakbaar, hartstochtelijk, stoer en brutaal: Molina is het allemaal.

Rocío Molina tijdens haar optreden in de voorstelling Caída del cielo.

Met gebalde vuisten en zwiepende jurk hangt ze groot naast de Eiffeltoren, op een megadoek. Het is de aankondiging van haar nieuwe flamencovoorstelling Caída del cielo in het majestueuze Théâtre National de Chaillot. Kom maar op, lijkt ze met haar pose te zeggen, ik lust jullie rauw. Deze reizende ster in de wereld van de flamenco - door The New York Times uitgeroepen tot een van de beste dansers ter wereld - staat bekend om haar stoere, expressieve en brutale dansstijl. Ze combineert vlijmscherpe, gewelddadige voetroffels (zapateado) met woeste emoties, zoals hartstocht, jaloezie en geilheid.

Des te verrassender dat de vrouw die zich in de foyer timide voorstelt als Rocío Molina (31) nauwelijks opvalt tussen de horden toeristen. De Spaanse lijkt in haar grijsbruin gewatteerde jas in niets op haar vlammende toneelverschijning in spannende japonnen. Haar jeugdige gezicht oogt kinderlijk gewoon. En ze heeft niet dat fijne, ranke en elegante dat zo veel jonge flamencodanseressen tekent.

Tekst gaat verder onder de video.

Vuurbal

Molina is volslank, met stevige schouders die tijdens haar optreden zowat kunnen klapwieken. In haar thuisland Spanje schreven de kranten: 'Ze is klein en gedrongen, maar ze danst als God.' Deze 'God' doet op 24 en 28 januari Nederland aan, op uitnodiging van de tweejaarlijkse Flamenco Biënnale, waarvan de zesde editie vandaag begint in Rotterdam. Twee weken lang zijn in acht steden nieuwe ontwikkelingen te zien uit de smeltkroes van de Zuid-Spaanse en Andalusische dans-, zang- en muziekvorm.

's Avonds, tijdens Caïda del cielo (Val uit de hemel), verandert deze rustige gedaante in een vuurbal. Haar stoere, compacte lijf lijkt bezeten van razernij. Ze laat haar maagdelijk witte flamencojurk sensueel van haar schouders glijden, tot ze zo goed als naakt naar haar vier mannelijke muzikanten lonkt - bloot in flamenco, dat zie je zelden. Ze viert haar vrouwelijke vormen. Ook haar gekronkel over de grond is buitenissig voor de opwaarts gerichte flamenco: dansers rechten traditiegetrouw bijna altijd hun rug, als uiting van trots en overlevingskracht. De zang met die typische keelklanken mag klaaglijk en weemoedig klinken, de dans buigt nooit voor het bezongen lot, zoals ook de handklappers hun armen nooit mogen laten hangen.

Nietzsche, Pasolini en Brueghel

Rocío Molina (Málaga, 1984) danst al sinds ze kan lopen. Niet ongewoon in Spanje, waar veel families opgroeien met de Andalusische dans-, zang- en muziekvorm. Wel ongebruikelijk is dat Molina, die niet uit een zigeuner-flamencogeslacht komt, als tiener de passen al ontrafelde en er iets nieuws van maakte. Op haar 17de debuteerde ze in Londen en sindsdien toert ze over de wereld. Ze laat zich inspireren door teksten van Nietzsche, films van Pasolini, schilderijen van Brueghel en Bosch en hiphop uit Korea.

Ongenaakbaar

Molina komt direct in horizontale stand het witte podium op glijden. Ze rolt zich op in een golf van roesjes. Even later veert ze overeind om als de Venus van Botticelli te poseren in een tot jacobsschelp gedrapeerde flamencojurk. Tot verbazing van de toeschouwers bindt ze halverwege de voorstelling een zakje chips voor haar schaamstreek en kraakt al snaaiend ritmes die nog kloppen ook - de muzikanten kraken grappend mee.

Aan het slot stapt ze met voeten en sleep in een bak met helrode verf en trekt vervolgens een bloederig spoor over de klinisch witte vloer, alsof ze net in een ziekenhuis een kind heeft gebaard. Niets is Molina te vies, te grillig of te excessief. Toch oogt ze altijd ongenaakbaar. Je zou haar met recht de Madonna van de flamenco kunnen noemen.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Rocío Molina. Foto Pablo Guidali

Ze zegt in Caída del cielo allerlei aspecten van het vrouw-zijn te onderzoeken. Zelf zit ze in een fase dat ze kinderen wil met haar levenspartner - de beroemde flamencozangeres Rosario Guerrero Hernandez (Rosario 'La tramendita'). Een eerste poging strandde, meer wil ze er niet over kwijt. Om zich te laten voeden door reacties van willekeurige buitenstaanders begaf ze zich buiten de studiomuren en trad op in parken, musea, disco's, langs de Seine en - opvallend - in gevangenissen. Tijdens een improvisatie tussen vijftig mannelijke gedetineerden dacht ze even dat ze het niet zou redden, zo vraten ze haar op met hun ogen. Ze voelde dat ze hen één voor één moest aankijken om te laten zien 'ik ben hier de baas'. Uiteindelijk waren ze euforisch en niet te stoppen met meedansen.

In Florence zag ze De geboorte van Venus van Sandro Botticelli, in het Prado De tuin der lusten van Hieronymus Bosch. Zijn interpretatie van De hof van Eden vond ze minder interessant. Het paradijs verveelt haar snel, zegt ze, daar gebeurt alleen wat geoorloofd is. Geef haar maar de hel, waar alles buiten de oevers treedt. Ze haalde er scènes en houdingen uit om op te improviseren.

Stoer optreden

Molina danst al sinds ze kan lopen. Haar eerste voorstelling gaf ze op 3-jarige leeftijd. Op haar 7de tekende ze een choreografie volledig uit en tien jaar later studeerde ze cum laude af aan de Royal Dance Conservatory in Madrid. Ze werd direct ingelijfd door het gezelschap van grootheid María Pagés en toerde een aantal jaar met haar over de wereld. Minstens zo veel leerde ze van optredens met bekende flamencovernieuwers als Belén Maya en Israel Galván (ook te zien tijdens de Flamenco Biënnale). Op haar 21ste maakte haar eerste eigen voorstelling, Entre paredes (2005), om de theatrale, expressieve flamencostijl te onderzoeken en te vernieuwen. Nu, tien jaar later, durft ze zelfs met stokken te dansen die als een fallussymbool tussen haar benen fungeren.

Het duizendkoppige publiek in het Parijse theater vindt het geweldig en beantwoordt haar stoere optreden met een uitzinnig en lang applaus. In trance rent ze na haar excessieve vertolking de tribune op en af en strooit her en der met bloemen. Anderhalf uur later, tijdens de nazit, is ze weer de rust zelve.

Caída del cielo door Rocío Molina, gitarist Eduardo Trassierra, zanger José Ángel Carmona, handklapper José Manuel Ramos 'Druco' en percussionist Pablo Martin Jones. 24/1, Theater a/h Vrijthof, Maastricht en 28/1, Muziekgebouw a/h IJ, Amsterdam.

De Flamenco Biënnale, 13 t/m 29/1 in Amsterdam, Utrecht, Maastricht, Rotterdam, Amersfoort, Den Haag, Eindhoven en Antwerpen.

Annette Embrechts


Een greep uit het programma

Wat zijn de verplichte nummers tijdens de Flamenco Biënnale? V geeft drie tips.

Rocío Márquez

Rocío Márquez is zo'n vrouw die je goed kunt gebruiken bij de instandhouding van een oeroude kunst. Márquez (31) zingt de diepe zang van eeuwen geleden recht de nieuwe tijd in, bijvoorbeeld op haar prachtige doorbraakplaat El niño uit 2014. Dat album is een eerbetoon aan de in 1976 overleden zanger Pepe Marchena, en dat zegt veel. Marchena was een vernieuwer en dat wil Márquez toch ook zijn. In de flamenco kan dat met liederen van een halve eeuw oud.

De intonatie van Márquez doet soms wat denken aan die van de grote zangeres Estrella Morente. Maar als Márquez de pijngrens nadert, in bijvoorbeeld het hartverscheurende liefdeslied Lo que tu querer me cuesta, gaan er nieuwe vocale registers open, vooral in de hoge noten; een messcherp en akelig mooi vibrato in onbevattelijke melodieuze lijnen. In het nummer Una rosa opent Márquez de deuren naar elektrische jazz en theatrale pop, zonder overigens een moment gekunsteld over te komen.

Rocío Márquez is 'artist in residence' van de Flamenco Biënnale 2017, dus zij is veelvuldig te zien en horen. Haar optreden in het Amsterdamse Bimhuis op 26 januari, met de weergaloze gitarist Miguel Ángel Cortés aan haar zijde, is een verplicht nummer voor de liefhebber met een open blik. En onmisbaar zijn natuurlijk de concerten die Márquez geeft met een groep internationale gitaristen en cellisten, in de productie Fantasía para Violonchelo y Flamenco - een samenwerking met de Cello Biënnale Amsterdam.

Rocío Márquez: 26/1 Bimhuis, Amsterdam.

Fantasía para Violonchelo y Flamenco: 13/1 De Doelen, Rotterdam, 14/1 Muziekgebouw Frits Philips, Eindhoven, 29/1 Muziekgebouw aan 't IJ, Amsterdam.

Rocío Márquez. Foto Curro Cassillas

Pepe Habichuela

Een Flamenco Biënnale kan natuurlijk niet zonder een held uit het diepe verleden, een onvergankelijk monument van de gitaarkunst dat nog één keer laat horen hoe het ook alweer moest.

Met Pepe Habichuela (72) is het gedroomde icoon binnengehaald. De meestergitarist speelde met de grote zingende flamencovernieuwer Camarón de la Isla, en natuurlijk met zijn vaste vocale partner Enrique Morente die in 2010 overleed.

Habichuela gaat nog immer door. In het Amsterdamse Bimhuis maakt hij een tocht door zijn gitaarcarrière en schuift hij een nieuwe zingende telg van de Morente-familie naar voren: Enrique 'Kiki' Morente Jr. Een dag later speelt Habichuela in Grounds in Rotterdam, samen met de vaste gitarist van danser Israel Galvan: Alfredo Lagos. Ook dat moet een onvergetelijk gitaaravondje worden.

21/1 Bimhuis, Amsterdam
22/1 Grounds, Rotterdam.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Pepe Habichuela.
Euskai Barrokensemble. Foto Noah Shaye

Enrike Solinís & Euskal Barokensemble

Van Spanje in het algemeen en de Spaanse cultuur in het bijzonder moeten de Basken weinig hebben - de geschiedenis van het Spaans-Baskische conflict is bekend. Toch is de Andalusische kunst van de flamenco van San Sebastian tot Bilbao en Vitoria immens populair. Als de Bask spreekt over de pracht van de flamenco, dan wijst hij graag op de wijd vertakte wortelen van de kunst, die voeren tot ver buiten het Spaanse grondgebied. Dus hoezo: Spaans? Het is dan ook niet echt opmerkelijk, dat een klassieke Baskische gitarist en luitspeler als Enrike Solinís graag oude barokmuziek en klassieke gitaarmuziek verweeft met flamenco. De combinatie is beproefd. In het begin van de vorige eeuw schreef de componist Manuel de Falla al muziek voor de flamencodanseres Pastora Imperio. En veel van het voor gitaar geschreven werk van De Falla hangt nauw samen met de flamenco. Dat laat Solinís nog maar eens horen in zijn project El amor brujo - Essences of the Music of Manuel de Falla. Solinís speelt met het veelgeprezen Euskal Barokensemble én de zangeres María José Pérez.

20/1 Nieuwe Kerk, Den Haag
22/1 TivoliVredenburg, Utrecht.

Robert van Gijssel

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.