Niet alles is de schuld van Felix Rottenberg

Een moderne politieke partij heeft alleen toekomst wanneer zij electorale effectiviteit combineert met interne democratie, houdt Ruud Koole de PvdA voor....

WIE weet hoe de politieke partij van de toekomst er uit ziet, zou goud kunnen verdienen. Immers, alle partijen in binnen- en buitenland zijn bezig hun positie opnieuw te bepalen. Maar dat is niet eenvoudig. Kiezers twijfelen en stemmen minder vanzelfsprekend op een(zelfde) partij, indien zij al gaan stemmen, zoals woensdag opnieuw bleek.

Het publieke debat wordt steeds meer gevoerd via elektronische massamedia, waarop politieke partijen veel minder greep hebben dan zij hadden op hun 'eigen' dagbladen in de tijd van de verzuiling. En de ruimte voor politieke profilering is voor bestuurlijk ingestelde partijen steeds geringer door de toenemende internationalisering.

Op het moment dat de kiezers massaal gingen 'zweven', verloren de partijen juist door de ontzuiling belangrijke instrumenten om die kiezers te bereiken. En op het moment dat klasse en godsdienst het stemgedrag van kiezers steeds minder gingen bepalen en er dus behoefte kwam aan politieke (beleidsmatige) alternatieven, werden de marges van de democratie steeds smaller.

Duidelijk werd dat het traditionele model van een 'massapartij', waarin veel leden via lokale afdelingen tijd en geld spenderen aan een partij die politici recruteert die vervolgens het door de partij opgestelde programma in de politieke arena trachten te realiseren, niet meer voldoet. Maar wat ervoor in de plaats dient te komen, daarover bestaan grote meningsverschillen.

De recente ruzie in de PvdA tussen partijvoorzitter Felix Rottenberg en prominent 'criticaster' Bart Tromp is hiervan een voorbeeld. Het is een ruzie en helaas geen dialoog, omdat van een echte uitwisseling van gedachten vooralsnog geen sprake lijkt te zijn. Dat is jammer, want hun meningsverschil raakt de kern van het functioneren van de politieke democratie.

Tromp zette de aanval in met een artikel in Socialisme en Democratie, het tijdschrift van het wetenschappelijk instituut van de PvdA. De kern van zijn betoog is dat Rottenberg met zijn pogingen de PvdA te vernieuwen te ver doorslaat en de PvdA verandert in een oligarchische organisatie met een handvol beroepspolitici aan de top. Van interne partijdemocratie is geen sprake meer. Integendeel.

De PvdA stevent af op het 'Greenpeace-model': 'leden worden donateurs, een klein gezelschap van professionals bepaalt wat er gaat gebeuren en wie eraan mee mogen doen.' Tromp heeft sterke argumenten. Na de reorganisatie van de partij in 1992, overigens ingezet door de voorganger van Rottenberg, Marjanne Sint, is van enige interne oppositie in de PvdA nauwelijks sprake en lijkt elk systeem van checks and balances langzamerhand te zijn verdwenen. De macht van Rottenberg is groter dan die van de partijvoorzitters in de jaren vijftig en zestig, tegen wie destijds Nieuw Links in opstand kwam.

Rottenberg heeft zich tegen de kritiek van Tromp verweerd door te benadrukken dat de PvdA bij zijn aantreden volledig was vastgeroest en dat daarom het vrije debat in de partij een kans moest krijgen om te voorkomen dat de vergadertijgers in het formele circuit elke vernieuwing zouden blokkeren. Bovendien, zo stelt Rottenberg, wil de huidige jonge generatie op een andere wijze politiek bedrijven dan via dat formele besluitvormingscircuit.

Volkskrant-redacteur Arnold Koper vroeg zich af of er wel een alternatief is voor Rottenbergs Greenpeace-model (Forum, 4 maart). Volgens hem gaat het debatje tussen Tromp en Rottenberg over 'een fundamenteel dilemma' en hij concludeert dat Rottenbergs opstelling niet voortkomt uit dictatoriale neigingen, maar het gevolg is van 'de eisen die tegenwoordig aan een politieke partij worden gesteld'.

Inmiddels is Rottenberg op het congres van de PvdA herkozen. Hetzelfde congres nam echter een motie aan waarin gevraagd werd 'de interne verhoudingen en verantwoordelijkheden' op duidelijke wijze in kaart te brengen. Het is inderdaad te hopen dat de discussie een vervolg krijgt, zeker nu de PvdA opnieuw heeft verloren.

Terloops stelt Koper het Greenpeace-model gelijk met de 'moderne kaderpartij'. Dat is zijn goed recht, maar toen ik die term in 1992 introduceerde in mijn boek De opkomst van de moderne kaderpartij bedoelde ik er iets heel anders mee.

Ik noemde de huidige partijen 'kaderpartijen', omdat het ledental de term 'massapartij' niet meer rechtvaardigt. Ik voegde er evenwel de term 'modern' aan toe, ter onderscheid van de 19de eeuwse kaderpartij, die in feite een club van notabelen was zonder enige structuur van interne partijdemocratie.

In een 'moderne kaderpartij' overheerst de partijtop, maar zij heeft een duidelijke verantwoordingsplicht jegens het partijkader. In een moderne kaderpartij zitten de checks and balances, die Tromp node mist in de huidige PvdA.

Dat Tromp een Greenpeace-model afwijst, betekent nog niet dat hij de traditionele massapartij omarmt, zoals Koper lijkt te suggereren. Hij doet daarmee Tromp onrecht, want het was juist Tromp die destijds in het rapport van de commissie-Van Kemenade dat handelde over de partijorganisatie een hoofdstuk schreef over de transformatie van politieke partijen, waarin hij de overgang van de massapartij naar een ander type partij beschreef. Wat Tromp benadrukt, en ik wil hem daarin bijvallen, is dat een partij een formele constitutionele organisatie nodig heeft om de interne democratie mogelijk te maken.

Dat zoiets tegenwoordig onmogelijk is, bestrijd ik. Het is onjuist te beweren dat 'de eisen die tegenwoordig aan een politieke partij worden gesteld' welhaast automatisch leiden tot een professionele organisatie waarin voor invloed van leden geen plaats is. Het is waar dat de turbulente omgeving van partijen een snel en adequaat opererend bestuur noodzakelijk maakt. Maar bij Kopers opmerking dat 'een partij die onder dergelijke omstandigheden eerst alles in de groep gooit en aan democratische besluitvorming onderwerpt, steevast te laat zal komen', moeten vraagtekens worden gezet.

In de eerste plaats doen partijen ook nog wel iets anders dan campagnevoeren. Tijdens de campagnes gaat het vooral om één ding: winnen. In die periode van zes tot acht weken voorafgaande aan een verkiezing kan van een tijdrovende consultatie van de partijleden inderdaad geen sprake zijn. Daarbuiten kan dat wel.

In de tweede plaats worden partijen behalve met de eis van een snel bestuur ook steeds meer geconfronteerd met verlangens betreffende de legitimiteit van de politiek, die directe gevolgen hebben voor de interne verhoudingen in partijen. Van partijen die zeggen de democratie te willen dienen, wordt verlangd dat zij ook intern de democratische norm hanteren.

In reactie op de onvrede met de politiek hebben vele partijen in binnen- en buitenland recentelijk pogingen gedaan hun interne structuur te democratiseren. In bijvoorbeeld Duitsland werd in de SPD de rechtstreekse verkiezing van de partijvoorzitter door de leden geïntroduceerd, waardoor Scharping tegen de wens van de toenmalige partijtop in boven kwam drijven.

Er zijn natuurlijk ook voorbeelden te noemen van bewegingen die zonder enige vorm van interne partijdemocratie naar de gunst van de kiezers dingen en daarbij nog succesvol zijn ook. Ross Perot in de VS en Sylvio Berlusconi in Italië zijn daar de extreme voorbeelden van in het heden. Deze vorm van plebiscitaire democratie kan gemakkelijk in haar ondemocratische tegendeel verkeren.

De druk is toegenomen om zich rechtstreeks tot de kiezers te wenden in plaats van via een massaorganisatie van partijleden. Door te zorgen voor een 'veiligheidscircuit' kan worden voorkomen dat het directe appel op de kiezers ontaardt in goedkoop populisme met alle gevaren van dien.

Dat veiligheidscircuit bestaat uit een combinatie van een pluralistisch politiek stelsel en interne democratie. Democratie is nooit een vanzelfsprekendheid: zij dient steeds opnieuw te worden bevochten. Binnen de partijen betekent dit dat het veiligheidscircuit dient te worden onderhouden.

Naast alle terechte pogingen van Rottenberg om het debat nieuw leven in te blazen, dient hij tevens te proberen de besluitvormingskanalen open te houden zodat eventuele interne oppositie zich in de partij kan manifesteren. Dat betekent bijvoorbeeld dat congressen ordentelijk moeten worden voorbereid.

Het betekent ook dat de sturende kracht van de partijtop bij de selectie van (aspirant-)politici niet mag worden misbruikt door elke vorm van dissident gedrag in de partij naar de periferie te verwijzen. Het oppositionele geluid moet op alle niveaus kunnen klinken. Het is uiteindelijk aan de leden om te bepalen hoe sterk dat geluid mag zijn.

Het argument dat het aantal leden van partijen tegenwoordig zo gering is dat hun visie niet representatief kan worden geacht voor de kiezers is op zich juist, maar niet relevant voor de discussie over de vraag hoe groot de zeggenschap van de partijtop in een partij mag zijn. Ongeacht het aantal leden dient de structuur democratisch te zijn in organisaties die zeggen de democratie hoog in hun vaandel te voeren.

DEMOCRATISCHE partijen staan aldus voor de taak electorale effectiviteit te koppelen aan voldoende interne democratie. Al te gemakkelijk verwijzen naar de geest van de tijd ontkent het vermogen van partijen zich niet alleen aan te passen aan veranderende omstandigheden, maar die omstandigheden ook voor een deel te bepalen.

Tromp zou in zijn kritiek wat meer oog kunnen hebben voor de lastige positie waarin Rottenberg zich bevindt. De partij lag op haar gat, toen hij en Vreeman aantraden. De PvdA kon een professionele aanpak zeker gebruiken. Vanouds werden, net als in de vakbonden, 'vrijgestelden' in staat gesteld de vrijwilligersorganisatie, die een partij in hoge mate was, op een consistente wijze leiding te geven.

Het gaat dan wat ver om in tijden dat de omgeving van partijen veel turbulenter is dan voorheen, van Rottenberg en Vreeman te eisen dat zij zich, net als de 'dictators' in het oude Rome, na een korte tijd in dienst van de publieke zaak, weer terugtrekken om zich aan hun 'gewone' werk te wijden. Het congres heeft hen herkozen.

Maar in deze nieuwe termijn zouden zij, nu wèl net zoals de Romeinse 'dictator', ervoor moeten zorgen dat dat gebeurt binnen een constitutioneel raamwerk: de democratische besluitvormingsstructuur dient op orde te zijn. Daarin heeft Tromp gelijk.

Maar ook hij zal dan moeten aanvaarden dat een terugkeer naar de politieke partij van de jaren zeventig of daarvóór, die hij overigens zelf sterk heeft bekritiseerd, onmogelijk en ongewenst is. Hij zal moeten accepteren dat nieuwe vormen van communicatie nodig zijn en kan dan bijvoorbeeld niet het belang van 'netwerkers', afgezien van het woord, bagatelliseren.

Tromp zal moeten toegeven dat het terugdringen van de overdreven vergadercultuur ten gunste van een 'open debat' nog zo gek niet is, mits dit open debat inderdaad 'open' is en uiteindelijk op een nette manier in de formele besluitvorming wordt betrokken. Hij zal moeten erkennen dat het laatste verkiezingsprogramma meer samenhang vertoont dan vroeger toen de 'honderden programmapunten slechts met elkaar in verband stonden door de nietjes die het programma bijeenhielden', zoals Tromp zelf ooit zei.

Hij zal zelfs moeten inzien dat het centralisme in zijn partij zijn grenzen heeft, nu de zittende senator Van der Zandschulp tegen de voordracht in door het partijcongres toch hoog op de kandidatenlijst voor de Eerste Kamer is gezet.

Rottenberg kan zijn tweede termijn gebruiken om andere prioriteiten te stellen. Het debat over de politieke actualiteit moet meer dan de laatste jaren het geval was in eerste instantie aan de kamerfractie worden overgelaten. Bolkestein laat zien dat je daar geen partijvoorzitter als Rottenberg voor nodig hebt. Die fractie moet wel verantwoording afleggen tegenover de partijorganisatie.

Rottenberg dient als voorzitter van een partijorganisatie ervoor te zorgen dat die organisatie 'loopt', dat er ruimte is voor interne discussie over doelen op middellange en lange termijn, en dat die discussie op een behoorlijke wijze wordt afgerond in formele besluitvorming, zonder dat alleen vergadertijgers het voor het zeggen hebben.

R.A. Koole is verbonden aan de vakgroep politieke wetenschappen van de Rijksuniversiteit Leiden.

Dit is een bewerking van een inleiding die hij deze week heeft gehouden voor de Wiardi Beckman Stichting.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.