Niet stoer, wel flink

De moordenaar van Pim Fortuyn moet een erg eenzaam mens zijn. In zijn uppie zit hij dag in dag uit in zijn cel, moederziel alleen stond hij voor de rechter....

Ondanks de wanhoop die daaruit moet voortvloeien, heeft Volkert van der G. zich kranig gehouden. Hij is geen spijt gaan betuigen in de hoop op strafvermindering. Makkelijk zat. Zeggen of snotteren dat je vreselijke spijt hebt en dat je het nooit meer zult doen, maar er intussen het jouwe van blijven denken. Menige verdachte is Van der G. in zulk bedrog voorgegaan. Maar Van der G. gaf geen krimp, probeerde ook niet verminderde toerekeningsvatbaarheid in de wacht te slepen, bedacht geen andere smoezen en heeft niet de een of andere persoonlijkheidsstoornis voorgewend.

Het leverde Van der G.'s 'vertolking van een moordenaar' over de hele linie slechte recensies op. Zijn introversie, zijn kilte, geslotenheid, woordloosheid bijna, gebrek aan vertoon van 'doorleefde' emotie maakten hem pas echt verdacht. Het past allemaal slecht in onze theatrale 'emotiecultuur'. Geen charme, geen tranen, geen demonstratief handenwringen of zichtbaar 'drama'. In plaats daarvan gaf Van der G. - naar vermogen - aan waarom hij zijn daad had gepleegd en nam hij er zonder geweeklaag de verantwoordelijkheid voor. Daarmee toonde hij zich een man van overtuigingen, die volhield dat hij het hele slechte had moeten doen om erger te voorkomen.

Van der G., althans het beeld dat we ons van hem hebben gevormd, heeft veel weg van de fameuze 'inner-directed man' van de Amerikaanse socioloog David Riesman. Die mens bestond uit één stuk, leefde vanuit beginselen en vaste waarden, ging in morele kwesties bij zichzelf te rade, was autonoom, individualist. Al in de jaren vijftig van de vorige eeuw signaleerde Riesman de teloorgang van dit menstype. De naar binnen gekeerde mens zou worden verdrongen door de 'outer-directed' of 'other-directed' persoon: pragmatisch, extravert, groepsgeoriënteerd - een menstype dat steeds angstvallig om zich heen kijkt om na te gaan wat anderen vinden.

Dat die inner-directed man nog niet is uitgestorven, heeft Van der G. laten zien. De reacties op zijn optreden tonen aan dat het type tegenwoordig in ieder geval wél uitzonderlijk is geworden en dat we ons er niet goed raad mee weten. Natuurlijk stond Van der G. primair terecht voor de moord op Fortuyn, maar het was toch ook een beetje een proces tegen een 'gevoelsarme' binnenvetter, die consequenties verbond aan zijn overtuigingen en onbekwaam bleek zich emotioneel over zijn fatale daad te uiten.

Van der G. vond Fortuyn een groot gevaar voor de samenleving. Dat vonden velen met hem. Zoals Van der G's verdediging benadrukte: niet de gedachte was uniek, maar de daad. Dit 'blote' feit wordt door sommigen al als onmiskenbaar teken van pathologie en dus ontoerekeningsvatbaarheid gezien. Wie zoiets doet, is niet goed snik, alle anderen deden het immers niet.

Maar is het eigenlijk niet gekker dat al degenen die Fortuyn een groot gevaar vonden, een Haider, een fascist en racist, een nieuwe Mussolini of een nieuwe Hitler, aan die overtuiging geen drastische consequenties verbonden? Als Fortuyn de nieuwe Hitler was, dan is Van der G. de nieuwe Van der Lubbe - maar dan wel een die slaagde waar zijn voorbeeld jammerlijk faalde. Hij schakelde het gevaar uit, omdat anderen 'accommodeerden' toen Fortuyn na de gemeenteraadsverkiezingen een machtsfactor werd. Van der G. dacht dat Fortuyn gestopt zou worden na zijn breuk met Leefbaar Nederland, maar er gebeurde iets heel anders: het politieke establishment zocht toenadering tot hem.

Letterlijk als enige nam Van der G. de lessen van het 'antifascisme' serieus, waar hele naoorlogse generaties mee zijn opgevoed. Het bleek niet de bedoeling. Niemand heeft het openlijk voor Van der G. opgenomen. Hij staat er alleen voor.

De anti-fascistische retoriek van de waakzaamheid, van het naoorlogs verzet, is vooral dat gebleken: retoriek. Woorden, effectbejag, gratuite metaforen om politieke tegenstanders mee te lijf te gaan, te moraliseren, dramatiseren, honen en angst aan te jagen. Alles geritualiseerd, niet gemeend, spielerei, het politieke straattheater van lekker extraverte, outer-directed mensen. Van der G.'s noodlot is dat hij het allemaal wel serieus nam.

Maakt dat hem ondoorgrondelijk, een 'geval'? Nog beter dan het Pieter Baan Centrum is de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee. Zijn prachtige, ontregelende miniatuur The lives of animals ('Dierenleven') gaat over een dierenrechtenactiviste die tot ieders ongemak de permanente moord op dieren gelijk stelt aan de 'holocaust'. In haar denkwereld staat speciesme gelijk aan racisme. Het lijkt een 'onmogelijk' standpunt, aangehangen door een onsympathieke hoofdpersoon, maar Coetzee weet het niettemin plausibel te maken. Zij, Elizabeth Costello, is niet gek. Van der G. is niet gek.

Onze empathie is geen geldige reden voor strafvermindering, 'emotionele ouderwetsheid' geen reden voor strafvermeerdering.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden