Niet één, maar vijf witte jurken

DANS..

Het historisch besef dat Springdance aan het eind van de eeuw aan de dag legt, is prijzenswaardig. Maar afgelopen zaterdag ging het Utrechtse festival voor moderne dans wel erg ver in het koesteren van de dansgeschiedenis. Twee leden van het Franse collectief Quator Albrecht Knust, dat zich toelegt op vergeten choreografen en choreografieën, presenteerden met vier Franse en vier Nederlandse dansers een reconstructie van een improvisatieproject uit 1970 - en dat is op zichzelf al opmerkelijk. Simon Hecquet en Christophe Wavelet hernamen dan ook niet de 'ongezochte vondsten', als wel de basisregels die Yvonne Rainer toen in New York voor het Continuous Project/Altered Daily opstelde. Zoals een stoelendans met hoofdkussens, een rolkwartet over de grond en het tollen binnen een ring van vijf collega's. De gezichten van de Nederlandse participanten zoals Janine Dijkmeijer en Ty Boomershine vertoonden nieuwsgierige ijver, vragen en verbaasde glimlachjes tijdens het verloop van de vijftien korte sessies.

Viel er voor hen nog iets te ontdekken in de vertrouwensrelatie tussen dansers, voor de toeschouwers bleef de noodzaak van deze voorstelling verborgen. De behoefte die aan een improvisatie voorafgaat was hier slechts bedacht door een festivalleiding.

Ook de Franse theatermaker Jérome Bel hernam in Le dernier spectacle een deel van een solo uit de jaren zeventig: Wandlung van de Duitse Suzanne Linke. Niet één maar vijf maal! Telkens weer een witte jurk, schuifelend over de grond, op de weëe klanken van Franz Schubert. Eerst Claire Haenni, toen Antonio Carallo, Frederic Seguette en Bel zelf. Hetzelfde truukje, telkens voorafgegaan door 'Ik ben Suzanne Linke', of de ontkenning daarvan, haalde Bel uit met Hamlet en Andrew Agassi. Net als in zijn creatie Shirtologie goochelt Bel met identiteit. Zijn voorstellingen blijven echter steken in een consequent uitgevoerd mager idee, dat bovendien te veel theater is voor een dansfestival.

Veel steviger was Damaged Goods van Meg Stuart en Ann Hamilton. Op een lemen vloer zochten zeven dansers contact met elkaar, met kleren, met brood en met onzichtbare draden. Bijna alles op de tast. Ze dompelden zich traag maar statig onder in lijfelijk contact. Een magisch tableau met even rustige, als mooie slepende bewegingsreeksen. Hooguit stopte Stuart te veel vondsten in deze anderhalf uur durende voorstelling.

Haar Britse collega Jonathan Burrows ging met zijn gezelschap daarentegen uiterst afgewogen te werk. In Things I don't know bouwde hij gestaag aan een serie van zes korte performances, die begon met een inventieve percussiesolo van zijn vaste componist Matteo Fargion op drie verhuisdozen. Burrows zelf liet zien tot welke bewegingen zijn onderarmen wel niet allemaal in staat zijn en ook in zijn trio met robuuste Dana Fouras en de lange rossige Ragnild Olsen lag de nadruk op uitverende armen en omklappende lijven. Beweging, muziek, ervaring: allemaal puur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden