Niet zo gelukkig aan de Raamgracht IGOR CORNELISSEN SCHETST ONTHULLEND BEELD VAN 'VRIJ NEDERLAND'

IN 1997 KREEG de journalist Igor Cornelissen een pakket gecensureerde documenten onder ogen, afkomstig uit het dossier dat de Binnenlandse Veiligheidsdienst van hem had aangelegd....

De volgende jaren bleef de veiligheidsdienst hem discreet volgen, de radicale activist die het zo druk had dat er van studeren niet veel meer kwam en die daarom zijn heil zocht in het schrijven. Zijn eerste schreden op het journalistieke pad zette hij bij Het Vrije Volk en Het Parool. In 1962 belandde hij via zijn Politeia-contacten bij Vrij Nederland.

Die laatste stap had de BVD onaangenaam verrast. Men vroeg zich af waarom het toen nog betrekkelijk volgzame PvdA-weekblad juist 'deze mistige politieke figuur' als redacteur had aangetrokken, maar troostte zich met de gedachte dat hij er ook 'wel snel uit zou vliegen'. Er was, aldus Inzagedossier 2.290.788-26, zelfs actie ondernomen om het blad op het goede spoor te zetten, onder meer door de voorzitter van de Raad van Toezicht, het Kamerlid Suurhoff, in een ernstig gesprek met de hoofdredacteur.

Meer dan dertig jaar later was Cornelissen nog steeds als redacteur aan het weekblad verbonden. In die tussentijd schreef hij niet alleen ontelbare reportages, recensies en andere artikelen, maar ook romans en enkele populair-historische werken. Delen daarvan waren dikwijls al in Vrij Nederland verschenen, zoals de serie over 'spionnen voor Moskou' in de jaren 1920-1940 en de biografische schetsen Paul de Groot, staatsvijand nr. 1 en Een joodse dwarsligger: Jaap Meijer over de vader van Ischa.

Ook het genre van de autobiografie werd door Cornelissen niet geschuwd. Onder de titel Van Zwolle tot Brest-Litowsk deed hij in 1983 verslag van zijn jeugd. Het boek trok nogal de aandacht, en dat was niet alleen vanwege de leesbaarheid en het openhartige karakter van deze 'onstuimige herinneringen'. Tenslotte is een veertiger die een boek van bijna vierhonderd bladzijden schrijft over de eerste 27 jaar van zijn leven, in Nederland geen alledaags verschijnsel.

In Raamgracht 4, dat vandaag wordt gepresenteerd en volgende week in de boekwinkel komt, neemt Cornelissen de draad van zijn levensverhaal weer op. Dit deel, goed voor bijna vijfhonderd pagina's, begint met zijn aantreden als redacteur bij Vrij Nederland in 1962 en eindigt met de dood van zijn moeder en zijn terugkeer naar Zwolle in 1976. Het boek is betrekkelijk losjes opgezet, al krijgt het verhaal geleidelijk een meer thematische opbouw.

Steunend op zijn eigen mappen met knipsels, brieven, agenda's en allerhande notities slaagt Cornelissen erin een levend beeld op te roepen van deze periode, in de ondertitel aangeduid als de 'mooie jaren bij het weekblad'. Daarmee is onmiddellijk het 'publieke belang' van deze herinneringen aangeduid, want de beschreven periode valt vrijwel samen met de glorietijd van Vrij Nederland.

Het waren de jaren waarin het voormalige verzetsblad brak met de gevestigde verzuilde verhoudingen en uitgroeide tot de smaakmaker van links Nederland, iedere week weer goed voor onthullingen, spetterende interviews en eigenzinnige reportages over de achterkant en de rafelranden van de samenleving. De abonnees stroomden toe en veel journalisten zagen Vrij Nederland als een paradijs, waar alles leek te kunnen en te mogen en waar men meer ruimte en tijd voor zijn stukken kreeg dan elders.

Toch zouden slechts weinigen gelukkig worden aan de Raamgracht. De werkelijkheid, aldus Cornelissen, was immers heel wat minder poëtisch. Er waren voortdurend conflicten, de redactionele democratie functioneerde niet en de collegialiteit was dikwijls ver te zoeken. Over het antwoord op de vraag wat de oorzaak van deze verstoorde verhoudingen was, laat Cornelissen geen twijfel bestaan: de nauwe band tussen hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse en zijn oogappel Joop van Tijn.

De hoofdredacteur verschafte zijn medewerkers weliswaar ongekend veel ruimte en middelen, maar gaf hun tegelijk ook weinig steun. Het beeld dat van Ferdinandusse oprijst, is dat van een enigszins zelfgenoegzame en vaak ongrijpbare figuur, die zich graag terugtrok op zijn eigen beperkte domein, zijn onzekerheden verbergend achter een afstandelijke houding. Zijn voornaamste zwakte echter heette Joop van Tijn: in deze jonge collega trof hij - volgens Cornelissen - de man die hij zélf had willen zijn.

Van Tijn was een womanizer, een kosmopoliet die zich overal en in alle kringen met hetzelfde gemak bewoog, een grootse en mediagenieke charmeur, die nooit verlegen zat om woorden en overal respect afdwong. Ferdinandusse zag in de alom bejubelde Van Tijn de gouden kip van Vrij Nederland, maar voor de onbetrouwbaarheid, inhaligheid en achterbaksheid die achter de soepele en charmante houding van zijn schnabbelende halfgod schuilgingen, had hij volgens Cornelissen geen oog.

Het beeld dat Cornelissen van de vorig jaar overleden Van Tijn geeft, is ronduit ontluisterend en het laat zich raden welke interpretatie hij in het volgende deel van zijn autobiografie zal geven van de diepsnijdende conflicten die de redactie later nog zouden teisteren.

Van Tijn is echter niet de enige die door Cornelissen zo scherp wordt neergezet. In zijn ogen stelde het grootste deel van de redactie zich bij ieder conflict te meegaand op jegens Ferdinandusse en Van Tijn. 'Slaafs waren ze niet tegen de boze buitenwereld, maar tegen de eigen chefs. Ik heb ze bijna allemaal zien buigen, zweten, wringen en opnieuw buigen. De meeste collega's vertoonden een rare combinatie van bewondering en angst. De angst om buiten de boot te vallen. Men rook, men wist, men voelde waar de macht lag.'

Het zijn woorden die er niet om liegen. Toch slaagt ook Cornelissen er uiteindelijk niet in de kern van deze fascinatie op overtuigende wijze bloot te leggen. Misschien dat anderen daarover ooit nog eens hun licht zullen laten schijnen - Martin van Amerongen bijvoorbeeld, Cornelissens vriend en collega, of desnoods Ferdinandusse zelf. En anders ex-redacteur Gerard Mulder, die Vrij Nederland in de jaren tachtig na heftige ruzies zou verlaten en volgens Cornelissen de auteur is van de gevleugelde woorden 'Everybody gets his own unique Van Tijn experience'.

Hoewel de botsende verhoudingen aan de Raamgracht een centrale plaats innemen in zijn verhaal, komen er ook andere aspecten van de redactionele geschiedenis aan de orde. Vooral de passages waarin Cornelissen ingaat op de achtergronden van zijn journalistieke werk, geven een goede indruk van de eigenaardige journalistieke cultuur die Vrij Nederland groot heeft gemaakt. Bovendien bevatten deze hoofdstukken en paragrafen niet zelden mooie, hilarische en tragische passages, over de CPN en de BVD bijvoorbeeld, maar ook over de vele randfiguren die het journalistieke universum van Cornelissen bevolken.

Vrij Nederland en de journalistiek vormen weliswaar het belangrijkste, maar niet het enige thema van deze herinneringen. De autobiografie is zo veelzijdig als het leven van de schrijver zelf en bevat dus ook heel andere verhalen en bespiegelingen - over de liefde bijvoorbeeld, maar bovenal over de jazz. Muziek is Cornelissens grote passie. Hij schrijft er niet alleen over, hij speelt ook zelf, als trompettist in de Hot Shots, zijn eigen niet onverdienstelijke band, samen met andere jazzverslaafden als de tekenaar Frits Müller.

Er zijn, behalve Vrij Nederland, de liefde en de muziek, nog twee andere leidmotieven in Cornelissens herinneringen te ontwaren: zijn lidmaatschap van de Vierde Internationale en zijn joodse achtergrond. Terwijl de passages over het trotskisme, dat tot 1971 zo'n belangrijke plaats in zijn leven innam, nogal vlak zijn, krijgen de 'joodse' herinneringen - kippensoep, de familieverhalen, de onherstelbare wonden van oorlog, de geschiedenis van de joden in de mediene, de Lower East Side - steeds meer reliëf.

Zijn terugblik op zijn vroegere politieke activiteiten, waaraan hij zoveel tijd en energie besteedde, graaft niet diep. Hij schudt geregeld het hoofd over zoveel naïef idealisme, plaatst hier en daar een ironische opmerking, maar draaft verder in vlot tempo door deze episode van zijn leven heen. Daartegenover openbaart zich een onmiskenbare hang naar een meer romantisch en individueel beleefd socialisme. Dat levert weliswaar mooie stukken op, maar kan het gemis aan een kritischer analyse toch niet compenseren.

Frank van Vree

Igor Cornelissen: Raamgracht 4 - Mooie jaren bij het weekblad.

Nijgh & Van Ditmar; 493 pagina's; ¿ 49,90.

ISBN 90 388 1392 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden