Niet uit de kapel weg te slaan

De katholieke internaten liggen onder vuur vanwege seksueel misbruik door paters. Maar hoe was het leven verder op de kostscholen uit het rijke roomsche leven?...

‘Opeens kwamen er allemaal zwartjurken over de vloer’, herinnert Martien Schurink (64) zich. Ronselpaters werden ze genoemd, die bij katholieke gezinnen zieltjes probeerden te winnen voor het internaat van hun klooster. Bij zijn ouders in Zutphen kwam een karmeliet uit Zenderen, iemand van een congregatie uit Cadier en Keer en een ‘ronselaar’ van de salesianen langs. ‘De laatste won. Hij maakte met mijn ouders de afspraak dat het onderbrengen van mij hun niets zou kosten. Het was de goedkoopste oplossing.’

Dus ging de 12-jarige Martien naar het juvenaat Don Rua in ’s-Heerenberg. Op de lagere school was hij een moeilijk lerende leerling geweest. De rust, orde en regelmaat op het internaat van de paters zouden hem goed doen, was de verwachting. Hij was niet voorbestemd om priester te worden. ‘Het waren gewoon zes klassen gymnasium, hoewel je na afloop geen diploma kreeg omdat de opleiding niet door het rijk erkend was. Daarna heb ik nog snel op het gym in Deventer mijn diploma gehaald, met vlag en wimpel. Want de paters konden wel les geven.’

Tijdens zijn internering begonnen de paters wel druk uit te oefenen of hij niet door wilde gaan naar het grootseminarie om priester te worden. ‘Je wordt toch gehersenspoeld, dat je door Onze Lieve Heer geroepen bent. Als jongen van 18 had ik ook vrome dagen en was ik soms niet uit de kapel te slaan. Vergeet niet dat je zes jaar zit opgesloten, je had geen toegang tot het publieke leven en de meisjes. De verleiding is groot: laat ik maar vluchten in het paterschap.’

Achteraf neemt hij het zijn ouders kwalijk: ‘Hoe konden zij zo liefdeloos hun kind van 12 verstoten en afstaan aan de clerus?’ Het was een hard regime op het internaat, kindonvriendelijk. Om 6 uur opstaan, bidden in de kapel, de hele dag les of in de studiezaal, ’s avonds weer naar de kapel en vroeg naar bed. ‘Dat ik niet meteen de eerste dag de fiets heb gepakt en naar huis ben gefietst!’

Maar het internaat had ook mooie kanten, erkent hij. ‘Je had honderd vriendjes om je heen. Je had ook een paar uur recreatie per dag. Er stond een tafeltennistafel en een biljart, of je kon gaan voetballen. In die tijd was het thuis ook niet echt gezellig. Het was pure armoede, de tijd van de wederopbouw. In het internaat hadden we tenminste nog een pingpongtafel, biljart en voetbalveld.’

Kees van Bunningen (58) had na de lagere school in Sittard te kennen gegeven wel in te zijn voor de missie: ‘Het avontuur in verre oorden sprak me meer aan dan de roeping.’ Dus kwam een ronselpater van de Scheutisten uit Vught op bezoek en vertrok hij op 13-jarige leeftijd naar het 100 kilometer noordelijker gelegen Xaveriuscollege in de Brabantse bossen.

‘In het begin was het heel spannend en nieuw. Maar daarna had ik maandenlang heimwee. Je mocht maar één keer in een trimester naar huis, en één keer in het trimester mocht je op zondag bezoek ontvangen. Maar er waren ook jongens die geen bezoek kregen.’

Hij zat er twee jaar intern, met bijna honderd andere ‘internen’. Het seminarie van de Scheutisten was een erkend gymnasium, waar ook ‘externe’ leerlingen uit Vught zaten. Zij volgden alleen de lessen, en gingen gewoon naar huis. Tussen internen en externen heerste wel ‘enige animositeit’, kan Van Bunningen zich herinneren.

Het was een hard regime. ‘Ik heb er geleerd wat discipline is. Het dagritme lag op de 5 minuten vast. Het was heel rigide, afwijkingen werden niet getolereerd. Om half zeven ging de bel of zoemer: opstaan. Een kwartier later naar de kapel voor het ochtendgebed of de mis. Daarna ontbijten. Om 20 over 8 begon de school. Na zes lesuren, om een uurtje of 2, was je klaar. Na het eten in de eetzaal was je drie kwartier vrij. Daarna anderhalf uur studie in de studiezaal, avondeten en weer anderhalf uur studie. Het was een enorm grote studiezaal. Op een verhoogde lessenaar zat de surveillant die moest toezien dat het stil bleef. Om 9 uur naar je kamer en een kwartier of half uur later ging het licht uit.’

Van Bunningen: ‘Zo regen de dagen zich aaneen.’

Op zaterdagmiddag was er tijd voor ontspanning. Op het seminarie was de padvinderij. Daar zat hij op. Er was een interne voetbalcompetitie en biljart. Soms waren er filmavonden, met verantwoorde films over het leven van Jezus Christus of de Tien Geboden. ‘Vanaf de derde klas mocht je soms ook naar buiten. Dan werd er gewandeld van Vught naar Helvoirt. Er waren jongens die stiekem een sigaretje rookten of naar het café gingen. Maar je had maar weinig tijd: als je om half drie vertrok, moest je om 5 uur weer terug zijn.’

De paters waren extra gespitst op wat zij noemden ‘bijzondere vriendschappen’: jongens die te close werden met andere jongens. ‘Als je de poort uitging, moest je minstens met z’n drieën zijn. Een vriend van mij werd eens op de kamer aangetroffen met een andere jongen. Wat er is gebeurd weet ik niet, maar ze verdwenen allebei patsboem van school.’

Van Bunningen raakte bevriend met een jongen die een klas lager zat. ‘Een pater die surveilleerde, gaf te kennen dat ik niet zoveel met die jongen uit de andere klas moest omgaan. Je mocht wel vrienden hebben, maar niet te innig.’

Joop Marrevee (77) zat op het seminarie van de paters van het Heilig Hart in Bergen op Zoom, een oudere en jongere broer ook. ‘Mijn oom zat in die orde. In katholieke gezinnen was het een eer als ten minste één van de kinderen naar het seminarie ging. Je zag het heel veel bij Brabantse boeren. Maar ook bij ons in Schiedam kwam een ronselpater langs om bij de koffie uit te zoeken: zijn hier nog kinderen die naar het seminarie willen?’

Hij kijkt er met gemengde gevoelens op terug. De paters waren streng en soms handtastelijk, maar ze gaven ook een goede gymnasiumopleiding. ‘Het was eigenlijk gewoon een middelbare school met wat extra bidden erbij.’ Volgens Marrevee werd de sfeer in sterke mate bepaald door de pater-prefect. ‘Bij ons waren 200 tot 250 leerlingen, verdeeld in twee groepen: de kleintjes van 12 tot 15 en de groten van 15 tot 18 jaar. De pater-prefect was toezichthouder van een groep. Bij de kleintjes had ik geen problemen, maar bij de groten hadden we een nieuwe pater-prefect, dat was een onmens. Die heeft het voor mij verziekt. We lagen elkaar niet. Als die prefect er niet was geweest, dan was het een prima tijd geweest.’

De verhalen over ontucht op de internaten zijn inmiddels losgebarsten. Maar de oud-leerlingen vertellen ook over een andere vorm van machtsmisbruik van paters jegens leerlingen: mishandeling. ‘Geslagen worden was dagelijkse praktijk’, aldus Van Bunningen. ‘Als de bel ging, moest je je in rijen voor de deur opstellen. De surveillant deelde klappen uit aan een ieder die niet in de rij stond of niet stil was.’ Hij is ook een keer helemaal in elkaar geslagen door de leraar Duits. ‘Als je eenmaal het stempel van ettertje of klier had, dan moest je heel veel klappen opvangen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden