Niet alle Nobelprijswinnaars zijn even voorbeeldig

Seksisme, racisme en onzinnige ideeën: niet alle winnaars van de Nobelprijzen (volgende week worden ze weer toegekend), zijn even voorbeeldig. Het comité blijft er stoïcijns onder.

Bob Dylan. Beeld Getty

Aung San Suu Kyi is misschien wel het hardst gevallen. De Nobelprijswinnaar voor de Vrede (ze kreeg de prijs in 1991) heeft haar krediet verspeeld nu ze weigert zich uit te spreken tegen de vervolging van de moslimminderheid de Rohingya in Myanmar.

Er werd veel verwacht van mensenrechtenactivist Aung San Suu Kyi toen ze na tientallen jaren huisarrest regeringsleider werd van Myanmar. Nu ligt ze al weken onder vuur omdat ze niet wil erkennen dat haar leger de Rohingya hardhandig het land uit jaagt. Ze veroordeelde in een langverwachte speech weliswaar 'alle schendingen van de mensenrechten', maar daar bleef het bij.

Dus krijgt ze van alle kanten kritiek. Behalve van het comité dat haar de prijs toekende. Dat lijkt er de eenvoudige stelregel op na te houden dat idioot of abject gedrag de eigen verantwoordelijkheid van de laureaten is. Een van de weinige keren dat het Nobelprijscomité reageerde was in 2008, toen gemord werd over de geneeskundeprijs voor Harald zur Hausen van AstraZeneca, het bedrijf dat ook de website van het Nobelcomité sponsort. Toeval, benadrukte Stockholm.

Het Nobelprijscomité is gewend aan controverse: al bij de uitreiking van de prijzen, traditioneel elk jaar in oktober, ontstaat vaak rumoer. Afgunst, politiek, oude ruzies, vriendjespolitiek: er speelt altijd wel iets mee. PLO-leider Yasser Arafat was een omstreden winaar van de prijs voor de Vrede, net als de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger, de net geïnstalleerde Amerikaanse president Barack Obama en de Europese Unie. En anders wel zanger Bob Dylan, die de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg toegekend.

Genetisch zwakkeren

Vaker nog ontstaat de controverse ruim na de uitreiking. Wie in de geschiedenis van de Prijs der Prijzen duikt, vindt ophef rond talloze prijswinnaars. Op zichzelf misschien niet vreemd, want waarom zouden prijswinnaars tot een betere menssoort behoren? Maar toch - van geleerden, dichters, schrijvers, politici die zo'n hoge onderscheiding krijgen, verwachten we tegen beter weten in nobel gedrag en nobele ideeën.

Een kleine inventarisatie leert dat gedrag en ideeën - seksisme, racisme, extremisme, algehele zweverigheid - de hoofdoorzaak van controverse zijn, vaker dan wetenschappelijk wangedrag.

Neem fysicus William Shockley, de man die bij AT&T de transistor uitvond. In 1956 kreeg hij (met Bardeen en Brattain) de Nobelprijs voor Natuurkunde en werd prompt ingelijfd door Harvard, waar hij tijd vond voor racistische en eugenetische betogen. De menselijke evolutie liep spaak, vond hij, omdat de inferieure zwarten zich nu eenmaal sneller voortplantten dan de witte mens. Genetisch zwakkeren, stelde hij ook voor, zouden subsidies moeten krijgen om zich te laten steriliseren.

William Shockley, Nobelprijs voor de Natuurkunde, 1956.

Langs dezelfde lijnen veroorzaakte James Watson, met Francis Crick in 1953 de ontdekker van de dubbele helix van het dna, aanhoudend ophef. In 1962 kregen de twee de Nobelprijs voor Medicijnen en Fysiologie. Watson beweerde in een lezing aan Berkeley dat er een genetisch verband bestaat tussen libido en huidskleur. En trouwens ook tussen lichaamsgewicht en ambitie. Hij zei niet helemaal tegen 'gezond antisemitisme' te zijn en beweerde elders dat de toekomst van Afrika zorgwekkend was omdat Afrikanen niet zo intelligent zijn.

En wat te denkenvan de Nobelprijswinnaar voor Literatuur 1925, George Bernard Shaw, die nadien warme nazisympathieën ontwikkelde en Hitler een 'opmerkelijke, aimabele man' noemde? Ook fysicus Philipp Lenard (winnaar in 1905) en collega Johannes Stark (1919) betuigden in de jaren dertig openlijk steun aan het nationaalsocialisme en verweerden zich fel tegen de ontaarde natuurkunde vol relativiteit en quantumeffecten. In 1918 kreeg Fritz Haber de Nobelprijs voor Scheikunde voor kunstmest; op dat moment werkte hij al jaren aan de eerste gifgassen voor het slagveld.

Surfboard

Nobelprijs voor Scheikunde-winnaar van 1993 Kary Mullis, de man die poseerde met een surfboard toen de prijs bekend was gemaakt, is altijd een vreemde vogel geweest. Maar de jaren na de toekenning werd dat erger. Mullis sloot zich aan bij de omstreden Peter Duesberg, die beweerde dat niet het hiv-virus leidt tot aids, maar liederlijk gedrag van homo's. Daarnaast is hij een warm voorstander van astrologische wijsheden.

Die hang naar esoterie deelt Mullis met Brian Josephson, natuurkundewinnaar in 1973 en uitvinder van de zogeheten Josephson-junctie in chips, waarmee deeltjes van A naar B kunnen springen. Josephson meent dat zijn uitvinding ook telepathie kan verklaren.

Seksisme bracht de Britse biochemicus Tim Hunt (winnaar in 2001) in de problemen: in 2015 stelde hij in een radiopraatje voor om aparte labs voor mannen en vrouwen te maken. Omdat vrouwen zo emotioneel zijn. Een grap, beweerde hij later, toen internationaal de pleuris was uitgebroken.

Joshua Lederberg won in 1958 voor bacterieel onderzoek, dat hij samen met zijn eerste vrouw Esther had gedaan. Hij noemde haar zelfs niet in zijn dankwoord op het Nobelprijsgala op 10 december.

De Vredesprijs 2007 ging naar Al Gore en het klimaatpanel IPCC van de VN. Voorman Rajendra Pachauri nam de prijs in ontvangst, maar raakte daarna ernstig in opspraak vanwege dictatoriaal gedrag binnen het klimaatpanel en vermeende seksuele intimidatie van een medewerker. Pachauri ontkende overigens alles.

Soms liep het ook mis door het Nobelprijscomité zelf. Johannes Fibiger kreeg in 1926 een geneeskundeprijs voor zijn bevinding dat kanker door parasieten wordt veroorzaakt. Zijn bewijs bleek een paar jaar later onhoudbare onzin. In 1949 was de geneeskundeprijs voor António Egas Moniz, de uitvinder van lobotomie, het snijden in de hersenen van psychiatrisch patiënten. Inmiddels is dat te gevaarlijk gebleken en totaal in onbruik geraakt.

Joshua Lederberg, Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde, 1958.

Het comité heeft ervan geleerd: zulke missers vermijdt het tegenwoordig door soms pas tientallen jaren na dato een doorbraak te belonen.

En soms schuwde het Nobelprijscomité de controverse wel degelijk (en riep die daardoor onbedoeld juist op): In 1912 kreeg de Zweedse ingenieur Nils Gustaf Dalén een Nobelprijs voor een vuurtoren. Triviaal en geen Nobelprijs waardig, was de kritiek. Naar verluidt gebeurde dit vooral omdat het comité ruzie kreeg over de relativiteitstheorie van Einstein. Die ontving uiteindelijk in 1921 zijn prijs. Voor het foto-elektrisch effect dan, niet voor zijn ideeën over relativiteit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden