Olifanten banen zich een weg door een (gekapte) palmolieplantage in Maleisië.

Analyse Biobrandstoffen

Niet langer een wondermiddel: Europa stapt af van palmolie als biobrandstof, waar ging het mis?

Olifanten banen zich een weg door een (gekapte) palmolieplantage in Maleisië. Foto Aaron Gekoski

Brussel bant palmolie langzaam maar zeker uit de Europese autotanks. Waar ging het mis met dit wondermiddel voor het milieu, en hoe nu verder met biobrandstoffen?

Oké, het loopt niet echt lekker met biobrandstoffen...

Ooit werd gedacht dat biobrandstoffen ons door de energietransitie zouden slepen. Van de Europese Unie moesten alle lidstaten er per 2020 zelfs voor zorgen dat 10 procent van hun transportbrandstof uit biobrandstof bestond.

Dat is teruggedraaid. Vanaf 2023 moet het aandeel van palmolie in biobrandstoffen afnemen, en vanaf 2030 mag palmolie helemaal niet meer in Europese autotanks te vinden zijn, zo besloot de EU donderdag. Dat besluit gaat minder ver dan het oorspronkelijke voorstel van het Europees Parlement, om palmolie als brandstof al per 2021 op nul te krijgen.

Maar toch is het een duidelijke ommezwaai. Want het imago van biobrandstoffen is helemaal niet zo groen meer, hun milieuvriendelijk klinkende naam ten spijt. Dit geldt vooral voor palmolie, dat in Europa voor de helft eindigt als biobrandstof en verder te vinden is in voedingsmiddelen en cosmetica. Een groot deel komt uit Indonesië en Maleisië.

In beginsel zijn biobrandstoffen klimaatneutraal. Planten als oliepalmen, soja of suikerriet bouwen van water en CO2 organisch materiaal. Dat kost energie, die de plant uit de zon haalt door middel van fotosynthese. Bij verbranding komt deze energie weer vrij, zodat auto’s kunnen rijden en industrie kan draaien. De CO2 die eerder uit de lucht werd gehaald, komt weer vrij. Netto is er nul uitstoot.

Probleempje: om gewassen te verbouwen is land nodig. Land dat ook nodig is voor bijvoorbeeld landbouw of woningen. Daarom is het verleidelijk om nieuwe bruikbare grond te creëren. Op veel plekken gebeurt dit door regenwouden te kappen of plat te branden. Wie dit doet, laat de CO2 die erin zat opgeslagen vrij. Daar gaat je broeikasgaswinst uit biobrandstoffen. Om nog maar te zwijgen over de ecologische verarming en de gevaren voor bedreigde dieren, zoals de orang-oetan op Sumatra. Milieuorganisaties pleitten daarom al jaren tegen biobrandstoffen als palmolie.

In Indonesië en Maleisië, samen goed voor bijna 90 procent van de wereldwijde palmolieproductie, is dit soort ontbossing een groot probleem. Daarin speelt de illegale houtkap een grote rol, denkt André Faaij, hoogleraar energiesysteemanalyse aan de Universiteit van Groningen. Eerst kappen bedrijven, die door corruptie hun gang kunnen gaan, een stuk oerwoud. ‘Dezelfde of verwante bedrijven cashen vervolgens nog een keer door oliepalmen te planten.’

Soortgelijke praktijken spelen zich af in Brazilië, waar suikerriet wordt verbouwd voor de productie van biobrandstof. Faaij maakt zich zorgen over dit land. ‘De situatie was verbeterd, maar door de economische crisis en het type regering dat er nu zit, heeft men de teugels laten vieren. Dat vind ik heel tragisch.’

Hier komt bij dat het transport van biobrandstoffen uit verre oorden ook broeikasgasuitstoot oplevert. Volgens Henk Moll, hoogleraar natuurlijke hulpbronnen aan de Universiteit van Groningen, is de bijdrage hiervan echter tamelijk klein. ‘Dat is geen grote factor in de discussie over biobrandstoffen.’

…maar schrijf ze niet helemaal af

Alle kritiek op de klimaat- en milieuschade van biobrandstoffen betekent absoluut niet dat we ze moeten afschrijven, zegt hoogleraar energiesysteemanalyse André Faaij. Volgens hem is het debat ten aanzien van biobrandstoffen gepolariseerd. We kúnnen ze wel degelijk duurzaam produceren. En ja, ook uit palmolie.

Dat moet hand in hand gaan met het efficiënter maken van landbouw en veeteelt, stelt hij. Dat is nodig om aan de groeiende voedselvraag te voldoen en is tevens duurzamer, omdat intensievere landbouw per ton voedsel juist minder water verbruikt en minder broeikasgassen uitstoot. Daarnaast bespaart dit ruimte. ‘Zo kun je grond vrijspelen voor gewassen die bruikbaar zijn voor biobrandstof’, aldus Faaij.

Zeker in ontwikkelingslanden, waar veel van zulke gewassen worden geteeld, zijn er mogelijkheden genoeg om land effectiever in te zetten. Colombia heeft al aangekondigd met deze aanpak milieuvriendelijke palmolie te willen produceren. Tegelijkertijd ligt in Indonesië veel grond braak dat in het verleden is uitgeput. Daar kunnen prima oliepalmen op staan, denkt de hoogleraar. ‘Wel is dit een slagje duurder.’

In potentie kan duurzame biomassa, waaronder biobrandstoffen, maar bijvoorbeeld ook plantaardige grondstoffen die bruikbaar zijn voor materialen als bioplastics, zo een kwart van de toekomstige energievraag voor haar rekening nemen, stelt Faaij. Zo zou in Brazilië, als het de teugels weer aantrekt, de productie van biobrandstoffen decennialang op een duurzame manier kunnen toenemen.

Voorwaarde is dat overheden goed beleid voeren en natuurbescherming streng handhaven. De vraag naar duurzame biobrandstof kan deze ontwikkeling stimuleren. Het was daarom beter geweest als de EU palmolie niet zou uitbannen, maar strengere milieueisen aan Indonesië en Maleisië had gesteld, denkt hij.

Volgens hoogleraar natuurlijke hulpbronnen Henk Moll heeft Faaij in theorie gelijk, maar hij is kritisch over de vraag of overheden van arme, niet democratische landen hun leven voldoende zullen beteren. Ook is hij sceptisch over het gebruik van braakliggend terrein. ‘Die grond ligt meestal niet zomaar braak. De bodemvruchtbaarheid kan zijn verminderd of de watervoorziening is niet optimaal.’ Volgens Moll blijkt uit het verleden dat de teelt van gewassen op zulke grond ‘matig tot beroerd’ is.

Moll ziet met name reststromen van landbouw en houtkap (zogenaamde houtpellets) als toekomstbestendige duurzame brandstoffen. Maar dat zijn wel duurzame brandstoffen met een beperkt aanbod, en dus ook met een bescheiden rol in de energietransitie.

In een eerdere versie van dit artikel stond de zin: Koolzaadolie kan zelfs probleemloos direct de meeste motoren in. Dat klopt niet, het moet zijn:  Koolzaadolie kan zelfs probleemloos in de meeste motoren worden bijgemengd. 

Dit zijn, naast palmolie, de belangrijkste biobrandstoffen

1. Hout

In feite de oudste brandstof. Kan in de open haard flink wat roetuitstoot opleveren, maar speciale houtpellets – samengeperst uit hout van lage kwaliteit – zijn stukken schoner. Opperproducent is de VS, met tien miljoen ton pellets per jaar. Doordat bomen bij dit soort bosbouw telkens worden teruggeplant, is deze brandstof duurzaam, zegt hoogleraar bosbeheer Gert-Jan Nabuurs.

2. Rietsuiker

Levert bio-ethanol op, waarop auto’s kunnen rijden. In Brazilië, een van de grootste producenten, moet benzine verplicht uit zo’n 20 procent bio-ethanol bestaan. Met het rietsuikerpulp dat overblijft, kun je elektriciteit opwekken.

3. Koolzaadolie

Gewonnen uit de plant die ’s zomers ook in Nederland hele velden geel kleurt. De olie van koolzaad is bruikbaar in voedsel, maar ook om op te rijden. Koolzaadolie kan zelfs probleemloos in de meeste motoren worden bijgemengd. 

4. Sojaolie

Ook sojaolie, geperst uit de welbekende sojabonen, staat gewoon in het schap van de supermarkt, klaar voor de koekenpan. De sojaplant komt oorspronkelijk uit Oost-Azië en wordt tegenwoordig vooral in de VS gekweekt. Daar gebruikt men het in biodiesel.

5. Algen (niet op de kaart)

Groene algen – die van de groene drab in de sloot – produceren olie en dat is bruikbaar als brandstof. Maar het kweekproces, waarbij speciale tanks nodig zijn, is duur. Te duur om algenolie te laten concurreren met andere brandstoffen. Massaal rondrijden op algenolie is daarmee nog toekomstmuziek.