Niet dood maar Doornroosje

Nederland stond altijd bekend om zijn moderne dans. Het technische niveau is nog steeds hoog, maar publiek komt er niet op af....

Zo ver als met de mime, nee, zo ver zal het met de moderne dans niet komen, zeggen ze, de vertegenwoordigers van de danswereld. Schouwburgen noemen mimevoorstellingen 'theater', om het publiek niet op voorhand af te schrikken. Want mime wekt asscociaties met onbegrijpelijke kunstenaars die minutenlang woordeloos in een kopje staan te roeren.

De moderne dans heeft een soortgelijk imagoprobleem. De kunstvorm zou moeilijk zijn en in zichzelf gekeerd. De zaalbezetting ligt rond 50 procent, beduidend minder dan bij toneel, veel minder dan bij cabaret, en ook een stuk minder dan de publieksaantallen bij klassiek ballet of folkloristische dans. Dat getal is licht vertekend - uit onderzoek van bureau Letty Ranshuysen (uit 2004) blijkt dat het publiek voor moderne dans toeneemt. Maar het aantal voorstellingen groeit nog harder, waardoor per saldo minder bezoekers in de zaal zitten.

Schouwburgdirecteuren weten dat, en zijn huiverig geworden om dans te programmeren. Natuurlijk, zij zijn tegenwoordig vaak managers die eerder pragmatisch dan artistiek denken. Maar ook Roland Helmer, directeur van het LAK-theater in Leiden, die onder collega's bekend staat als een groot liefhebber van dans, merkt op: 'Tien, vijftien jaar geleden, bestond 40 procent van het aanbod van het LAK uit dans, nu nog een kwart. Dat is nog steeds veel in vergelijking met schouwburgen die eens in de maand aan dans doen. Maar ik zie te vaak producties waarbij ik mij afvraag waarom daar publiek bij moet zitten.'

Met name de kleinschalige moderne dans kampt met een geringe belangstelling. Leo Spreksel, directeur van het Haagse festival CaDance voor opkomend talent zag de afgelopen tijd veel choreografen die 'zo bezig zijn met hun eigen werk dat ze geen oog meer lijken te hebben voor de mensen die naar hun werk komen kijken'.

'In de danswereld werken veel buitenlanders. Die hebben niet altijd intensief contact met de Nederlandse samenleving. Soms zie je een totaal gebrek aan communicatie tussen wat op de vloer gebeurt en het publiek. Kunstenaars moeten erop uit zijn toeschouwers niet onverschillig de zaal te laten verlaten. Dat hoeft niet altijd een politiek of sociaal-maatschappelijke ervaring te zijn, dat mag ook een puur esthetische ervaring zijn.'

De Raad voor Cultuur, die de staatssecretairis van Cultuur adviseert, beklaagde zich over de 'matige herkenbaarheid' van de moderne dans. De danscommissie stelde voor om de dans-boegbeelden Truus Bronkhorst, Hans Tuerlings en Piet Rogie niet langer te ondersteunen vanwege een te geringe artistieke ontwikkeling. Per 1 januari is de structurele subsidie stopgezet. Wat in de danswereld insloeg als een bom.

Aan de virtuositeit ligt het niet. De dansers zijn tegenwoordig van een ongekend hoog technisch niveau. 'We praten nooit meer over slechte dansers. Zij bewegen prachtig. De vraag is: wat wordt met hen gedaan?', zegt Cisca van Dijk, voorzitter van de danscommissie van de Raad voor Cultuur.

Hoe kon het zo ver komen in een land dat tot ver in het buitenland bekend stond als het mekka van de moderne dans? Waar in de jaren zeventig en tachtig iedereen uitliep voor de nieuwste choreografie van Jirí Kylián, Hans van Manen en Krisztina de Châtel, om nog maar te zwijgen over de gretigheid waarmee werd uitgezien naar dansstukken van balletvernieuwer William Forsythe. Ook de vooruitstrevende Vlamingen zoals Anne Teresa de Keersmaeker, Jan Fabre en Wim Vandekeybus waren graag geziene gasten. Nu moet de Stadsschouwburg Amsterdam een extra mailing de deur uit doen als een gastchoreografie van Vandekeybus bij Toneelgroep Amsterdam (Sonic Boom) in januari hernomen wordt.

Misschien heeft Nederland last van de wet van de remmende voorsprong: de verschillende stromingen van de moderne dans zijn hier op hoog niveau vertegenwoordigd. Het publiek is niet meer zo eenvoudig onder de indruk van Vandekeysbus' dansant en acrobatisch gooi- en smijtwerk.

De kenners zijn niet verbaasd. Choreograaf Ton Simons, artistiek leider van Dance Works Rotterdam: 'Een kunstvorm ontwikkelt zich altijd cyclisch. Na de vernieuwende vloedgolf van twintig jaar geleden, zitten we nu in een kabbelend stroompje. Als ik om mij heen kijk, zie ik geen rijkdom aan ideeën. Ik mis bij jonge mensen een bepaalde intensiteit. Genereer ideeën! Of ze nu perfect gerealiseerd kunnen worden of niet. Forsythe heeft de laatste grote klap uitgedeeld en een hoop mensen zijn daar nog van aan het bijkomen.'

Van Dijk: 'Tussen de negenenveertig aanvragen die wij bij de Raad onder ogen kregen, zat geen enkele waarbij je het gevoel kreeg: ''Wauw, hier gaat iets gebeuren''. Er heerst status quo in de moderne dans.'

Samuel Wuersten, artistiek directeur van het Holland Dance Festival en de Rotterdamse Dansacademie: 'We zitten nu in een tijd van consolidatie.'

Of zoals Stephan Felsentahl het uitdrukt, die de danscommisie voorzat bij de vorige Cultuurnota-ronde en nu adviseur is bij de Rotterdamse Kunststichting: 'De dans is niet dood, ze is Doornroosje.'

Simons wijt het ook aan het gebrek aan referentiekader voor jonge aankomende choreografen. 'Kyliáns werk blijft weergaloos en Van Manen is zijn meesterschap aan het verfijnen maar daar zijn geen grote impulsen meer van te verwachten. Jonge choreografen zouden gretiger op zoek moeten naar leermeesters, ook in het buitenland. Toen ik op de Rotterdamse Dansacademie zat, was ik geïnteresseerd in het werk van Merce Cunningham. De toenmalige directeur, Lucas Hoving, had niks met Cunningham maar zorgde wel dat ik bij hem in Amerika mijn licht op kon steken. Je moet niet verwachten dat het je met de paplepel wordt ingegeven, je moet je opvoeding opzoeken. Zo'n jong talent als Nanine Linning wordt huischoreografe bij Scapino. Prima. Maar nu zie je een soort vervlakking optreden in haar werk.'

Er is wel een aantal talenten in Nederland, naast Linning, Bruno Listopad, André Gingras en Dylan Newcombe. Maar die breken niet door via gezelschappen naar een groter publiek. 'Ik zie in het aanbod te veel voorstellingen met een in zichzelf gekeerd tintje', zegt theaterdirecteur Helmer. 'Daar spat niet de noodzaak vanaf om het op een podium te laten zien.'

De beschuldigende vinger gaat ook naar de grotere gezelschappen, die te veel zijn opgebouwd rond het werk van één choreograaf en te weinig kansen bieden aan jong talent. Dit zou een monocultuur binnen gezelschappen in de hand werken.

Spreksel, die lid was van de commissie dans van de Raad voor Cultuur tijdens de vorige cultuurnotaronde, vraagt zich voorzichtig af of Piet Rogie vier jaar geleden wel structurele subsidie had moeten krijgen. 'We realiseerden ons toen nog onvoldoende hoe kwetsbaar gezelschappen rond de signatuur van één maker zijn. Als zo iemand dan even een mindere periode heeft, zakt de spirit van het gezelschap mee. Dat zie je ook bij het NDT, nu Kylián officieel niet meer de scepter voert.'

Wuersten: 'Ik zou liever zien dat choreografen geen artistiek leiders werden, maar dat iemand anders aan het hoofd staat die de dansers met meerdere kunstenaars laat werken.'

Spreksel vindt dat de Nederlandse nadruk op gezelschappen conservatisme en behoudzucht in de hand werkt omdat choreografen vooral bezig zouden zijn hun eigen positie te behouden. 'Het NDT laat Emio Greco pas een gastchoreografie maken als hij het elders al gemaakt heeft en het gezelschap geen risico meer loopt. Je moet zo iemand eerder oppikken. Dan kun je er ook eer mee inleggen.'

Maar dat is niet wat het publiek zou willen, merkt theaterdirecteur Helmer op. Dat vraagt juist om gezelschappen rond een naam. 'Daarmee kunnen ze zich verbinden.'

Nederland staat bekend om zijn buitengewoon sterke infrastructuur op het gebied van dans: een fraai netwerk van festivals, gezelschappen, productiekernen, productiehuizen, werkplaatsen en opleidingen. Is de dans kapot gestructureerd? 'Misschien', zeggen sommigen. Wuersten (van oorsprong Zwitser): 'Nederland heeft wel de neiging om voor elke afwijking een structuur te verzinnen. Daar schuilt ook een valkuil in. De Nederlandse dans richt zich te veel op zichzelf, is zelfgenoegzaam geworden. Een afgesloten gemeenschap die in een soort vacuüm verkeert, met zijn hoofdzakelijk abstracte, formalistische aanpak van de moderne dans. Meer internationalisering is noodzakelijk. Ook als tegengif tegen de krappe afzetmarkt in Nederland. Succesvolle choreografen als Emio Greco en André Gingras hebben vanaf het begin gewerkt aan een internationaal netwerk. De ontwikkeling van een groep als Emio Greco/PC onttrekt zich zelfs voor een deel aan het oog van Nederland.'

Waar blijft de prins die Doornroosje gaat wakker kussen?

O, die is echt in aantocht, zeggen ze ondanks hun bezorgdheid allemaal. In de vorm van de door Andrea Leine en Harijono Roebana ingenieus uitgediepte relatie tussen muziek en dans. Of in de vitale pure dans met groot choreografisch vakmanschap als antwoord op de conceptuele dans die het lichaam voortdurend ter discussie stelt. Of in een impuls binnen de meer verhalende theatrale dans zoals van het Hans Hof Ensemble. Of de multidisciplinaire experimenten van André Gingras, die nu een gastchoreografie maakt bij het Nederlands Dans Theater.

Van Dijk: 'Het is misschien stil. Maar het is een stilte voor de storm.'

Felsentahl: 'Reculer pour mieux sauter: even met je kont naar achter om daarna verder te kunnen springen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden